← België

Arrest 135390 - - 24/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.390 Rolnummer: A. 126947/XIV-11766 Zaak: Arrest 135390 - - 24/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 09:47 Fiche Arrest nr 135.390 van 24 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.390 van 24 september 2004 in de zaak A. 126.947/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 5 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 juli 2002 houdende uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 14 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-11.766-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. MESSENS, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient krachtens artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op 8 juli 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist de verzoekende partij uit te sluiten van de toepassing van de Regularisatiewet; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en
  4. Gelet op de regularisatieaanvraag ingediend op 28 januari 2000, door XXX, geboren op 05/05/1964, te M., van XXX nationaliteit, alias XXX, 05/05/1964, XXX, alias S., 17/04/1964, Spanje. Overwegende dat betrokkene zijn regularisatieaanvraag heeft gemotiveerd op basis van criterium
  5. Overwegende dat hij op 08/02/1994 voor het eerst het land binnenkwam en op 09/02/1994 het statuut van vluchteling aanvroeg, wat hem op 06/05/1994 door het commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en staatlozen definitief werd geweigerd. Overwegende dat hij 06/04/1994 illegaal werd aangetroffen in Nederland en terug werd overgedragen aan de Belgische autoriteiten. Overwegende dat hem op 11/05/1994 een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, hij hier geen gevolg aan gaf en op 24/01/1995 met het oog op repatriëring werd opgesloten in de gevangenis. Overwegende dat hij op 10/03/1995 vrij werd gelaten met een bevel om het grondgebied te verlaten. Overwegende dat hij bij een politiecontrole op 06/07/1998 werd aangetroffen met de gestolen identiteitskaart voor vreemdelingen van de heer P. (/25.05.1966). Overwegende dat hij op 07/03/2000 werd aangetroffen in het bezit van een als blanco gestolen geseind Spaans paspoort waarop de persoonsgegevens van S. (/17/04/1964) waren ingevuld. Overwegende dat hij op 05/10/1999 onder de identiteit van S. een aanvraag tot vestiging had ingediend en hem een A.I. werd afgeleverd en dat zijn aanvraag sinds 05/04/2000 als zonder voorwerp wordt beschouwd. Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad en de Belgische autoriteiten heeft misleid. Overwegende dat dienvolgens hij een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent. Beslist: - XXX op 05/05/1964, te M., van XXX nationaliteit, alias XXX, 05/05/1964, XXX, alias S., 17/04/1964, Spanje is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en zal kunnen verwijderd worden van het Rijk.”; XIV-11.766-2/6 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Eerste middel: schending van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging. Dat verzoeker op 28 januari 2000 een aanvraag indiende voor de regularisatie van verblijf op basis van het artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Dat verzoeker bij de behandeling van zijn regularisatieaanvraag niet mondeling werd gehoord. Dat door verweerder de hoorplicht en de rechten van verdediging geschonden worden, wanneer hij een negatieve beslissing aangaande verzoekers regularisatieaanvraag neemt zonder deze uit te nodigen voor een verhoor waarin hij zijn relaas en standpunt kan doen kennen. Dat nochtans de Raad van State van oordeel is dan tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Dat de uitsluitingsbeslissing dd. 08/07/2002 tot gevolg heeft dat verzoeker België dient te verlaten. Dat niet kan ontkend worden dat door voormelde beslissing, gesteund op verzoekers persoonlijke gedragingen en dito motieven, verzoekers belangen, meer zelfs verzoekers vrijheid en leven, zwaar bedreigd en/of aangetast worden. Dat verweerder bij de behandeling van verzoekers regularisatieaanvraag moet nagaan of verzoeker naar zijn land van herkomst kan worden teruggeleid. Dat enkel in een mondeling verhoor verzoekers uitgedrukte persoonlijke vrees kan worden geëvalueerd. Dat verzoeker derhalve bij de behandeling van zijn regularisatieaanvraag door verweerder mondeling dient te worden gehoord. Dat verzoekers rechten van verdediging geschonden werden doordat hij niet de kans kreeg tijdens een mondeling verhoor zijn relaas uiteen te zetten.”; 2.1.
  7. Overwegende dat de hoorplicht in essentie tot doel heeft het bestuur op een volledige wijze in te lichten in het raam van de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding; dat de bestreden beslissing is gesteund op het feit dat de verzoekende partij, door haar persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad en de Belgische autoriteiten heeft misleid; dat de achterliggende feiten, waaronder het herhaalde gebruik van valse identiteitskaarten of paspoorten, vatbaar zijn voor directe en eenvoudige vaststelling en als dusdanig niet worden betwist, zodat de overheid niet verplicht was de verzoekende partij te horen; dat dit onderdeel derhalve ongegrond is; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke procedure; dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het middel in die mate onontvankelijk is; 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (wet van 29 juli 1991); van het artikel 62 van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) en van het rechtszekerheidsbeginsel. XIV-11.766-3/6 Manifeste beoordelingsfout Machtsmisbruik Dat de ministeriële beslissing 08.07.2002 en het bevel om het grondgebied te verlaten dd. 14.08.2002, genomen in uitvoering van voormelde beslissing, niet afdoende gemotiveerd zijn. Dat de minister van Binnenlandse Zaken in zijn negatieve beslissing dd. 08.07.2002 verwijst naar de negatieve beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd. 06.05.1994 waarin verzoekers asielaanvraag wordt afgewezen, naar verzoekers illegaal aantreffen in Nederland op 06.04.1994, naar verzoekers opsluiting met het oog op repatriëring en naar verzoekers gebruik van valse identiteiten. Dat in eerste instantie dient opgemerkt te worden dat verweerder geenszins zijn onderzoek en zijn toetsing van verzoekers regularisatieaanvraag aan het artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk kan beperken tot de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie van Genève van 28 juli 1951 (cf. verwijzing naar beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd. 06.05.1994 aangaande verzoekers asielaanvraag). Dat verweerder gehouden is een ruimer onderzoek in te stellen en met alle redenen en aangebracht elementen, welke verzoeker in de onmogelijkheid stelt om naar zijn land terug te keren, rekening te houden en zijn motivatie niet kan beperken tot een verwijzing naar de negatieve beslissing aangaande verzoekers asielaanvraag. Dat in tweede instantie dient opgemerkt te worden dat verzoekers opsluiting in de gevangenis gebeurde als gevolg van een aan verzoeker betekend bevel om het grondgebied te verlaten (wegens de afwijzing van verzoekers asielaanvraag) met het oog op zijn repatriëring. Dat in derde instantie dient vastgesteld te worden dat verzoeker in geen geval nooit strafrechterlijk werd veroordeeld wegens fraude door een Belgische strafrechtbank waardoor verzoeker onschuldig blijft tot zijn schuld is bewezen. Dat in vierde instantie vaststaat dat verzoeker door de politie ontseind werd (cf. stuk 3). Dat een maatregel van verwijdering niet mag steunen op redenen van algemene preventie (C.J.C.E., 26.02.1975, zaak 67/74, Bonsignore, Rec. 1977, p. 297). Dat vaststaat dat verzoeker in geen geval de laatste jaren in aanvaring kwam met de Belgische politie of gerecht. Dat verzoeker zelfs door de politie werd ontseind (cf. stuk 3). Dat vaststaat dat de ministeriële beslissing gesteund is op het huidige en persoonlijk gedrag van verzoeker. Dat bovendien uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken het begrip openbare orde en nationale veiligheid als het volgt omschreef: ‘De begrippen openbare orde en nationale veiligheid kunnen per definitie niet nauwkeurig worden omschreven. De eventuele veroordelingen die de aanvragers hebben opgelopen, moeten individueel worden beoordeeld rekening houdend met de ernst en de frequentie ervan. De openbare orde zal worden ingeroepen in geval van veroordeling wegens het behoren tot terroristische organisatie, deelname aan handel in verdovende middelen of herhaalde misdadigheid. De minister zal het gerechtelijk verleden van elke betrokkene natrekken en beoordelen’ (cf. rapport van de commissie voor Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken en het Openbaar Ambt, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 22 november 1999, doc. 50 0234/005, p. 50 stuk 4). Dat verweerder geenszins zelfs door een Belgische rechtbank werd veroordeeld. Dat derhalve, gelet op voormelde rechtspraak en de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 22 december 1999 dient vastgesteld te worden dat de ministeriële beslissing dd. 08.07.2002, welke verwijst naar de negatieve beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd. 06.05.1994 en naar de vermeende vroegere fraude van verzoeker niet afdoende gemotiveerd is. Dat verweerder geenszins aanduidt waarom de negatieve beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd. 06.05.1994 aangaande verzoekers asielaanvraag en de vermeende vroegere fraude van verzoeker een regularisatie van verzoeker in de weg staan en derhalve een manifeste beoordelingsfout begaat. Dat de minister van Binnenlandse Zaken in zijn negatieve beslissing dd. 08.07.2002 machtsmisbruik begaat door zonder gegronde redenen een uitsluitingsbeslissing aangaande verzoeker te nemen. Dat verder verzoeker opmerkt dat de minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken in de bestreden beslissing, nergens afdoende motiveert waarom de bewijsstukken, welke verzoeker ter ondersteuning van zijn regularisatieaanvraag indiende (cf. bewijzen aangaande verzoekers daadwerkelijk verblijf in België op 01.10.1999 en meer dan zes jaar en aangaande verzoekers duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, cf. stuk 2), niet werden weerhouden. XIV-11.766-4/6 Dat verweerder in de bestreden beslissing dd. 08.07.2002 nalaat aangaande door verzoeker neergelegde bewijsstukken grondig te motiveren waarom deze niet werden weerhouden als bewijs dat verzoeker humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale bindingen in België heeft ontwikkeld (artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999). Dat derhalve de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en derhalve de motiveringsverplichting schendt. Dat verweerder in de bestreden beslissing dd. 08.07.2002 een manifeste beoordelingsfout maakte door geen grondige toetsing door te voeren van de bewijsstukken van verzoeker, aangaande zijn duurzaam verblijf in België, aan het art. 2, 4/ van de Regularisatiewet. Dat immers uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk blijkt zelfs dat de regularisatieaanvragen met de nodige soepelheid dienen behandeld te worden: ‘voor de aanvragers die door hun verblijfsduur tussen de eerste en de vierde categorie vallen, zal hun situatie met voldoende soepelheid worden beoordeeld om ernstig onrechtvaardige situaties te vermijden’... (cf. Parl. St. Kamer, 234/005, p. 13 stuk 4). Bovendien dient te worden rekening gehouden met de ‘concrete toestand van de vreemdelingen en dient de humanitaire redenen geval per geval te worden beoordeeld’ (cf. Parl. St. Kamer, 234/001, p. 8 en 12, stuk 5). Dat geenszins kan vastgesteld worden dan verweerder in de bestreden beslissing dd. 08.07.2002, bij de behandeling van verzoekers regularisatieaanvraag enige soepelheid aan de dag legde en rekening hield met de concrete toestand van verzoeker, namelijk zijn jarenlang verblijf in België waar hij de nodige inspanningen doet om zich te integreren en te overleven, zijn onmogelijkheid na al die jaren van afwezigheid naar P. terug te keren, een regio welke nog steeds politiek onstabiel is en zijn tewerkstelling in België (cf. stuk 6).”; 2.2.
  9. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet toepasselijk is op aanvragen ingediend in het kader van de Regularisatiewet; dat het tweede middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betreft, dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het onderdeel van het middel enkel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat artikel 5 van de Regularisatiewet bepaalt dat de "in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, van de toepassing van deze wet (zijn) uitgesloten."; dat uit deze duidelijke bepaling niet kan worden afgeleid dat de minister van Binnenlandse Zaken enkel in het geval van strafrechtelijke veroordelingen kan besluiten dat de aanvrager een gevaar betekent voor de openbare orde of nationale veiligheid; dat de Regularisatiewet evenmin bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken, alvorens een beslissing tot uitsluiting te nemen, verplicht is te onderzoeken of de aanvrager in aanmerking XIV-11.766-5/6 komt voor de regularisatie op basis van één van de door hem ingeroepen criteria of dat hij dient te motiveren waarom de aangehaalde redenen, in casu de bewijsstukken omtrent duurzame sociale binding en humanitaire redenen, niet werden weerhouden; dat blijkens de feitelijke en als dusdanig niet betwiste gegeven van de zaak de verzoekende partij heeft getracht door middel van het aannemen van verschillende identiteiten de Belgische autoriteiten te misleiden; dat de minister, wanneer hij heeft vastgesteld dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, geen verder onderzoek meer dient te voeren; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van zijn bevoegdheid heeft genomen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.766-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.390 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.