← België

Arrest 135373 - - 24/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.373 Rolnummer: A. 135883/XIV-14818 Zaak: Arrest 135373 - - 24/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-18 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 09:45 Fiche Arrest nr 135.373 van 24 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.373 van 24 september 2004 in de zaak A. 135.883/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1984 en van XXX nationaliteit, op 14 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 14 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-14.818-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VERMEIRE die, loco Advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-Adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 13 november 2002 en verklaart zich vluchteling op 18 november
  4. 1.
  5. Op 11 december 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 10 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) U verklaarde de XXX nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit A. Rond januari 2000 (Thir 1992, volgens de XXX kalender (EK)) werd uw moeder omwille van haar E. origine naar E. gedeporteerd. U ondervond zelf geen persoonlijke problemen met de XXX autoriteiten, omwille van de E. afkomst van uw moeder. Uw vader was lid van de oppositiepar- tij, de E. (XXX). Vanaf 1999/2000/2001 (1992/1993 EK) hield hij partijvergaderingen in jullie huis. Soms werden dagelijks vergaderingen gehouden. Op een niet nader bepaalde datum in april/mei/juni 2001 (Miyazia/Ginbot 1993 EK) werd uw vader voor de eerste maal gearresteerd en vastgehouden. Hierna werd uw vader nog een aantal maal gearresteerd. Telkens werd hij vrijgelaten. Intussen werden nog regelmatig vergadering(en) thuis gehouden. Op 9 of 11 april 2002 (1 of 3 Miyazia 1994 EK) werd uw vader opnieuw gearresteerd. Later, op 25 april 2002 (17 Miyazia 1994 EK), hoorde u dat uw vader was overleden. Enkele dagen nadat uw vader werd gearresteerd, kwam iemand van de regeringspartij, de E., naar jullie huis. Hij beloofde jullie om jullie vader te helpen in ruil voor enkele documenten en wapens die uw vader zou bezitten. Enkele dagen later werd uw huis doorzocht. Op 3 mei 2002 (25 Miyazia 199 4 EK) werd u zelf gear u naar een gevangenis overgeplaatst. In deze gevangenis werd u ondervraagd over de documenten en wapens van uw vader. Op 31 oktober 2002 (21 Thikimt 1995 EK) werd u op borgtocht vrijgelaten. Op 9 december 2002 (30 Hidar 1995 EK) had u voor de rechter moeten verschijnen, maar omdat u vreesde blijvend te worden vervolgd omwille van de activiteiten van uw vader, besloot u XXX te verlaten. Samen met uw zus, M. (CG/02/22899) verliet u XXX op 12 november 1995

(2002). Na een tussenstop in Luxemburg kwamen jullie op 13 november 2002 in België aan. Nog diezelfde dag startte(n) u en uw zus de asielprocedure. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u een persoonlijke vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie niet aannemelijk heeft gemaakt. Doorheen uw verklaringen maakte u immers niet aannemelijk dat uw vader actief was voor de E. (XXX). XIV-14.818-2/7 Zo stelde u dat uw vader vergaderingen organiseerde in jullie huis vanaf een niet nader bepaalde datum in 1992 (EK). Later, vanaf 1993 (EK), werden meer vergaderingen gehouden. U stelde dat enkele van deze mensen deze vergaderingen regelmatig bijwoonden. U kon echter slechts de voornaam van één van deze mensen noemen (verhoorverslag Commissariaat- generaal, dd. 14 februari 2003, p. 2). U kon verder niet specifiëren wat uw vader juist deed binnen de E. en u stelde niet te weten of uw vader binnen de E. een verantwoordelijke overste had. U kon evenmin specifiëren of uw vader al dan niet een belangrijke functie binnen de E. bekleedde. U was evenmin op de hoogte van eventuele andere vergaderingen op andere plaats(t)en (p. 5). Voorts wist u niet of er ooit nog andere E.-leden die de vergaderingen in uw huis hadden bijgewoond, ooit werden gearresteerd (p. 8). U wist vervolgens niet wie de leider van de E. is en kon geen andere prominente figuren noemen (p. 2, zie ook informatie in het administratieve dossier op het Commissariaat-generaal). L. bleek u niet te kennen (p. 5). U wist in het geheel niet of de E. ooit aan de parlements-, woreda-, of kebeleverkiezingen heeft deelgenomen (p. 8) en ondanks het feit dat uw moeder naar E. zou zijn gedeporteerd, kon u in het geheel geen toelichtingen geven over het standpunt van de E. over de E. kwestie (p. 5, zie voornoemde informatie). Redelijkerwijs kan worden verwacht dat u enige toelichting kan geven over de partij waarvoor uw vader actief zou zijn geweest en uitleg kan geven bij zijn activiteiten voor deze partij. Te meer (daar) uw vader op regelmatige basis vergaderingen organiseerde in jullie huis. Uw jonge leeftijd doet hieraan geen afbreuk. Daarenboven ondermijnen enkele uiteenlopende verklaringen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Zo verklaarde u dat één van de agenten, die uw vader in april 2002 arresteerden, militaire kledij droeg en de overige agenten burgerkledij (p. 6). U stelde verder dat uw huis op een avond door twee mannen werd onderzocht (p. 7) en u zegde tenslotte dat uw zus niet thuis was, maar bij uw oom verbleef toen u na uw gevangenschap naar uw huis terugkeerde (p. 8). Uw zus, M., stelde daarentegen dat de agenten die uw huis binnenkwamen op 11 april 2002 alledrie burgerkledij droegen (verhoorverslag CG/02/22899, Commissariaat- generaal, p. 4). Voorts verklaarde ze dat er één huiszoeking gebeurde, op een ochtend. Drie mannen zouden het huis hebben doorzocht (p. 6). Verder zegde ze dat ze thuis was toen u op 31 oktober 2002 na uw detentie terug naar huis kwam (p. 8). Verder kunnen uw reisroute, nationaliteit en identiteit niet worden nagegaan, wegens gebrek aan documenten terzake. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep verder geen element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat u samen met uw minderjarige zus, H. (CG/02/22899, DVZ/5.401.326), naar België bent gereisd.”. 2.
  1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de zorgvuldigheidsplicht, doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten dat zijn asielaanvraag bedrieglijk is; dat verzoeker stelt dat een “onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève” dient te worden gevoerd in de procedure ten gronde; 2.1.
  2. Overwegende dat verzoeker ten onrechte voorhoudt dat de Commissaris- generaal enkel in de gegrondheidsfase kan vaststellen dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te XIV-14.818-3/7 gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvra- ger voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling, rekening houdend met alle relevante gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris- generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu heeft vastgesteld “dat u (verzoeker) een persoonlijke vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie niet aannemelijk heeft gemaakt”; dat de Commissaris-generaal tot dit besluit is gekomen omdat verzoeker niet aannemelijk kon maken dat zijn vader politiek actief was; dat verzoeker de voornaam van slechts één van de personen kon noemen die de vergaderingen bij hen thuis regelmatig bijwoonden, dat hij niet kon specifiëren wat zijn vader precies deed binnen de E. en dat hij niet wist of zijn vader binnen de E. een verantwoordelijke overste had, noch of zijn vader een belangrijke functie bekleedde, dat hij niet op de hoogte was van eventuele andere vergaderingen op andere plaatsen, dat hij niet wist of er nog andere E.-leden die de vergaderingen hadden bijgewoond, waren gearresteerd, dat hij niet wist wie de leider van de E. is en dat hij geen andere prominente figuren kon noemen, dat hij L. niet kent, dat hij niet wist of de E. ooit aan verkiezingen had deelgenomen en dat hij geen toelichtingen kon geven over het standpunt van de E. over de E. kwestie, terwijl zijn moeder toch naar E. zou zijn gedeporteerd; dat een andere onontvankelijk- heidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenis- sen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten omdat uiteenlopende verklaringen de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen; dat hij met betrekking tot de arrestatie van zijn vader, het tijdstip van de huiszoeking, en het al dan niet thuis zijn van zijn zus toen verzoeker na zijn gevangenschap thuis kwam, andere verklaringen heeft afgelegd dan zijn zus; dat de Commissaris-generaal ten slotte opmerkt dat de reisroute, nationaliteit en identiteit van verzoeker niet kunnen worden nagegaan, wegens gebrek aan documenten terzake; Overwegende dat verzoeker meent dat de tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen en die van zijn zus minimaal zijn en dat hij deze wijt aan de paniek en verwarring eigen aan de moeilijke tijden die ze meemaakten; dat verzoeker deze verklaringen niet ontkent; dat deze tegenstrijdige verklaringen terug te vinden zijn in het administratief dossier van XIV-14.818-4/7 verzoeker en het dossier van zijn zus, zodat de Commissaris-generaal op goede gronden kon vaststellen dat de uiteenlopende verklaringen van verzoeker de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen; dat verzoeker de vage verklaringen omtrent de politieke activiteiten van zijn vader niet ontkent; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden kon twijfelen aan het feit dat verzoekers vader politiek actief was; 2.1.
  3. Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet waarin de beweerde schending van de zorgvuldigheidsplicht bestaat; dat uit het administratief dossier blijkt dat hij de mogelijkheid heeft gehad om zijn asielmotieven in het verzoekschrift tot dringend beroep uiteen te zetten en zo nodig te preciseren, en de motieven waarop zijn dringend beroep steunt uit te werken en aan te geven waarom de bestreden beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken diende te worden hervormd; dat hij werd uitgenodigd voor een verhoor, dat plaatsvond op 14 februari 2003 en waarbij verzoeker werd bijgestaan door een tolk; dat hij aldus de mogelijkheid heeft gehad om zijn asielmotieven op omstandige wijze uiteen te zetten, zijn argumenten te staven en eventueel nieuwe of aanvullende documenten in te dienen; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Commissaris-generaal de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden; 2.1.
  4. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissing steun vindt in haar motieven, die terzake dienend, pertinent en draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve op goede gronden heeft overwogen dat een verder onderzoek zich niet opdrong, gelet op het relaas van verzoeker; dat de zorgvuldigheidsplicht niet wordt miskend; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  5. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen; dat hij voorts stelt dat de bestreden beslissing artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingen- conventie schendt, omdat hij voldoet aan de vereisten van voormeld artikel; dat hij immers vreest voor zijn leven omdat zijn vader is vermoord en hijzelf reeds werd gearresteerd en dat dit bij een eventuele terugkeer opnieuw zal gebeuren; 2.2.
  1. Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat wat de materiële motiveringsplicht betreft, uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing gedragen wordt door pertinente en afdoende motieven; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; XIV-14.818-5/7 2.2.
  2. Overwegende dat voor het overige uit de gegevens van het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker in zijn land van herkomst zal worden vervolgd; dat uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker de in de bestreden beslissing opgenomen vaststellingen niet met relevante en concrete gegevens weerlegt; dat de Commissaris-generaal derhalve geen van de door verzoeker aangevoerde bepalingen schendt; dat het tweede middel ongegrond is;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-14.818-6/7 BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-14.818-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.