id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.236 Rolnummer: A. 128593/VII-28199 Zaak: Arrest 135236 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 09:24 Fiche Arrest nr 135.236 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.236 van 22 september 2004 in de zaak A. 128.593/VII-28.199 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. MA, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Jacques Pasturlaan 6A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 25 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-28.199-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOESEELS, die, loco advocaat L. MA, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 18 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- Op 21 maart 2001 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. 1.
- Op 10 oktober 2002 werd aan de verzoekende partij een bevel betekend om het grondgebied van het Rijk te verlaten. "(...) Reden van de beslissing Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister. Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt betrokkene gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden gelid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. VII-28.199-2/5 (...).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) doordat, enerzijds, het bestreden bevel verwijst naar een weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarvan de datum niet wordt gespecifieerd en, anderzijds, de verzoekende partij nooit in kennis is gesteld van voornoemde beslissing zodat zij de motieven van haar verwijdering niet kent; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van regularisatie werd betekend aan het door de verzoekende partij bij haar regularisatieaanvraag opgegeven verblijfsadres en aan het adres van haar raadsman bij wie keuze van woonplaats is gedaan; dat de bewering dat de verzoekende partij geen kennis zou gehad hebben van deze weigeringsbeslissing geen afbreuk doet aan de wettigheid en regelmatigheid ervan; dat deze weigeringsbeslissing een afdoende rechtsgrond is voor het bestreden bevel; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich in een tweede en derde middel beroept op de schending van de artikelen 2, 4/, 9, 10, 12, §1 en 13 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van artikel 2 van "de wet van 11 april 1994 betreffende de publiciteit van de administratie"; dat de verzoekende partij stelt dat zij niet in de mogelijkheid was om binnen de drie dagen haar opmerkingen aan de minister van Binnenlandse Zaken te laten kennen omdat het negatief advies van het secretariaat van de Commissie voor Regularisatie niet op een rechtsgeldige wijze aan haar ter kennis werd gebracht; Overwegende dat verzoekers uiteenzetting betrekking heeft op de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken die gegrond is op een negatief advies van het secretariaat van de Commissie voor Regularisatie; dat deze beslissing niet het voorwerp uitmaakt van onderhavig beroep; dat de middelen niet tot nietigverklaring kan leiden; 2.
- Overwegende dat in het vierde middel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing artikel 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij VII-28.199-3/5 wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) schendt doordat de verzoekende partij duurzame bindingen heeft ontwikkeld in België; Overwegende dat gewone sociale relaties niet vallen onder de bescherming van artikel 8 E.V.R.M.; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-28.199-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.199-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div