← België

Arrest 135229 - - 22/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.229 Rolnummer: A. 117105/VII-25834 Zaak: Arrest 135229 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 09:23 Fiche Arrest nr 135.229 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.229 van 22 september 2004 in de zaak A. 117.105/VII-25.834 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat M. ELLOUZE, kantoor houdende te 4020 LUIK, quai du roi Albert 77 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Russische nationaliteit, op 20 februari 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 januari 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; VII-25.834-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. BECKERS, die, loco advocaat M. ELLOUZE, verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 21 december 1999 en verklaarden zich op 24 december 1999 vluchteling. 1.
  5. Op 19 juni 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 23 januari 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond waren en bevestigde hij de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verliet op 20 december 1999 uw land, samen met uw vrouw XXX (o.v. 4.913.123) en uw minderjarige dochter. Jullie kwamen op 21 december 1999 in België aan. Op 24 december 1999 vroeg u het statuut van vluchteling aan bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig Russisch paspoort. U heeft uw land moeten verlaten omwille van problemen met de lokale autoriteiten. Sinds begin 1999 gaf u, samen met enkele andere zakenmannen, financiële steun aan een groep journalisten die zich kritisch opstelden ten overstaan van het lokale bestuur. Een enkele keren nam u deel aan de manifestaties tegen het lokale bestuur die elke zondag plaatsvonden. Begin juni 1999 kreeg u thuis het bezoek van twee VII-25.834-2/7 politieagenten die u voorstelden om informant te worden van de politie. Ze eisten dat u, in plaats van geld te storten voor de journalisten, beter de politie zou betalen in ruil voor bescherming. Eind juni 1999 belden de agenten u op en bedreigden u indien u niet zou willen meewerken. Op 3 juli 1999 kwamen dezelfde agenten, Krutchkov en Taranov, vergezeld van een derde persoon, bij u thuis. Ze vroegen uw vrouw, die alleen thuis was, om hen de documenten van uw zaak te overhandigen ter controle. Ze namen eveneens het goud mee dat (u) in uw kluis lag. Toen u twee dagen later op het politiekantoor meer uitleg ging vragen, beweerden zij dat zij niets hadden meegenomen. Ondertussen bleef u telefoons ontvangen van Krutchkov en Taranov. Op 20 augustus 1999 werd u bij het verlaten van een wisselkantoor opgepikt door Krutchkov, vergezeld van enkele andere agenten, die u tot buiten de stad voerden en u beroofden van uw geld. Op 24 augustus 1999 werd u opgeroepen door de politie en stelden zij u allerlei vragen omtrent uw handel in juwelen. U werd gedwongen documenten te ondertekenen waarvan u de inhoud niet kende. Vervolgens werd u naar het bureau van Krutchkov gestuurd en werd u geslagen. Nadien werd u door Krutchkov naar huis gebracht. Als gevolg van uw verwondingen heeft u twee weken in het ziekenhuis gelegen. U heeft een klacht ingediend bij de procureur, maar uw klacht werd doorgestuurd naar het parket van de centrale wijk dat in hetzelfde gebouw gevestigd was als de politieafdeling waartegen u klacht had ingediend. U was ervan overtuigd dat er op die manier geen eerlijk onderzoek zou komen. Toen uw vrouw naar het politiekantoor ging om opheldering te vragen over wat er met u was gebeurd werd zij opgepakt en naar een psychiatrische kliniek gebracht. Er werd gezegd dat zij de agenten zou hebben willen aanvallen. Uw schoonvader heeft hierop opnieuw een klacht ingediend bij het parket, maar opnieuw werd de klacht doorgestuurd. Op 6 oktober 1999 werd u meegenomen door de politie omdat u reeds herhaaldelijke keren niet was ingegaan op de convocaties van de politie. Ze stelden vragen over uw vriend Vadim en eisten 10 000 $ van u. Ze dreigden ermee dat u zou eindigen zoals uw vriend. U heeft pas later vernomen dat Vadim was overleden, officieel aan de gevolgen van een hartstilstand. Op 31 oktober 1999 nam u deel aan een manifestatie en sprak u in uw speech over de dood van Vadim, die volgens u geen ongeluk was. Midden november 1999 schreef u een klacht naar het Openbaar Ministerie in Moskou. Op 15 of 17 november 1999 probeerde een agent uw dochter te ontvoeren uit het kinderdagverblijf. U woonde met uw gezin sinds enige tijd bij familie. Toen de dokters van de psychiatrische kliniek bij uw schoonouders thuis kwamen met de bedoeling uw vrouw opnieuw op te nemen hebben jullie besloten dat jullie niet langer meer in het land konden blijven. In uw opeenvolgende verklaringen voor de verschillende instanties (Dienst Vreemdelingenzaken dd. 14/06/2001; Commissariaat-generaal dd. 08/01/2002) verklaart u dat u omwille van uw financiële steun aan bepaalde journalisten vervolgd werd door de lokale autoriteiten (DVZ, vraag 42; CGVS, verhoorverslag pp. 2-5). Ze eisten dat u met hen zou meewerken door het verschaffen van informatie, maar bovenal het geven van financiële steun. Begin juni 1999 kwam u voor het eerst in contact met de agenten Krutchkov en Taranov. Zij raadden u aan om de politie van de nodige financiële steun en informatie over de journalisten te voorzien. Op 3 juli 1999 zijn dezelfde agenten bij u thuis geweest en hebben zij documenten en goud mee genomen. Later ontkende zij formeel iets te hebben mee genomen uit uw huis. Ondertussen kreeg u regelmatig dreigtelefoons van beide agenten met de vraag om geld en informatie. Op 20 augustus 1999 werd u, bij het verlaten van een wisselkantoor, ondermeer door Krutchkov, in een auto geduwd en beroofd van uw geld. Toen u op 24 augustus 1999 door de politie werd geconvoceerd stelde zij allerlei vragen omtrent uw zaken. Op 6 oktober 1999 eisten de agenten 10 000$ van u. Uit deze verklaringen blijkt dat uw problemen vooral werden veroorzaakt door twee corrupte agenten, Krutchkov en Taranov, en dat het feit dat u steun gaf aan de kritische journalisten hierin slechts van ondergeschikt belang was. De verklaringen van uw vrouw voor het Commissariaat-generaal ondersteunen deze bevinding. Volgens uw vrouw eisten de agenten, bij hun bezoek begin juni 1999, dat u in plaats van bepaalde journalisten financieel te steunen u uw geld aan de politie moest geven (CGVS, verhoorverslag 2). Verder verklaart zij dat jullie verschillende dreigtelefoons kregen met dezelfde boodschap en dat de agenten u, tijdens uw bezoek aan de politie op 24 augustus 1999, hadden ondervraagd over uw relatie met uw zakenvriend Vadim, informatie vroegen VII-25.834-3/7 over juwelen en wilden te weten komen of Vadim nep goud kocht (CGVS, verhoorverslag p.2) Bovendien dient gewezen te worden op het feit dat u tot tweemaal toe klacht heeft ingediend bij het parket en dat beide klachten werden ontvankelijk verklaard. Aangezien u hieraan toevoegde dat deze klachten voor behandeling werden doorgestuurd naar het centrale parket van uw wijk, kan niet zondermeer gesteld worden dat u niet kon of zou kunnen rekenen op de bescherming en steun van deze gerechtelijke autoriteiten. Aangezien het parket van de centrale wijk in hetzelfde gebouw gehuisvest is als de lokale politie geloofde u niet in een eerlijk onderzoek. De idee dat u geen eerlijk onderzoek zou krijgen is echter gebaseerd op een persoonlijk vermoeden (CGVS, p. 4). Bovendien heeft u uw land vroegtijdig verlaten zonder het verdere resultaat van de onderzoeken af te wachten. Nergens uit uw verklaring blijkt dat u omwille van één van de criteria voorzien in de Conventie van Genève geen bescherming van deze hogere autoriteiten zou kunnen genieten. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat uw problemen zich beperken tot twee lokale agenten Krutchkov en Taranov. Er kan dus worden gesteld dat uw problemen eerder van lokale aard zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat u zich niet elders in het land zou kunnen vestigen. U stelt weliswaar dat de politie u overal zou kunnen terugvinden, doch dit is slechts een vermoeden dat niet aan de realiteit getoetst is gezien u niet eens probeerde om u elders in Rusland te vestigen maar onmiddellijk naar België bent gekomen. Gelet op voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli
  7. De door u neergelegde documenten (vaststellingen door politie dat Zheludkov Dimitri en Zheludkova Nataliya niet zijn ingegaan op meerdere oproepen van de politie 5-6/10-13-14/11/1999, convocaties voor Zheludkov Dimitri en Zheludkova Nataliya 24/08-20/10-12/11-26/11/1999) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. De vaststellingen van de politie bewijzen enkel dat u evenals uw vrouw verscheidene keren niet op de politieconvocaties bent ingegaan waarbij jullie beiden respectievelijk als ooggetuige en getuige werden opgeroepen. Uit deze documenten blijkt geenszins dat u werd opgeroepen als verdachte. Uit de brieven van het openbaar ministerie blijkt enkele dat de door u en uw vrouw ingediende verklaringen werden overgemaakt aan de procureur van de "Centrale wijk". Uw rijbewijs en dat van uw vrouw, de geboorteakten van ieder gezinslid en uw huwelijksakte bevatten enkel persoonsgegevens zonder verdere relevantie voor uw asielmotieven.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verliet op 20 december 1999 uw land, samen met uw man XXX (o.v. 4.913.123) en uw minderjarige dochter en kwam op 21 december 1999 in België aan. Op 24 december 1999 vroeg u het statuut van vluchteling aan bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig Russisch paspoort. U heeft uw land moeten verlaten omwille van problemen van uw man met de lokale autoriteiten. Uw man kreeg problemen met de lokale politie omdat hij financiële steun bood aan journalisten die zich kritisch opstelden ten overstaan van het lokale bestuur. Uw man nam ook af en toe deel aan de meetings. Eind juni 1999 kwamen enkele agenten bij uw man thuis die hem aanraadden te stoppen met zijn activiteiten en het geld aan de politie te geven. Op 3 juli 1999 had u voor het eerst contact met de agenten, toen ze thuis naar de documenten van uw man zijn bedrijf vroegen ter controle. U was alleen thuis en overhandigde hen, zonder dat u op de hoogte was van de problemen, de nodige documenten en het goud dat in jullie safe lag. Toen uw man twee dagen later naar het politiekantoor ging om zijn bezittingen op te eisen, beweerden de agenten dat zij niets hadden meegenomen. In die periode kregen jullie thuis regelmatig dreigtelefoons waarin werd gezegd dat uw man geld moest geven aan de politie. Midden augustus 1999 werd uw man door Krutchkov, één van de agenten, in een auto geduwd, toen hij het wisselkantoor verliet. Uw man werd gedwongen het geld af te geven en werd vervolgens buiten de stad afgezet. Op 24 augustus 1999 werd uw man opgeroepen door VII-25.834-4/7 de politie. Toen hij 's avonds terugkwam was hij gewond en moest hij naar het ziekenhuis worden overgebracht. Hij was zwaar geslagen door de agenten en moest gedurende twee weken in het ziekenhuis blijven. Op 25 augustus 1999 diende u een klacht in tegen de politie bij het parket. Nadien ging u naar het politiekantoor om opheldering te vragen over wat met uw man was gebeurd. U werd er bedreigd door Krutchkov, de agent die uw man had geslagen. U werd geduwd door de agent, waarop hij liet uitschijnen dat u hem had willen aanvallen. U werd opgepakt en men bracht u naar een psychiatrisch ziekenhuis. Uw vader diende klacht in bij de procureur, maar uw klacht werd doorgestuurd naar de procureur van het district. Volgens u was dit een manier om uw klacht ongedaan te maken, aangezien het parket van het district in hetzelfde gebouw gevestigd was als dat van de politiedienst dewelke tegen u klacht wilde indienen. Begin oktober 1999 werd uw man onder dwang naar het politiekantoor gebracht omdat hij meermaals niet was ingegaan op de convocaties. Uw man werd bedreigd en men zei dat hij zou eindigen als zijn vriend Vadim. Later kwam uw man te weten dat Vadim was overleden. Op 12 november 1999 hebben jullie klacht ingediend bij het Openbaar Ministerie in Moskou. Uw ouders hebben enkele tijd later het antwoord ontvangen dat hun klacht door de lokale autoriteiten moest behandeld worden. Enkele dagen nadat jullie klacht hadden ingediend in Moskou, probeerde een agent uw dochter te kidnappen uit het kinderdagverblijf, waar ze verbleef. Na dit incident zijn jullie bij uw ouders gaan wonen. Kort daarna kwam er mensen van het psychiatrisch ziekenhuis bij uw ouders met de bedoeling om u opnieuw op te nemen. Hierna hebben jullie besloten om het land te verlaten. Uit uw verklaringen blijkt dat u zich geheel baseert op de feiten als die aangehaald door uw man, XXX (o.v. 4.913.123), in diens asielaanvraag. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw man door de Commissaris-generaal een negatieve beslissing werd genomen, kan ten aanzien van uw asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden.". Dit zijn de bestreden beslissingen.
  8. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de verplichting tot afdoende motivering, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in samenhang met artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partijen en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partijen feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partijen dit te dezen niet aantonen; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissingen heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de VII-25.834-5/7 verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kenden, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpen; dat de verzoekende partijen dan ook geen belang hebben bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten, zij er niet in slagen aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvragen te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partijen, zoals reeds gezegd, niet aanvoeren, en bijgevolg evenmin aantonen, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissingen uitmaakt;
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-25.834-6/7 BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-25.834-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.229 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.