id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.230 Rolnummer: A. 133423/VII-29095 Zaak: Arrest 135230 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 09:23 Fiche Arrest nr 135.230 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.230 van 22 september 2004 in de zaak A. 133.423/VII-29.095 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningstraat 229 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Iraanse nationaliteit, op 24 februari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 januari 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 23 januari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-29.095-1/7 Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat A. BAHRAMI, verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 12 augustus 2002 en verklaarden zich op 13 augustus 2002 vluchteling. 1.
- Op 5 september 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 23 januari 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvragen bedrieglijk en kennelijk ongegrond waren en bevestigde hij de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "U verklaarde tijdens het verhoor in dringend beroep de Iraanse nationaliteit te hebben en afkomstig te zijn van Ahwaz. U zou in 1380 (Iraanse jaartelling, stemt overeen met 2001), toen u uw studies aan de universiteit van Ahwaz aanvatte, lid geworden zijn van de studentenvereniging Daftar Tahkim Vahdat (DTV). Op 19/04/1381 (09/07/2002) zou u samen met uw zus, XXX (DVZ. 5.254.687), en uw vriendin Leyla hebben deelgenomen aan een betoging VII-29.095-2/7 in Teheran. Jullie zouden er politieke pamfletten, die jullie van jullie vriend Reza ontvingen, verspreid hebben en slogans geroepen hebben. Uw vriendin Leyla zou door agenten van "Ettelaat" (Ministerie van Informatie) zijn opgepakt. U zou door een agent in burger geslagen zijn, maar met de hulp van uw zus en enkele andere studenten zijn kunnen ontsnappen. Jullie zouden zich in een naburige woning hebben kunnen verschuilen tot het vallen van de nacht. Jullie zouden vervolgens naar Mandana, een vriendin van jullie moeder, gegaan zijn. Via haar zouden jullie vernomen hebben dat leden van "Nirou-ye Entezami" (ordediensten) bij het huis van jullie moeder in Teheran waren langsgekomen de dag na de manifestatie. Op 09/05/1381 (31/072002) zou u, samen met uw zus, Iran verlaten hebben om via Turkije door te reizen naar België. U zou hier op 14/05/1381 (05/08/2002) zijn aangekomen en op 13/08/2002 een asielaanvraag hebben ingediend bij de Belgische asielinstanties. Na uw aankomst in België zou u vernomen hebben dat leden van "Ettelaat" op 28/4/1380 (19/07/2001) ook bij uw vader in Ahwaz zouden langsgeweest zijn met een arrestatiebevel van de Revolutionaire Rechtbank. Jullie zouden eerder reeds opgeroepen zijn. Ook bij jullie grootouders zouden de "Nirou-ye Entezami" op zoek geweest zijn naar jullie. Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat de elementen die door u werden aangehaald om uw asielaanvraag te ondersteunen onvoldoende ernstig zijn om beschouwd te worden als vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U verklaarde te vrezen voor vervolging in Iran door uw deelname aan de studentendemonstratie in Teheran op 18/04/1381 (09/07/2002). Er dient in eerste instantie te worden vastgesteld dat het enkele feit van uw deelname aan deze manifestatie onvoldoende is om door de Iraanse autoriteiten beschouwd te worden als een gevaar voor de Iraanse samenleving gebaseerd op haar islamitische principes. U maakt verder geen gewag van eerdere problemen met de Iraanse autoriteiten. U verklaarde nooit gearresteerd geweest te zijn. U zou nooit verdacht zijn van politieke oppositionele activiteiten en evenmin behoren tot een familie met een politiek profiel. Het is dan ook weinig aannemelijk dat u nu, na uw deelname aan een studentenbetoging, er opeens van zou verdacht worden subversief te zijn. Wat uw lidmaatschap van "DTV" betreft dient opgemerkt te worden dat u zich aan de basis ervan bevond. Uw activiteiten zoals u die beschreef, beperkten zich tot het ophangen van affiches en artikels van linkse kranten en het bijeenkomen met andere leden van "DTV". U verklaarde zelf dat "DTV" een erkende studentenorganisatie is en dat lidmaatschap ervan geen reden is tot vervolging door de Iraanse autoriteiten (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). U slaagde er dan ook niet in aannemelijk te maken hierdoor problemen te krijgen met de lraanse autoriteiten Voorts kan worden opgemerkt dat u uw zus met betrekking tot een aantal elementen tegensprak waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnd wordt. Zo beweerde uw zus tijdens het verhoor in dringend beroep dat u tijdens de manifestatie op 18/04/1380 (09/07/2001) met een matrak door een agent geslagen werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 13). Uzelf daarentegen beweerde dat de slag op uw hoofd toegebracht werd door de vuist van de agent en dat u nooit met een matrak geslagen werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 9). Verder verklaarde uw zus in dringend beroep dat Reza gearresteerd werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 14). Uzelf beweerde echter dat jullie vernomen hadden (en wel vóór het verhoor in dringend beroep van uw zus op het Commissariaat-generaal) dat Reza gevlucht was (zie gehoorverslag CGVS, p. 12). Bovenstaande tegenstrijdigheden, met betrekking tot de kern van uw asielrelaas, doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Wat er ook van zij, er dient te worden opgemerkt dat u niet de nodige gegevens naar voor brengt om uw beweerde vervolging door de Iraanse autoriteiten te staven. Zo beweerde u dat de ordediensten u regelmatig kwamen zoeken bij familieleden, u een convocatie van de Revolutionaire Rechtbank ontving en een arrestatiebevel tegen u zou zijn uitgevaardigd, afgeleverd bij uw vader (zie gehoorverslag CGVS, p. 11). U kon hierover echter geen enkel begin van bewijs aanbrengen, hoewel u beweerde de laatste maand telefonisch contact te hebben gehad met uw vader (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). VII-29.095-3/7 Tenslotte dient te worden vastgesteld dat de door u neergelegde documenten (identiteitskaart, studentenkaart) niet van die aard zijn om bovenstaande vaststellingen te wijzigen.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "U verklaarde tijdens het verhoor in dringend beroep de Iraanse nationaliteit te hebben en afkomstig te zijn van Ahwaz. U zou in 1377 (Iraanse jaartelling, stemt overeen met 1998-1999), toen u uw studies aan de universiteit van Teheran aanvatte, binnen uw faculteit lid geworden zijn van de studentenvereniging "Daftar Tahkim Vahdat" (DTV). Op 18/04/1378 (09/07/1999) zou u deelgenomen hebben aan een betoging tegen het verbod op uitgifte van de krant "Salam". De volgende dag zou uw beste vriendin, XXX, naar aanleiding van de betoging opgepakt zijn. Uit angst eveneens geïdentificeerd te worden zou u het volgende semester vrijgenomen hebben van de universiteit. Op het einde van het academiejaar 1378-1379 (1999-2000) zou u, op aanraden van uw vader, uit veiligheidsoverwegingen uw studies stopgezet hebben en teruggekeerd zijn naar uw ouderlijk huis in Ahwaz. U zou daar sinds de elfde maand van 1379 (januari 2001) als ere-lid van "Tahkim Vahdat" uw activiteiten voor de studentenbeweging verdergezet hebben. Vanaf de tweede maand van 1380 (april 2001) zou u zijn beginnen deelnemen aan geheime vergaderingen met enkele leden van de Andjoman Islami (islamitische Raad) van DTV van de universiteit van Ahwaz, waarbij jullie jullie deelname aan de studentenbetogingen in de vierde maand van 1381 (juli 2002) zouden voorbereid hebben. Uw zus, XXX (DVZ. 5.255.326) zou ondertussen actief lid geworden zijn van DTV aan de universiteit in Ahwaz. Op 18/04/1381 (09/07/2002) zou u samen met uw zus en uw vriendin Leyla effectief hebben deelgenomen aan de studentenbetoging in Teheran. Jullie zouden er politieke pamfletten, die jullie van een vriend ontvingen, verspreid hebben. Uw vriendin Leyla zou door agenten van de "Ettelaat" (Ministerie van Informatie) zijn opgepakt. U en uw zus zouden zijn kunnen ontsnappen. Jullie zouden zich in een naburige woning hebben kunnen verschuilen tot het vallen van de nacht. Jullie zouden vervolgens naar Mandana, een vriendin van jullie moeder, gegaan zijn. Via haar zouden jullie vernomen hebben dat leden van de Ettelaat bij het huis van jullie moeder in Teheran waren langsgekomen. Enkele dagen later zou u vernomen hebben dat leden van de "Ettelaat" ook bij uw vader in Ahwaz zouden langsgeweest zijn. Jullie zouden bij Mandana ondergedoken gebleven zijn. Op 09/05/1381 (31/072002) zou u samen met uw zus, XXX , Iran verlaten hebben om via Turkije door te reizen naar België. U zou hier op 14/05/1381 (05/08/2002) zijn aangekomen en op 13/08/2002 een asielaanvraag hebben ingediend bij de Belgische asielinstanties. Na uw aankomst in België zou u vernomen hebben dat bij uw vader een convocatiebrief van de Revolutionaire rechtbank zou toegekomen zijn voor u en uw zus. Op 29/04/1381 (20/07/2002) zou een arrestatiebevel zijn uitgevaardigd vanwege de Revolutionaire Rechtbank. Ook bij jullie grootouders zouden de "Nirou-ye Entezami" (ordediensten) naar jullie op zoek zijn geweest. Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat de elementen die door u werden aangehaald om uw asielaanvraag te ondersteunen onvoldoende ernstig zijn om beschouwd te worden als vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U verklaarde te vrezen voor vervolging in Iran door uw deelname aan de studentendemonstratie in Teheran op 18/04/1381 (09/07/2002). Er dient echter te worden vastgesteld dat een enkele deelname aan een betoging niet voldoende is om door de Iraanse autoriteiten gezien te worden als een bedreiging voor de Iraanse samenleving, gebaseerd op haar islamitische waarden en normen. Verder zou u nooit in aanraking zijn gekomen met de Iraanse politionele en/of gerechtelijke autoriteiten. U zou in het verleden reeds deelgenomen hebben aan een soortgelijke betoging maar u maakt hierbij nergens melding van persoonlijke problemen. U zou nooit verdacht zijn van politieke oppositionele activiteiten en evenmin behoren tot een familie met een politiek profiel. Ook tijdens de laatste betoging, dd. 18/04/1381 (09/07/2002) werd u nooit geconfronteerd, noch gearresteerd door de autoriteiten. Het is dan ook weinig aannemelijk dat u nu, na uw deelname aan een studentenbetoging er opeens van zou verdacht worden subversief te zijn. VII-29.095-4/7 Wat uw lidmaatschap van "DTV" betreft dient opgemerkt te worden dat u zich aan de basis bevond en de autoriteiten reeds sinds 1377 op de hoogte zijn van uw lidmaatschap zonder dat u hierdoor ooit problemen kende. U verklaarde zelf dat "DTV" een legale, erkende studentenorganisatie is in Iran (zie gehoorverslag CGVS, p. 7). U slaagde er dus evenmin in aannemelijk te maken dat uw lidmaatschap van "DTV" een reden tot vervolging zou vormen door de Iraanse autoriteiten. Voorts kan worden opgemerkt dat u uw zus met betrekking tot een aantal elementen tegensprak waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnd wordt. Zo beweerde u tijdens het verhoor in dringend beroep dat uw zus met een matrak op het hoofd geslagen werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 13). Uw zus zelf daarentegen beweerde dat de slag op haar hoofd met de vuist van de agent in burger werd toegebracht en dat zij nooit met een matrak geslagen geweest is (zie gehoorverslag CGVS, p. 9) Verder verklaarde u tijdens het verhoor in dringend beroep dat Reza gearresteerd werd en nog steeds vastgehouden werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 14). Uw zus beweerde daarentegen dat jullie vernomen hadden (en dat nog vóór uw verhoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal) dat Reza gevlucht was (zie gehoorverslag CGVS, p. 12). Bovenstaande tegenstrijdigheden, met betrekking tot de kern van uw asielrelaas, doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Wat er ook van zij, er dient te worden opgemerkt dat u niet de nodige gegevens naar voor brengt om uw beweerde vervolging door de Iraanse autoriteiten te staven. Zo beweerde u dat de ordediensten u regelmatig kwamen zoeken bij familieleden, u een convocatiebrief van de Revolutionaire rechtbank ontving en dat van diezelfde rechtbank een arrestatiebevel tegen u zou zijn uitgevaardigd, dat werd afgeleverd bij uw vader (zie gehoorverslag CGVS, p. 14). U kon hierover echter geen enkel begin van bewijs aanbrengen. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat de door u neergelegde documenten (identiteitskaart, studentenkaart, twee documenten van de universiteit van Teheran) niet van die aard zijn om bovenstaande vaststellingen te wijzigen.". Dit zijn de bestreden beslissingen.
- Overwegende dat de verzoekende partijen zich in een enig middel beroepen op de schending van artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het beginsel waarbij de overheid slechts een beslissing kan nemen na kennisname van alle elementen van de zaak; dat zij eveneens beweren dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een “manifeste beoordelingsfout” heeft begaan; dat zij betogen dat zij wel voldoen aan de definitie van vluchteling in de zin van de Conventie van Genève; dat zij bovendien menen dat de commissaris-generaal de kennelijke ongegrondheid niet kan afleiden uit het vaststellen van tegenstrijdigheden tussen de verschillende verklaringen, dat de tegenstrijdigheden niet van die aard zijn dat hun relaas wordt ondermijnd noch dat deze voldoende zouden zijn om in het stadium van de ontvankelijkheid de asielaanvraag af te wijzen; dat zij tenslotte stellen dat zij niet werden geconfronteerd met de tegenstrijdigheden zodat het tegensprekelijk debat werd geschonden; VII-29.095-5/7 Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kenden, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpen; dat zij dan ook geen belang hebben bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten, zij er niet in slagen aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partijen niet aanvoeren, en bijgevolg evenmin aantonen, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat zij het niet eens zijn met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissingen uitmaakt; dat de commissaris- generaal niet verplicht is tijdens het verhoor de kandidaat-vluchtelingen te confronteren met vastgestelde tegenstrijdigheden; dat de hoorplicht niet impliceert dat de ondervragende overheid, door een soort dialoog, de ondervraagde tracht te brengen tot een voor deze meer gunstige verklaring, noch dat de ondervraagde moet worden gewezen op eventuele onduidelijkheden, tegenstrijdigheden of onnauwkeurigheden in zijn antwoorden; dat de commissaris-generaal in de verklaringen van de verzoekende partijen een niet onbelangrijk aantal tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden heeft vastgesteld; dat deze opgesomd worden in de bestreden beslissingen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de VII-29.095-6/7 commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvragen bedrieglijk waren;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.095-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.