id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.322 Rolnummer: A. 150971/XII-4133 Zaak: Arrest 135322 - - 23/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 09:34 Fiche Arrest nr 135.322 van 23 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.322 van 23 september 2004 in de zaak A. 150.971/XII-
- In zake : de VZW KATHOLIEKE UNIVERSITEIT BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Riddersstraat 2, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Katholieke Universiteit Brussel op 22 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen, “in zoverre dit besluit de onderwijsbevoegdheid van de K.U.Brussel voor taal- en letterkunde beperkt tot de Germaanse talen” ; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4133-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Judo, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. Van Obberghen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekende partij, ter uitvoering van artikel 123, § 2, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (hierna: structuurdecreet), op 30 september 2003 een voorstel indient van omvorming van de opleidingen die zij mag organiseren; dat zij onder meer voorstelt de basisopleiding van kandidaat in taal- en letterkunde om te vormen in de taalopleidingen op “bachelor”niveau Nederlands-Engels, Nederlands- Duits, Nederlands-Frans, Engels-Frans en Duits-Frans; Overwegende dat de erkenningscommissie, bedoeld in artikel 123, § 5, tweede lid, van het structuurdecreet op 9 januari 2004 negatief adviseert over het voorstel : “Er wordt nagegaan of de instelling bevoegd is voor het studiegebied of onderdeel van studiegebied, waaronder de opleiding ressorteert; [...] De erkenningscommissie gaat na of de voorgestelde opleiding kan aangezien worden als een omvorming van een basisopleiding die de instelling kon (mocht) aanbieden (krachtens het decreet en het uitvoeringsbesluit geldend voor de basisopleidingen) in 2001-2002 [...] De universiteiten, behoudens UA en KUBrussel, geven ofwel op bachelorsniveau, ofwel op mastersniveau een dubbele formele vorm aan de taalopleidingen : - een bachelor of master specifiek voor de Germaanse talen of voor de Romaanse talen of voor Grieks en Latijn; ofwel - een bachelor of master met vrije keuze voor twee talen. De UA voorziet enkel de algemene formule: een Bachelor Taal- en letterkunde en een Master Taal- en letterkunde. De erkenningscommissie heeft begrepen dat zulks is ingegeven door de onzekerheid omtrent de regelgeving van de onderwijsbevoegdheid voor toekomstige leraren. De erkenningscommissie geeft een positief advies voor deze dubbele vorm in afwachting van meer duidelijkheid omtrent de onderwijsbevoegdheid. Zij adviseert wel dat deze dubbele formele vorm in alle betrokken instellingen op dezelfde wijze wordt doorgetrokken. De KUBrussel heeft niet de bevoegdheid om een opleiding in de Romaanse talen te verstrekken. Zij moet zich dus in de opsomming van mogelijke talencombinaties beperken tot de Germaanse talen (Nederlands, Engels, Duits).”; XII-4133-2/7 Overwegende dat het aangehaalde advies op 15 januari 2004 aan de verzoekende partij wordt meegedeeld; Overwegende dat in de lijst, gevoegd bij het thans bestreden besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 31 augustus 2004), voor de Katholieke Universiteit Brussel onder meer wordt vermeld dat de “Bestaande opleiding”, “Taal- en letterkunde (kandidaat)” wordt omgevormd tot “Bachelor in de taal- en letterkunde: combinatie van twee talen te kiezen uit de Germaanse talen”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota de ontvankelijkheid betwist van de vordering; dat zij ter terechtzitting verklaart na lezing van het auditoraatsverslag aan haar exceptie te verzaken; dat er hoe dan ook vooralsnog geen noodzaak bestaat om over ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over dergelijke excepties immers alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel put uit de schending van artikel 25 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (hierna: universiteitendecreet), van de artikelen 26 en 123 van het structuurdecreet en “in aanvullende orde, de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991”, doordat de bestreden beslissing er op foutieve wijze van uitgaat dat zij niet beschikt over de onderwijsbevoegdheid in het domein van de Romaanse talen, om haar op die basis de mogelijkheid te ontzeggen een bacheloropleiding met vrije keuze voor twee talen in te richten, terwijl de aangevoerde bepalingen aan haar het recht geven in het kader van de omvorming van de opleidingen een dergelijke bacheloropleiding aan te bieden; XII-4133-3/7 Overwegende dat het in het middel aangevoerde artikel 123, § 1, van het structuurdecreet de omvorming regelt van de “academische opleidingen c.q. hun basisopleidingen die [de universiteiten en hogescholen] bij of krachtens het universiteitendecreet c.q. het hogescholendecreet in het academiejaar 2001-2002 kunnen aanbieden in bachelors- en mastersopleidingen overeenkomstig de structuur vervat in de artikelen 11 tot en met 19 van dit decreet en overeenkomstig hun onderwijsbevoegdheid vastgelegd in de artikelen 23 tot 53”; Overwegende dat niet betwist wordt dat de verzoekende partij in het academiejaar 2001-2002 geen opleiding in Romaanse talen aanbood; dat evenwel op het eerste gezicht met de verzoekende partij kan worden ingestemd, dat luidens de aangehaalde bepaling niet het werkelijke onderwijsaanbod, maar “de potentiële bevoegdheid van de universiteiten en hogescholen in het academiejaar 2001-2002 op grond van het ‘Universiteitendecreet’ van 12 juni 1991” bepalend is om na te gaan welke academische opleidingen een universiteit in het kader van de omvormingsprocedure zal kunnen aanbieden, wel verstaan dat in het structuurdecreet niet “op grond van”, maar “bij of krachtens het universiteiten-decreet” te lezen is; dat overigens precies volgens die logica van de “potentiële bevoegdheid”, de verzoekende partij blijkens het bestreden besluit voortaan een “bachelor in de wijsbegeerte” mag aanbieden, ofschoon zij volgens het advies van de erkenningscommissie “de eigen kandidaatsopleiding in de wijsbegeerte niet meer aanbood”, omdat zij “in het besluit van 18 december 1991 (zoals herhaaldelijk gewijzigd) verder vermeld bleef als instelling die de graad van kandidaat in de wijsbegeerte kan uitreiken”, zodat de erkenningscommissie vaststelt “dat de KUBrussel de opleiding van kandidaat in de wijsbegeerte kon aanbieden in de zin van artikel 123, § 1 van het decreet” en positief adviseert; Overwegende dat verzoekende partij betoogt ook voor de Romaanse talen over dergelijke “potentiële onderwijsbevoegdheid” te beschikken; dat zij dit standpunt steunt op artikel 25 van het universiteitendecreet naar luid waarvan zij in het gerechtelijk arrondissement Brussel academische opleidingen mag aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in, onder meer, “taal- en letterkunde, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden”; dat zij betoogt dat noch uit de tekst van deze bepaling noch uit haar parlementaire voorbereiding afgeleid kan worden dat met de geciteerde woorden enkel naar de opleiding in de Germaanse talen wordt verwezen; dat zij ook steun zoekt in het artikel 37 van de gecoördineerde wetten van 31 december 1949 op het toekennen van XII-4133-4/7 de academische graden en het programma van de universitaire examens, zoals gewijzigd door artikel 3 van de wet van 28 mei 1971 houdende nieuwe maatregelen voor de universitaire expansie, waarin haar bevoegdheid om het diploma van kandidaat in de Romaanse filologie uit te reiken uitdrukkelijk is bevestigd; dat zij in de toelichting bij het middel niet specifiek uiteenzet op welke wijze het ook aangevoerde artikel 26 van het structuurdecreet geschonden zou zijn; dat ten overvloede wordt vastgesteld dat deze bepaling wat het studiegebied “taal- en letterkunde” betreft de verzoekende partij toestaat de graad van “bachelor” te verlenen; Overwegende dat de erkenningscommissie in het advies heeft nagegaan “of de voorgestelde opleiding kan aangezien worden als een omvorming van een basisopleiding die de instelling kon (mocht) aanbieden (krachtens het decreet en het uitvoeringsbesluit geldend voor de basisopleidingen) in 2001-2002” en tot een negatief besluit komt; Overwegende dat verzoekende partij voorbijgaat aan het artikel 20 van het universiteitendecreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 27 januari 1993, naar luid waarvan -eerste lid- de universiteiten de academische opleidingen “die zij bij de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig de bestaande wettelijke normen organiseren en die beantwoorden aan de normen van dit decreet, verder [kunnen] organiseren binnen de perken van hun onderwijsbevoegdheid zoals bepaald in de artikelen 23 tot en met 29”, dat -tweede lid- de Vlaamse regering machtigt een lijst op te stellen “van deze bestaande academische opleidingen” en ten slotte preciseert -derde lid- dat bij elke opleiding “rekening houdend met het in het eerste lid en het in artikel 23 tot 29 bepaalde, de bevoegde universiteit of universiteiten [worden] vermeld” en dat deze lijst “bindend [wordt] voor de universiteiten met ingang van het academiejaar volgend op de datum van publicatie van dit besluit van de Vlaamse regering”; dat in de memorie van toelichting bij dit decreet nader wordt toegelicht dat “in deze lijst naast elke academische opleiding de bevoegde universiteit vermeld [moet] worden” en dat de regering hierbij zal uitgaan van twee criteria: “enerzijds de effectieve organisatie van een bepaalde opleiding door de betrokken universiteit in het academiejaar 1990-19991 en anderzijds de uitbreiding van de onderwijsbevoegdheid die in dit decreet aan sommige instellingen wordt toegestaan” (Parl. St., Vl. P. 1990-1991, nr. 502/1, blz. 69); XII-4133-5/7 Overwegende dat de in artikel 20 van het universiteitendecreet bedoelde lijst is vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 18 december 1991 als de “lijst van de bestaande graden die de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap bij het van kracht worden van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap organiseerden” (B.S. 24 januari 1992); dat in die lijst bij de opleiding “Taal- en letterkunde” de KUBrussel wél wordt vermeld bij “Germaanse talen” (kandidaat) en niét wordt vermeld bij “Romaanse talen” of bij “Latijn en Grieks”; dat die lijst voor de verzoekende partij bindend is; Overwegende dat prima facie wordt aangenomen dat artikel 20 van het universiteitendecreet en het krachtens dit artikel aangenomen besluit van de Vlaamse regering van 18 december 1991 de “potentiële onderwijsbevoegdheid” van de universiteiten in beginsel heeft bepaald tot de “bij de inwerkingtreding van dit decreet” “bestaande academische opleidingen”, te verstaan als de op 1 oktober 1991 effectief aangeboden opleidingen en dat de verzoekende partij op het eerste gezicht vanaf het academiejaar 1991-1992 geen opleiding taal- en letterkunde in de Romaanse talen meer mocht aanbieden; dat verzoekende partij ook niet beweert hiervoor nadien nog een wijziging van haar onderwijsbevoegdheid te hebben aangevraagd, laat staan verkregen; dat in de huidige stand van de procedure aangenomen wordt dat de onderwijsbevoegdheid van verzoekende partij in de taal- en letterkunde beperkt is tot de Germaanse talen; dat zij tijdens het academiejaar 2001-2002 niet beschikt over een “potentiële onderwijsbevoegdheid” in de Romaanse talen; dat het bestreden besluit van de Vlaamse regering rechtsgeldig steunt op het in die zin gegeven negatieve advies van de erkenningscommissie; Overwegende dat verzoekende partij in het enig middel “in aanvullende orde” schending van de formele motiveringsplicht aanvoert en uiteenzet, in dat verband, dat het advies van de erkenningscommissie waarop het besluit is gebaseerd “pertinent foutief is”; dat de Raad niet goed ziet - en verzoekende partij nergens uiteenzet - hoe het recht om een opleiding in de Romaanse talen aan te bieden kan miskend zijn wegens een eventuele schending van de formele motiveringsplicht; dat de verwerende partij overigens betwist dat die verplichting tot formele motivering geldt voor het bestreden besluit; dat uit wat voorafgaat hoe dan ook is gebleken dat verzoekende partij de Raad niet ervan heeft kunnen overtuigen dat het advies van de erkenningscommissie “pertinent foutief” is, integendeel, terwijl dit advies haar is meegedeeld en zij in staat was er haar kritiek op te formuleren; dat het doel van de formele motiveringsplicht bijgevolg hoe dan ook is bereikt; XII-4133-6/7 Overwegende dat het middel in geen van zijn aspecten ernstig is; dat aldus niet is voldaan aan ten minste één van de vereiste grondvoorwaarden, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig september 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4133-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.322 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.787 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.