← België

Arrest 135232 - - 22/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.232 Rolnummer: A. 138054/VII-30096 Zaak: Arrest 135232 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 09:24 Fiche Arrest nr 135.232 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.232 van 22 september 2004 in de zaak A. 138.054/VII-30.096 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 18 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 20 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-30.096-1/6 Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die, loco advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 21 februari 2003 en verklaarde zich op 4 maart 2003 een tweede keer vluchteling. 1.
  3. Op 11 maart 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 16 mei 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner, afkomstig uit Prugovo, Pozarevac (Servië). U diende een eerste asielaanvraag in op 8 september
  5. Een beslissing tot weigering van verblijf werd door de Dienst Vreemdelingenzaken genomen op 23 september 1997, welke werd gevolgd door een bevestigende beslissing van weigering van verblijf door het Commissariaat-generaal (dd. 8 januari 1998). Begin 1998 zou u samen met uw echtgenote vrijwillig teruggekeerd zijn naar Servië omdat uw vader op sterven lag. Vijftien dagen na de begrafenis van uw vader zou de politie voor de eerste maal sedert uw terugkeer naar uw woning gekomen zijn. De politie zou langsgekomen zijn omwille van uw dienstplicht, waaraan u reeds enkele jaren eerder had verzaakt. U zou echter opnieuw geweigerd hebben. Hierop zou de politie u geslagen en bedreigd hebben. Ze zou u gezegd hebben dat als u uw VII-30.096-2/6 legerdienstplicht niet vervulde, u uw huis en het land moest verlaten. Gedurende ongeveer vijf jaar zou de politie elke maand bij u thuis langsgekomen zijn en u geslagen hebben. Eind 1998, begin 1999 zou u naar de politiecommissaris van Pozarevac gegaan zijn en er een onderhoud mee gehad hebben. Hij zou u gezegd hebben dat de politie haar werk deed en dat u uw legerdienst moest doen of anders Joegoslavië moest verlaten. De politie zou zijn blijven langskomen om u ertoe aan te zetten uw militaire dienst te vervullen. Tijdens het laatste bezoek van de politie, in januari 2003, zou zij u een ultimatum gegeven hebben van één maand. U zou zich binnen die maand moeten inschrijven in Belgrado voor uw dienstplicht. Door dit ultimatum zou u nergens werk gekregen hebben. Hierdoor zou u moeten gaan bedelen zijn. U weigerde echter uw militaire dienst te doen omdat u door uw eerdere weigeringen geen staatsburgerschap had en omdat u als Roma niet de minste rechten kan doen gelden. Toen u op een avond in februari 2003 samen met uw echtgenote, moeder en broer terugkeerde naar uw woning, zou deze volledig afgebrand geweest zijn. Uw buurvrouw zou u verteld hebben dat de politie dit gedaan had. Hierop zou u teruggekeerd zijn naar Pozarevac, waar u vier dagen bij het treinstation zou hebben geslapen. Op 19 februari 2003 zou u samen met uw gezin, uw moeder, XXX (O.V. 5.439.151) en uw minderjarige broer XXX verlaten hebben richting België, waar u op 21 februari 2003 zou zijn aangekomen en waar u op 4 maart 2003 een tweede maal asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van enig document dat uw identiteit kan staven. B. Motivering Vooreerst dient vastgesteld te worden dat uw verklaringen in het kader van uw opeenvolgende asielaanvragen niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid van uw huidige asielaanvraag wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op het Commissariaat-generaal in het kader van uw tweede asielaanvraag dat u niet het (voormalig) Joegoslavische staatsburgerschap heeft; u heeft immers nooit een identiteitskaart gekregen omwille van uw dienstweigering (gehoor CGVS p. 1, 4 en 5). U was wel sedert uw kindertijd in het bezit van een paspoort, doch dit was in 1993 verlopen en men weigerde het - eveneens omwille van uw dienstweigering - te verlengen (gehoor CGVS p. 4). Bij uw eerste asielaanvraag verklaarde u echter herhaaldelijk dat uw paspoort in 1993 door de politie werd geconfisqueerd omdat u weigerde uw militaire dienst te doen (gehoor DVZ dd. 15 september 1997 vragen 20 en 42, verzoekschrift dd. 25 september 1997 en gehoor CGVS dd. 28 oktober 1997 p. 1 en 2). U beschikte wel over een identiteitskaart, maar die had u op aanraden van de mensensmokkelaar in uw land van herkomst achtergelaten (verzoekschrift dd. 25 september 1997 en gehoor CGVS dd. 28 oktober 1997 p. 2). Bijgevolg kan niet het minste geloof worden gehecht aan uw beweringen dat u het (voormalige) Joegoslavische staatsburgerschap niet zou bezitten (gehoor CGVS p. 4). Verder verklaarde u tijdens uw eerste asielaanvraag dat uw echtgenote uit een gemengd huwelijk afstamde. Uw schoonvader zou van Servische origine zijn, uw schoonmoeder zou een etnisch Albanese zijn. De gemengde afkomst van uw echtgenote zou mede aan de basis van uw toenmalig vertrek uit Joegoslavië hebben gelegen (gehoor DVZ dd. 15 september 1997 vraag 42 en gehoor CGVS dd. 28 oktober 1997 p. 2). Ook uw echtgenote legde toen deze verklaringen af (gehoor DVZ en CGVS echtgenote eerste asielaanvraag). In het kader van uw tweede asielaanvraag beweerde u echter dat uw echtgenote van Montenegrijnse origine is en repte u met geen woord meer over haar gemengde afkomst (gehoor DVZ en gehoor CGVS p. 1). Uw echtgenote verklaarde tijdens haar tweede asielaanvraag eveneens dat zij van Montenegrijnse origine is en repte met geen woord meer over een gemengde afkomst (gehoor CGVS echtgenote p.1). Verder dient opgemerkt te worden dat uw verklaringen evenmin eensluidend zijn met die van uw echtgenote en moeder, waardoor de geloofwaardigheid ervan tenslotte volledig wordt tenietgedaan. Zo verklaarde uw echtgenote dat de politie tijdens haar maandelijkse bezoeken niet enkel kwam omwille van uw dienstweigering maar eveneens verplichte zij u telkens dat u uw woning moest verlaten (gehoor CGVS echtgenote p. 5 ev.). U repte echter met geen woord over deze uitzettingsbevelen (gehoor CGVS). Tevens verklaarde uw moeder dat u zich na de eerste aanvaringen met de politie omwille van uw legerdienst steeds verborgen heeft gehouden en dat de politie u sedertdien niet meer vond (gehoorverslag Marinkovic Radmilla CGVS p. 6). U maakte echter op geen enkel moment melding van het feit dat u zich zou hebben verborgen (gehoor CGVS). Uw echtgenote verklaarde tevens dat het hetzij de militaire VII-30.096-3/6 politie, hetzij de lokale politie van Pozarevac was die naar uw woning kwam (gehoor CGVS echtgenote p. 6). U verklaarde dan weer dat het steeds de lokale politie van Pozarevac was die elke maand bij u kwam en u sloeg (gehoor CGVS p. 6). Verder verklaarde u dat u na uw terugkeer nooit bent opgesloten (gehoor CGVS p. 6). Uw echtgenote daarentegen beweerde dat u in het medio 1998 door de politie werd vastgehouden (gehoor echtgenote CGVS p. 7). Verder beweerde u dat u persoonlijk naar de politiecommissaris van Pozarevac bent geweest om te zeggen dat de politie u sloeg (gehoor CGVS p. 9). Uw echtgenote daarentegen verklaarde dat u geprobeerd heeft om de burgemeester van Pozarevac over uw problemen aan te spreken (gehoor CGVS echtgenote p. 8). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan niet het minste geloof worden gehecht aan uw beweerde vluchtmotieven. In het kader van de asielaanvraag van uw moeder, XXX (O.V. 5.439.15 l), nam ik eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. In het kader van de asielaanvraag van uw broer, XXX (O.V. 4.660.814), nam ik reeds voordien een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat “een onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten” niet past in het kader van een onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, doch enkel kan worden gevoerd in de procedure ten gronde; dat zij bovendien stelt dat de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan "een slechte vertaling of slechte communicatie tussen vertaler en interviewer"; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband, het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de bewering van de verzoekende partij dat enkel tijdens de procedure ten gronde de waarachtigheid van haar verklaringen kan worden nagegaan bijgevolg niet kan worden bijgetreden; VII-30.096-4/6 Overwegende dat, wat betreft de tegenstrijdigheden die de commissaris-generaal heeft vastgesteld, van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat de verzoekende partij deze vaststellingen niet tracht te weerleggen; dat moet worden opgemerkt dat zij noch op het Commissariaat-generaal, noch in latere beroepschriften enig voorbehoud heeft gemaakt aangaande de capaciteiten van de tolk of eventuele communicatieproblemen tussen de tolk en de interviewer; dat de beslissing van de commissaris-generaal niet kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door VII-30.096-5/6 de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.096-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.