id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.228 Rolnummer: A. 129586/VII-28401 Zaak: Arrest 135228 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 09:22 Fiche Arrest nr 135.228 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.228 van 22 september 2004 in de zaak A. 129.586/VII-28.401 In zake : XXX, verblijvende te H., tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 24 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANDENPUTTEN, die, loco advocaat J. KEULEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-28.401-1/5 2 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 28 november 2000 en verklaarde zich op 29 november 2000 vluchteling. 1.
- Op 18 december 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 2 oktober 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "U, een Indisch staatsburger, verklaart een sikh te zijn, afkomstig uit Palath in de deelstaat Punjab. U was vrachtwagenchauffeur en vervoerde allerhande producten. Op 03/08/2000 werd u op weg naar Punjab tegengehouden door twee gewapende Pathanen en gedwongen hen een lift te geven. Aan de controlepost van Kartarpur, vond de politie de twee Pathanen in uw vrachtwagen. Ze vroegen u te wachten terwijl de Pathanen naar de gevangenis werden gebracht. U liet uw vrachtwagen staan en nam een taxi naar huis. De volgende dag bent u samen met u vader opgepakt door de politie. Na drie dagen kwam uw vader vrij, terwijl u drie maanden vastzat in het politiebureau van Kapurthalla wegens vermeende banden met de twee Pathanen. Op 06/11/2000 kwam u vrij nadat uw oom en uw tante 100.000 roepies hadden betaald. U besloot India te ontvluchten en verschool zich bij uw familie in Jalandar. Uiteindelijk verliet u India op 20/11/
- U kwam aan in België op 28/11/2000, waar u de volgende dag asiel heeft aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat er ernstige tegenstrijdigheden bestaan tussen uw opeenvolgende verklaringen tijdens de asielprocedure (Dienst Vreemdelingenzaken, Vragenlijst, gehoorverslag Dringend Beroep), waardoor uw geloofwaardigheid ernstig wordt ondermijnd. Zo lopen uw verklaringen omtrent het aantal arrestaties en het betaalde smeergeld uiteen. In de vragenlijst verklaarde u tweemaal te zijn gearresteerd, een eerste keer dat u op 04/08/2000 werd opgepakt, dat u drie maanden vastzat en dat u op 04/11/2000 vrijkwam na betaling van 20.000 roepies. U werd opnieuw opgepakt op 06/11/2000 en kwam toen vrij na betaling van 55.000 roepies smeergeld (vragenlijst vraag H). Ook in de aanbevelingsbrief van uw vader staat geschreven dat u twee keer werd gearresteerd en dat u twee keer vrijkwam na betaling van smeergeld. VII-28.401-2/5 3 In dringend beroep verklaart u daarentegen uitdrukkelijk dat u slechts één keer werd gearresteerd, namelijk op 04/08/2000 En dat u vrijkwam op 06/11/2000 na betaling van 100.000 roepies (gehoorverslag Dringend Beroep p. 2 & 4). Verder legde u tegenstrijdige verklaringen af over uw vertrek nadat de politie de vrachtwagen staande hield. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u en handlanger schrik hadden nadat de politie de twee mannen gevonden had en jullie wegliepen en de vrachtwagen achterlieten (zie gehoorverslag DVZ punt 42). In Dringend Beroep echter verklaarde u dat u de vrachtwagen op het politiecommissariaat moest achterlaten en vrij was om naar huis te gaan en met een taxi huiswaarts keerde (gehoorverslag Dringend Beroep p. 3-4). Bovendien dient te worden opgemerkt dat zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, quod non, de door u ingeroepen problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U zou één keer zijn opgepakt door de politie wegens vermeende banden met twee Pathanen die in uw vrachtwagen waren aangetroffen. Ten eerste is het niet meer dan logisch dat de politie u interpelleerde nadat er wapens in uw vrachtwagen waren gevonden. U werd echter na betaling van smeergeld aan de lokale politie probleemloos weer vrijgelaten. Dit wijst geenszins op een systematische vervolging vanwege de Indische autoriteiten. Het feit dat men smeergeld moest betalen bij uw vrijlating, wijst eerder op het corrupte gedrag van de lokale politieagenten dan op een persoonsgerichte vervolging zoals bepaald in de Conventie van Genève. Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat u nooit politiek actief was, noch dat u eerder ooit problemen had met de Indische autoriteiten zodat het éénmalig incident, waarvan u slachtoffer was, weliswaar laakbaar is maar geenszins kan worden beschouwd als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Evenmin kan uit uw verklaringen worden afgeleid dat er tegen u ooit juridische stappen zijn ondernomen. Zo verklaart u dat er geen 'First Information Report' tegen u was en bent u niet op de hoogte van het bestaan van een Warrant of Arrest' tegen u (gehoorverslag Dringend Beroep p. 3 & 4). Verder overstijgt uw vrees het lokale niveau niet en vreest u voornamelijk de lokale politiedienst van Kapurthalla. Gezien uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat er in uw land verschillende grote Sikhgemeenschappen zijn buiten de deelstaat Punjab, heeft u onvoldoende redenen aangehaald waarom u geen gebruik zou kunnen maken van het intern vluchtalternatief teneinde u elders in India te vestigen. Het door u voorgelegde document, een aanbevelingsbrief, kwam reeds hierboven ter sprake en is niet van die aard dat het bovenstaande uiteenzetting kan wijzigen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli
- Derhalve kunnen we besluiten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van "het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het recht van verdediging voorzien in artikel 6 E.V.R.M, artikel 3 E.V.R.M., en de Vluchtelingenconventie dd. 28 juli 1951"; dat zij eveneens beweert dat er een schending is van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; Overwegende dat de verzoekende partij stelt dat het motiveringsbeginsel geschonden is doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte uitgaat van enkele tegenstrijdigheden en doordat hij de verwevenheid van de lokale politie totaal miskent; dat deze niet door enig begin van bewijs ondersteunde beweringen, de Raad er niet toe kunnen brengen aan te nemen dat de commissaris-generaal bij de beoordeling VII-28.401-3/5 4 van het dringend beroep, de grenzen van de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden; Overwegende dat de verzoekende partij zich verder beroept op een schending van de rechten van verdediging; dat de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bovendien de verzoekende partij tijdens de asielprocedure de mogelijkheid heeft gehad nuttig voor haar belangen op te komen; Overwegende dat, wat de aangevoerde schending betreft van de Conventie van Genève, de verzoekende partij nalaat te preciseren hoe de bestreden beslissing welke bepaling schendt van de Conventie; dat artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) bepaalt dat: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen."; dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel te summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt; Overwegende dat het vertrouwensbeginsel niet tot gevolg kan hebben dat het vertrouwen dat zou gewekt zijn door een jarenlange administratieve praktijk, zou leiden tot het handhaven van een onwettige toestand; dat de schending van het vertrouwensbeginsel aldus niet dienstig kan worden ingeroepen; dat evenmin een schending van het redelijkheidsbeginsel kan gesteund worden op de voortzetting van een illegale toestand; Overwegende dat de verzoekende partij nalaat in concreto aan te tonen waarin de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaat; dat zij immers een regularisatieaanvraag had kunnen indienen en niet verduidelijkt waarom zij dit niet gedaan heeft; Overwegende dat het middel in zijn geheel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de VII-28.401-4/5 5 tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.401-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.228 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div