id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.431 Rolnummer: A. 155882/XIV-30455 Zaak: Arrest 135431 - - 27/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-29 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 10:01 Fiche Arrest nr 135.431 van 27 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.431 van 27 september 2004 in de zaak A. 155.882/VII-32.797 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. VANDEPUTTE, kantoor houdende te 9040 SINT-AMANDSBERG, Halvemaanstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 23 september 2004 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 september 2004 houdende de beslissing tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 21 september 2004; Gelet op de beschikking van 27 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-32.797-1/6 2 Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 september 2004 om 10.30 u; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. VANDEPUTTE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij verklaarde zich op 23 juli 2001 vluchteling. 1.
- Op 27 juli 2001 werd haar asielaanvraag ontvankelijk verklaard door de Dienst Vreemdelingenzaken. 1.
- Op 4 december 2002 nam de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Het verzoek tot schorsing dat tegen deze beslissing werd ingesteld werd door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 131.790 van 26 mei
- 1.
- Op 9 juni 2003 diende de verzoekende partij een aanvraag tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9,3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in, welke werd verworpen in een beslissing die aan de verzoekende partij ter kennis is gebracht op 25 augustus
- Op 16 september 2004 diende de verzoekende partij tegen deze beslissing een verzoek tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. VII-32.797-2/6 3 1.
- Op 30 augustus 2004 diende de verzoekende partij opnieuw een asielaanvraag in. 1.
- Op 21 september 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende uiteenzet: "De onmiddellijke uitvoering van de beslissing zou inhouden dat verzoekster op termijn het land dient te verlaten. Dat maakt het schier onmogelijk voor verzoekster om haar zaak persoonlijk voor de Raad van State te bepleiten, daar zij bij eventuele repatriëring wellicht niet meer de mogelijkheid krijgt terug te keren naar ons land. Het gaat natuurlijk niet op te stellen dat verzoekster zich in rechte kunnen laten vertegenwoordigen; verzoekster heeft het recht haar belangen persoonlijk te behartigen. Dat, indien de bestreden beslissing niet zou worden geschorst, verzoekster verwijderd kan worden van het grondgebied. Dat dit de contacten met haar raadsman, die noodzakelijk zijn voor de verdere afwikkeling van zijn beroep, ernstig in de weg zou staan. (...) Verzoekster vreest dat zij bij terugkeer naar Iran ernstige problemen zal hebben aangezien zij reeds lang geviseerd wordt door de overheid. Verzoekster is sedert juli 2001 in België, dit is dus meer dan 3 jaar. Zij heeft zich zeer goed geïntegreerd, hetgeen door diverse personen bevestigd wordt. Zij heeft al verscheidene kansen gehad om in België te werken. Enkel het gebrek aan werkvergunning heeft effectieve tewerkstelling verhindert. Bovendien gaan de zonen van verzoekster in België naar school. De uitvoering van de bestreden beslissing legt een zware hypotheek op de toekomst van verzoekster en dreigt alle integratie-inspanningen teniet te doen."; VII-32.797-3/6 4 2.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de verzoekende partij van het grondgebied zou worden verwijderd haar niet belet, met betrekking tot haar annulatieberoep, haar verdediging te laten waarnemen door een raadsman van haar keuze, vermits op haar niet de wettelijke verplichting rust persoonlijk te verschijnen; dat er bovendien geen reden is om aan te nemen dat de verzoekende partij geen telefonische of schriftelijke contacten met haar raadsman zou kunnen onderhouden; dat het afbreken van een mogelijke integratie opgebouwd tijdens een verblijf in België, in afwachting van een asielprocedure geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt aangezien dat feitelijk en illegaal verblijf precair is; dat, met betrekking tot de beweerde "ernstige problemen" bij terugkeer naar het land van herkomst, moet worden gesteld dat luidens artikel 3, 5/ van het eerder genoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000 de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan, zodat de Raad van State met voldoende precisie kan nagaan of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is, en het voor de tegenpartijen mogelijk is om zich met kennis van zaken tegen de door de verzoekende partij aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen; dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot schorsing duidelijk en concreet dient aan te geven welk moeilijk te herstellen ernstig nadeel zij ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de summiere en zeer algemene bewering van de verzoekende partij niet aan dit voorschrift voldoet; dat de verzoekende partij bijgevolg niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal veroorzaken;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de derde voorwaarde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: VII-32.797-4/6 5 Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-32.797-5/6 6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-32.797-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.431 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div