← België

Arrest 135428 - - 27/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.428 Rolnummer: A. 151025/IX-4502 Zaak: Arrest 135428 - - 27/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-07-04 10:00 Fiche Arrest nr 135.428 van 27 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.428 van 27 september 2004 in de zaak A. 151.025/IX-

  1. In zake : Ronald STRUYF, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN RILLAER, kantoor houdende te BONHEIDEN, Putsesteenweg 8 tegen :
  2. het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door zijn afgevaardigd bestuurder,
  3. de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, die woonplaats kiest bij advocaten C. RONSE en W. TIMMERMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ronald STRUYF op 23 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 25 februari 2004 van SELOR waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard voor de fysieke proeven van de selectie van brandweerman bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en waarbij hij niet wordt opgenomen in de definitieve reserve der geslaagden; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2004; IX-4502-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN RILLAER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. TIMMERMANS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  6. In het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2003 wordt het bericht bekendgemaakt dat SELOR een selectie van Nederlandstalige brandweermannen zal organiseren voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Er wordt een werfreserve aangelegd die drie jaar geldig blijft en die kan verlengd worden. 1.
  7. Het selectiereglement bepaalt dat het vergelijkend wervingsexamen drie soorten proeven omvat: vooreerst een schriftelijke proef over algemene vorming en kennis van de moedertaal, rekenkunde en elementaire kennis van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; vervolgens een mondelinge proef waarin wordt gepeild naar de motivatie voor het beroep van brandweerman en naar de basiskennis van de topografie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en, ten slotte, acht fysieke proeven. Om te slagen voor de schriftelijke en voor de mondelinge proef moeten de kandidaten ten minste 50 % van de punten behalen op elk onderdeel van elk van beide proeven. Bovendien moeten zij ten minste 60 % van de punten behalen voor beide proeven tezamen. De fysieke proeven zijn elk op zich eliminerend, dit wil zeggen dat de kandidaten voor elk van deze proeven moeten slagen. 1.
  8. Verzoeker slaagt voor de schriftelijke en de mondelinge proef. Op basis van de door hem behaalde resultaten wordt hij 184ste gerangschikt. 1.
  9. Op 17 januari 2004 neemt verzoeker deel aan de fysieke proeven. IX-4502-2/7 Een van deze proeven betreft de "armbuiging", waarvan het selectiereglement het protocol als volgt omschrijft : "De kandidaat hangt met gestrekte armen aan een rekstok, de handen in pronatie, d.w.z. de handpalmen naar onder en de duimen naar binnengekeerd. Het toestel wordt op zodanige hoogte geplaatst dat de voeten de grond niet raken. Op het teken van de examinator moet de kandidaat de kin boven de rekstok brengen en terugzakken tot de armen gestrekt zijn." Van de mannelijke kandidaten worden ten minste vijf dergelijke armbuigingen vereist. 1.
  10. Blijkens de optekening van de resultaten van de kandidaten voor deze proef door sectiechef Johan De JAEGHER, lid van de examencommissie, slaagt verzoeker er geen enkele keer in een armbuiging op de door het selectiereglement voorgeschreven wijze uit te voeren. Voor de overige fysieke proeven slaagt hij wel. 1.
  11. Met een brief van 25 februari 2004 deelt SELOR aan verzoeker mede : "In onze brief van 15 december 2003 hebben wij u geïnformeerd over het feit dat u geslaagd bent voor de proeven (in het kader van de selectie voor brandweerman) georganiseerd door Selor. U werd voorlopig opgenomen in de reserve van geslaagden (met een voorlopig rangschikkingsnummer). Voor de eindrangschikking dient er tevens rekening gehouden te worden met de fysieke proeven die door de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp georganiseerd werden en die eliminerend zijn (de kandidaat dient in elk van deze proeven te slagen, zie selectiereglement). Daar u niet geslaagd bent voor de fysieke proeven (of afwezig geweest), bent u uiteindelijk niet geslaagd voor de selectie van brandweerman en wordt u niet opgenomen in de definitieve reserve van geslaagden."
  12. Overwegende dat de tweede verwerende partij haar nota met opmerkingen en haar administratief dossier laattijdig aan de Raad van State bezorgd heeft, maar dat zij de vertraging in de toezending terdege verantwoordt; dat er geen reden is om die stukken buiten het geding te houden;
  13. Overwegende dat de tweede verwerende partij aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij de vordering aangezien verzoeker, zo hij slaagt in de IX-4502-3/7 fysieke proeven, de 113e plaats in de werfreserve zou innemen, terwijl er tot op heden slechts 56 geslaagden in dienst zijn kunnen treden; Overwegende dat, indien verzoeker slaagt in de armbuigproef, hij opgenomen wordt op de lijst van de geslaagden en een mogelijkheid krijgt om effectief als brandweerman in dienst te kunnen treden; dat die mogelijkheid volstaat om hem belang toe te kennen bij de vernietiging van zijn uitslag in het examen over de fysieke proeven, meer bepaald de armbuigoefening; dat de exceptie niet gegrond is;
  14. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
  15. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit niet formeel gemotiveerd is doordat het geen melding maakt van de beoordelingscriteria op grond waarvan hij niet geslaagd verklaard werd maar enkel een standaardformule bevat die zowel geldt voor de kandidaten die niet geslaagd zijn in de fysieke proeven als voor de kandidaten die aan de proeven niet deelgenomen hebben; dat hij daaraan toevoegt dat hij de processen-verbaal van het verloop van de fysieke proeven heeft ingezien en daar heeft kunnen vaststellen dat hij voor de armbuigproef het resultaat "0" heeft gekregen, hetgeen hem volledig onkundig laat “van de selectiecriteria die de examencommissie gehanteerd heeft en inzonderheid van die op basis waarvan zijn niet-slagen verantwoord wordt”, terwijl hij de voorgeschreven armbuiging wel degelijk vijf keer uitgevoerd heeft; 5.
  16. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel aangezien hij het proces-verbaal van de fysieke proeven ingekeken heeft en derhalve kennis heeft van de concrete gegevens waarop zijn mislukking steunt, te weten zijn niet-geslaagd zijn voor de armbuigtest omdat hij geen enkele armbuiging conform de voorschriften uitgevoerd heeft; dat zij voort stelt dat de motiveringsverplichting samenhangt met de appreciatiebevoegdheid van het bestuur en dat in dit geval die appreciatiebevoegd- heid op het vlak van de vaststelling van de examenuitslag niet bestond, aangezien het IX-4502-4/7 slagen in de fysieke proeven een voorwaarde is om te slagen in het aanwervings- examen; 5.
  17. Overwegende dat de aan verzoeker gedane mededeling dat hij niet geslaagd was “voor de fysieke proeven (of afwezig geweest)”, hem geen inzicht verschafte in de redenen van dat niet-slagen; dat evenwel, bij de inzage van het dossier, verzoeker heeft kunnen vaststellen dat hij gefaald had op de proef “armbui- ging” en meer bepaald dat hij er volgens de examinator -die op het desbetreffend document waarop hij het aantal (correcte) armbuigingen diende te vermelden die de examinandi realiseerden het aantal "0" heeft vermeld- niet in geslaagd was om de voorgeschreven wijze ook maar één armbuiging te maken; dat verzoeker met die gegevens in de mogelijkheid was uit te maken of het zinvol was om zich ten aanzien van dat motief tegen zijn examenuitslag te verzetten en dat hij dat met zijn tweede middel ook doet; dat de Raad van State derhalve moet vaststellen dat in dit geval het opzet van de formele motiveringswet bereikt is en dat verzoeker er geen belang bij heeft het bestreden besluit op grond van het aangevoerde middel vernietigd te zien; dat het middel niet ontvankelijk lijkt; 6.
  18. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel betoogt dat hij in een uitstekende fysieke conditie verkeert, gezien hij federaal instructeur is bij de Nederlandstalige Liga voor Onderwateronderzoek en Sport en hij zich in de drie en een halve maand die aan de proeven voorafgingen in een fitnessclub intensief getraind heeft; dat hij stelt dat hij door die training “op 17 januari 2004 geen probleem (had) om de armbuiging 5 x na mekaar uit te voeren zoals voorgeschreven in het examenreglement” en dat het bestreden besluit dan ook, bij gebrek aan een deugdelijke grondslag, de materiële motiveringsverplichting miskent; 6.
  19. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat de af te leggen fysieke proeven “zeer eenvoudige proeven” waren “waarvan op eenduidige wijze komt vast te staan of men er in slaagt of niet”, zonder dat daarbij punten worden toegekend; dat zij laat gelden dat uit het verslag van de examinator “blijkt dat verzoeker geen enkele armbuiging heeft uitgevoerd zoals voorgeschreven door het selectiereglement”; 6.
  20. Overwegende dat verzoeker betoogt dat hij wel degelijk vijf conforme armbuigingen heeft uitgevoerd en dat hij daarvoor verwijst naar zijn goede conditie en zijn intense voorbereiding; dat daar tegenover staat dat de examinator op IX-4502-5/7 17 januari 2004 in zijn verslag vastgesteld heeft dat verzoeker geen enkele armbuiging op de voorgeschreven wijze heeft uitgevoerd; dat verzoeker met de verwijzing naar zijn goede fysieke conditie -tot staving waarvan hij ook nog een aantal foto’s overlegt- niet aantoont dat de examinator op 17 januari 2004 ten onrechte besloten heeft dat zijn prestatie geen enkele keer voldeed aan de vereisten van het examenreglement; dat gewis het voor verzoeker, rekening houdend met het feit dat de examinator niet heeft aangeduid op welk vlak de prestatie van verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden die in het examenreglement precies waren opgegeven, uiterst moeilijk moet zijn om dat bewijs te leveren, maar dat in dit geval toch vastgesteld moet worden dat verzoeker geen enkel gegeven aanbrengt dat ook maar het vermoeden rechtvaardigt dat de notering van de examinator niet met de werkelijkheid strookt, zo wat betreft het presteren van verzoeker als wat betreft het inpassen van die prestatie in de vooropgestelde vereisten; dat het middel niet ernstig is;
  21. Overwegende dat verzoeker geen middelen aanvoert die tot de vernietiging van het bestreden besluit lijken te kunnen leiden; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4502-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4502-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.428 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.789 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.