id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.404 Rolnummer: A. 145634/VII-31278 Zaak: Arrest 135404 - - 24/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-05 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 09:51 Fiche Arrest nr 135.404 van 24 september 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.404 van 24 september 2004 in de zaak A. 145.634/VII-31.
- In zake : de n.v. DE KOCK, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 64 tussenkomende partijen :
- de v.z.w. MILIEURAAD HULDENBERG, p/a Joseph GOTZEN, wonende te HULDENBERG, Donkerstraat 25
- de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij Advocaat G. LENSSENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jetselaan 32/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DE KOCK op 22 december 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamen- werking houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissingen van 10 april 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen van de aktename aan de verzoekende partij voor de uitbreiding van de zandgroeve (ex-Vranckx en ex-Poels) gelegen te Huldenberg, Ganzemanstraat z.n.; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-31.278-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 mei 2004, op welke datum de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 3 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT, die verschijnen voor de verzoekende partij, van Advocaten J. BERGE en A. BEELEN, die verschijnen voor de verwerende partij en van Advocaat G. LENSSENS, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de v.z.w. MILIEURAAD HULDENBERG en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, als indieners van het georganiseerd administratief beroep dat middels de bestreden beslissing gegrond werd bevonden, met verzoekschriften van respectievelijk 10 maart 2004 en 16 maart 2004 hebben gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat deze verzoeken kunnen worden ingewilligd;
- Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Verzoekende partij is eigenaar en exploitant van de zandgroeven “ex-Vranckx” en “ex-Poels”, gelegen te Huldenberg aan de Ganzemanstraat. VII-31.278-2/8 Op 4 september 1980 werd aan de heer Poels, vroegere eigenaar van de zandgroeve ex-Poels, een exploitatievergunning (ARAB) verleend voor het uitbaten van een zandgroeve, voor een termijn eindigend op 1 september 2011, en waarbij tevens in een opvulverplichting werd voorzien. De groeve “ex-Poels” ligt krachtens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven in een gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen. De heer Vranckx, vroegere eigenaar van de groeve “ex-Vranckx, bekwam op 16 januari 1986 een exploitatievergunning voor het uitbaten van een zandgroeve, voor een termijn eindigend op 1 september
- Deze groeve ligt voor een klein deel in natuurgebied en voor het overige in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.
- Ingevolge een wijziging aan de indelingslijst in bijlage I bij Vlarem I werd een rubriek 60 toegevoegd waardoor volgende activiteit vergunningsplichtig werd: “Geheel of gedeeltelijk opvullen met niet verontreinigde uitgegraven bodem van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplas- sen en vijvers.” Wanneer de capaciteit 1000 tot 10.000 m³ bedraagt is er een vergunningsplicht klasse
- Bedraagt de capaciteit meer dan 10.000 m³, dan is er een vergunningsplicht klasse 1 (zoals in casu). Overeenkomstig artikel 16 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 38 van Vlarem I dient de exploitant van een inrichting die na haar inbedrijfstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging bij de bevoegde overheid een vergunningsaanvraag indienen. Op 13 december 2002 diende de verzoekende partij voor de groeve ex-Poels en de groeve ex-Vranckx een vergunningsaanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. De vergunningsaanvragen strekten tot het opvullen van de zandgroeven ex-Poels en ex-Vranckx met niet- verontreinigde grond. 2.
- Met twee afzonderlijke besluiten van 10 april 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunningen voor een termijn van vijf jaar. 2.
- Tegen deze deputatiebesluiten wordt beroep ingesteld door diverse derden-belanghebbenden, waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorzie- ning. Laatstgenoemde doet onder meer gelden dat zij rechtstreekse hinder kan VII-31.278-3/8 ondervinden door de bestreden vergunning omdat zij precies op dezelfde plaats een project wenst uit te voeren met name de aanleg van waterbekkens. De verleende vergunningen komen er op neer dat de bestaande zandgroeven, die precies onderdeel uitmaken van dit project, zouden gevuld worden terwijl het project het omgekeerde voorziet. 2.
- Op 24 oktober 2003 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze is, onder meer, als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat samengevat kan gesteld worden dat de aanvragen dienen geweigerd te worden omwille van stedenbouwkundige onverenigbaarheid; dat enkel voor een deel van de groeve “ex-Vranckx” geen stedenbouwkundige onverenigbaarheid is, doch dat de reële natuurwaarden, de verkeersproblema- tiek, en de onduidelijkheid of de opvulling slechts kan gebeuren in het deel gelegen in agrarisch gebied, aanleiding geven tot de volledige weigering van beide aanvragen; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gegrond te verklaren, de bestreden beslissingen op te heffen en de gevraagde vergunning te weigeren”;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat alleen rekening kan worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd; dat de Raad van State geen acht kan slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht; dat bijgevolg de door de verzoekende partij op 5 mei 2004 neergelegde stukken en toelichting uit het debat worden geweerd; dat het auditoraat niet om deze inlichtingen of stukken verzocht in toepassing van artikel 12, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; dat het auditoraat weliswaar een aantal bedenkingen in vraagvorm formuleerde, waarop de verzoekende partij nog wou “inspelen”; dat met de verwerende en de tweede tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat het procedurereglement kort geding in elk geval niet in de mogelijk- heid van schriftelijke repliek voorziet, noch in de mogelijkheid om bijkomende stukken neer te leggen; dat het te dezen bovendien gaat om stukken die dateren van VII-31.278-4/8 vóór het indienen van het schorsingsverzoek, zodat de verzoekende partij ze eigenlijk al lang had kunnen overleggen; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteenzet wat volgt : “Dat in eerste instantie de minister geen uitspraak had mogen formuleren, gelet op de onontvankelijk beroepen wegens schending van de substantiële vormvereiste van art. 52, §1, c Vlarem I; Dat gezien het bestreden besluit vooralsnog is tussengekomen, een onwettige rechtshandeling voorhanden is die de beslissingen in eerste aanleg tot het verlenen van een milieuvergunning in de weg staat; Dat gezien de minister door voormelde onwettigheid niet langer uitspraak kan doen inzake de ingestelde beroepen, dienen de door de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant verleende milieuvergunningen als definitief te worden beschouwd; Dat bijgevolg de ernst van het eerste middel meebrengt dat verzoekster in rechte beschikt over een vergunning die rechtskracht herneemt bij de vaststel- ling dat verzoekster niet tijdig in kennis werd gesteld van de ontvankelijk bevonden beroepen; dat de rechtszekerheid gebiedt de onwettige beroepsbeslis- sing die deze kennisgevingsplicht heeft genegeerd uit het rechtsverkeer te verwijderen; dat de rechtsonzekerheid omtrent het definitief karakter van de in eerste aanleg verleende milieuvergunningen (voor beide groeven) voor verzoekster een MTHEN oplevert dat enkel door een schorsing kan worden teniet gedaan (R.v.St., N.V. Stallaert, nr. 45.334, 16 december 1993); Overwegende dat ten overvloede het niet kunnen beschikken over de milieuvergunningen de leefbaarheid van de onderneming van verzoekster ernstig zou bedreigen (R.v.St., Van Broeck, nr. 45.322, 16 december 1993); Dat dit immers zou impliceren dat de groeven ex-Poels en ex-Vranckx niet kunnen worden aangewend als opvulling met zuivere grond en zodoende een forse inkrimping van de activiteiten van verzoekster zou veroorzaken; Dat dit wordt gestaafd aan de hand van een verslag zoals opgesteld door de bedrijfsrevisor BDO (stuk 2), dewelke duidelijk aantoont welke de gevolgen van de vergunningsweigeringen zijn; Dat uit de omzetcijfers (blz. 2 verslag) blijkt dat 75% van de activiteiten van verzoekende partij bestaat uit grond- en wegeniswerken; Dat buiten de groeven voorwerp van de kwestieuze milieuvergunningen, verzoekster nog beschikt over één zandwinning die heropgevuld wordt als stortplaats klasse III, en dewelke uit economisch oogpunt niet verder kan worden aangewend voor opvulling met zuivere grond hetgeen een enorm verlies betekent; Dat bovendien de volledige verzadiging van deze stortplaats is voorzien binnen de korte termijn van één à twee jaar; Dat bij het uitvoeren van wegeniswerken 90% van de aannemingsprijs verbonden is aan grondverzet en transport van grond, waarbij het grondverzet van verzoekster 200.000 m³ per jaar bedraagt; Dat verzoekster bij gebreke van de kwestieuze milieuvergunningen zou genoodzaakt zijn stortcapaciteit voor zuivere grond bij derden aan te kopen, hetgeen niet mogelijk is binnen de regio Brussel, nu de concurrenten de stortcapaciteit als schaars goed afschermen; Dat van het totale grondverzet van 200.000 m³ 85% dient te worden afgevoerd naar een zandontginning met opvulverplichting, hetgeen een volume van 170.000 m³ betekent; VII-31.278-5/8 Dat dit een meerkost van 1.133.333 euro op jaarbasis zou betekenen in het passief van de onderneming van verzoekster, hetgeen overeenkomt met de inkrimping van activiteit voor hetzelfde bedrag in hoofde van verzoekster; Dat hier boven op tevens de meerkost van een transport naar de regio buiten Brussel dient gerekend te worden; Dat de bedrijfsrevisor dan ook concludeert dat het ontbreken van stortcapaci- teit in de regio Brussel-Zuid-Overijse voor de onderneming van verzoekster op korte termijn nefaste gevolgen heeft; Dat uw Raad in voorgaande rechtspraak reeds terecht heeft gewezen op het MTHEN dat volgt uit het doorslaggevend feit dat de concurrenten van verzoekster alleen de beschikking hebben over soortgelijke bedrijven (R.v.St., N.V. Voeders Stragier, nr. 54.271, 4 juli 1995) Dat in casu de concurrenten van verzoekster binnen de regio Brussel hun eigen stortcapaciteit voor zuivere grond zorgvuldig afschermen, en een enorm concurrentieel voordeel zouden verwerven ten opzichte van verzoekster (blz. 3 verslag); Dat door het onbruikbaar worden van de beide groeven ex-Vranckx en ex- Poels de leefbaarheid van de onderneming in zijn geheel wordt aangetast, nu deze cruciaal zijn voor de hoofdactiviteiten van verzoekster (R.v.St., N.V. Horsbeek, nr. 62.893, 31 oktober 1996); Dat de kans dat een stort voor zuivere grond nog binnen de regio Brussel- Zuid-Overijse kan worden ingeplant quasi nihil is, hetgeen een dermate concurrentieel nadeel zou betekenen dat het bedrijf structureel wordt aangetast (cf. analogie R.v.St., N.V. STALLAERT, nr. 45.334, 16 december 1993)”; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het eerste middel in wezen betoogt dat zij laattijdig in kennis werd gesteld van de ontvankelijk bevonden administratieve beroepen terwijl het tijdig en in volledig afschrift meedelen daarvan een substantiële vormvereiste is, zodat de termijn van artikel 52, 1, c), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) een vervaltermijn is; dat de ernst van een middel niet ipso facto met zich brengt dat er sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat daarenboven het eerste middel niet ernstig lijkt; dat naar luid van artikel 52, 1,c) van Vlarem I de exploitant binnen een termijn van veertien dagen na het verstrijken van de bekendma- kingsperiode bedoeld in artikel 31 van Vlarem I per ter post aangetekend schrijven kennis moet worden gegeven van de ontvankelijk bevonden beroepen aan derden belanghebbenden; dat die kennisgeving tot doel heeft de exploitant ervan op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg verleende vergunning niet definitief is en hem tevens in te lichten over de in beroep aangevoerde argumenten zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren; dat wanneer het niet naleven van die substantiële vormvoorschriften het bereiken van voornoemde dubbele finaliteit niet in de weg heeft gestaan en dienvolgens de belangen van de exploitant niet heeft geschaad, de miskenning van dit voorschrift niet tot de conclusie kan leiden dat de beroepsinstantie VII-31.278-6/8 niet meer op wettige wijze uitspraak kon doen over de beroepen; dat te dezen de verzoekende partij in kennis werd gesteld van de administratieve beroepen, zodat zij wist dat de in eerste aanleg verleende vergunning precair was geworden; dat zij ook omstandig gereageerd heeft op de door de beroepindieners aangebrachte argumenten, zoals blijkt uit de nota die zij heeft neergelegd op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; 3.2.
- Overwegende dat de door de verzoekende partij aangebrachte gegevens, die voor het overgrote deel berusten op een op haar vraag en in haar opdracht door een bedrijfsrevisor eenzijdig opgesteld verslag, niet genoegzaam bewijzen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de leefbaarheid van de onderneming van de verzoekende partij in het gedrang brengt; dat voorts uit het verslag kan worden opgemaakt dat het grondverzet bij de verzoekende partij 200.000 m³ op jaarbasis bedraagt; dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op twee groeven waarbij voor elke groeve een capaciteit van 200.000 m³ wordt gevraagd; dat de verzoekende partij dus bij het inwilligen van haar milieuvergunningsaanvraag slechts stortcapaciteit voor twee jaar zou krijgen, zodat het probleem inzake capaciteit na verloop van die termijn opnieuw acuut wordt; dat de in het verslag naar voor gebrachte cijfers niet nader worden gestaafd; dat geen duidelijke gegevens of stavingsstukken over de actuele financiële situatie van de vennootschap, haar middelen en reserves worden bijgebracht; dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de leefbaarheid van de verzoekende partij in het gedrang komt, BESLUIT: Artikel
- De verzoeken tot tussenkomst van de v.z.w. MILIEURAAD HULDENBERG en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening worden ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-31.278-7/8 Artikel 3 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-31.278-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.404 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.