← België

Arrest 135554 - - 29/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.554 Rolnummer: A. 108091/XIV-5816 Zaak: Arrest 135554 - - 29/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-13 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 10:15 Fiche Arrest nr 135.554 van 29 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.554 van 29 september 2004 in de zaak A. 108.091/XIV-

  1. In zake : XXX, wonende te B., rue B. 99 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 oktober 1980 en van XXX nationaliteit, op 9 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 8 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 10.00 uur; XIV-5816-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-C. FRÈRE, die loco Advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 7 september 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  6. Op 5 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 7 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 8 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. An Louf loco Mr. Puzaj. Betrokkene, een XXX staatsburger van gemengde origine (moeder etnisch XXX en vader etnisch A.), zou in XXX problemen hebben gekend omwille van haar gemengde afkomst. Op zestienjarige leeftijd zou betrokkene met haar studies zijn gestopt omwille van aanhoudende pesterijen waarvan zij het slachtoffer was. Op 25 november 1998 zouden betrokkene en haar ouders thuis aangevallen zijn door vijf politieagenten. Haar vader zou tengevolge van zijn verwondingen naar het ziekenhuis zijn overgebracht. Op 7 december 1998 zou betrokkene, haar moeder en haar zuster opnieuw thuis zijn aangevallen door vier politieagenten. Op 10 december 1998 zou haar vader uit het ziekenhuis zijn ontslagen en vervolgens ondergedoken zijn bij een vriend. Tijdens de periode van afwezigheid van haar vader zou betrokkene steeds zijn lastiggevallen door politieagenten. Op 28 mei 1999 zou betrokkenes vader tevens thuis zijn geweest toen één van die mannen zou gepoogd hebben om betrokkene te verkrachten. De daders zouden vervolgens weggegaan zijn. Betrokkene zou toen, samen met haar moeder en zuster, gevlucht zijn naar het onderduikadres van haar vader. Op 3 augustus 1999 zouden de politieagenten hen gevonden hebben. Betrokkene zou erin geslaagd zijn te ontsnappen, betrokkenes vader zou mishandeld zijn en de moeder en zuster van betrokkene zouden door de daders zijn meegenomen. XIV-5816-2/7 Op 21 augustus 1999 zou betrokkene, samen met haar vader, I. (O.V. 4.872.826) XXX hebben verlaten om met de wagen te vluchten naar Moskou. Vervolgens zouden ze op 2 september 1999 met een vrachtwagen verder gevlucht zijn naar België. Op 7 september 1999 zou betrokkene samen met haar vader in België zijn aangekomen waar zij die dag asiel heeft aangevraagd. Op 29 augustus 2000 zou ook de moeder van betrokkene, H. in België zijn aangekomen, waar zij op 31 augustus 2000 asiel aanvroeg. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits)document. De geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas wordt ondermijnd nadat wordt vastgesteld dat de verklaringen van betrokkene afgelegd op het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met haar verklaringen neergelegd voor de Dienst Vreemdelingen- zaken enerzijds en met de bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt anderzijds. Uit betrokkenes verklaringen op het Commissariaat-generaal blijkt dat betrokkene vanaf 25 november 1998 zou vervolgd zijn door de XXX politie omwille van de A. afkomst van haar vader. Deze verklaringen zijn echter volledig in strijd met bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt, waaruit blijkt dat sedert enkele jaren gemengde koppels in XXX niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolging (Bron: Couples mixtes en XXX, cellule documentation CGRA, dd. 27 octobre 1999). De geloofwaardigheid van betrokkenes relaas wordt bovendien ondermijnd door een manifeste tegenstrijdigheid die voorkomt tussen betrokkenes verklaring afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en betrokkenes verklaring afgelegd bij het Commissariaat-generaal. Betrokkene verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken (punt 42) dat zij op 25 november 1998 werd aangevallen door 4 politieagenten terwijl zij op het Commissariaat-generaal (p. 15) verklaarde dat er 5 politieagenten waren. Vervolgens verklaarde zij bij de Dienst Vreemdeling- enzaken (punt 42) dat zij op 7 december 1998 werd aangevallen door dezelfde vier politieagenten terwijl zij op het Commissariaat-generaal (p. 19) verklaarde dat de daders ook politieagenten waren, echter niet dezelfde personen. Tenslotte verklaarde betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken (punt 42) tot mei 1999 gedurend (voortdurend) te zijn lastiggevallen door die 4 politieagenten terwijl zij op het Commissariaat-generaal (p. 20) verklaarde dat de daders steeds andere agenten waren. Bovenstaande tegenstrijdigheden zijn van die aard dat geen enkel geloof nog kan gehecht worden aan het asielrelaas van betrokkene. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 juni
  8. (...).”.
  9. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn nota opwerpt dat de vorderingen laattijdig zijn ingeleid; dat de exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis wordt verworpen, aangezien de bestreden beslissing naar de verzoekende partij aangetekend werd verstuurd op donderdag 7 juni 2001; dat uit het administratief dossier blijkt dat de effectieve kennisgeving is gebeurd op dinsdag 12 juni 2001, zodat de termijn van 30 dagen voor het instellen van de beroepen aanving op woensdag 13 juni 2001; dat de aangetekende verzoekschriften werden ingediend op maandag 9 juli 2001, zijnde binnen de wettelijke termijn; dat de door de Minister van Binnenlandse Zaken opgeworpen exceptie wordt verworpen;
  10. Over de gegrondheid. XIV-5816-3/7 3.
  11. Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, van artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden, van de artikelen 1, 2, 3 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van het “algemeen principe van een goed bestuur”, van de motiveringsplicht en van het redelijkheids- beginsel; dat verzoekster aanvoert dat enerzijds de weerhouden tegenstrijdigheden in de bestreden beslissing niet zijn bewezen en anderzijds niet van die aard zijn dat er geen geloof meer kan worden gehecht aan haar asielrelaas; dat zij vervolgens de tegenstrijdigheden tracht te weerleggen; 3.
  12. Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekster niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissingen kent; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.
  13. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- voegdheid tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten, omdat de geloofwaardigheid van haar asielrelaas wordt ondermijnd nadat werd vastgesteld dat haar verklaringen afgelegd op het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met haar verklaringen afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken enerzijds en met de bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt anderzijds; dat de tegenstrijdigheden in haar verklaringen voor de bevoegde asielinstanties verband houden met het aantal politieagenten waardoor zij werd aangevallen op 25 november 1998, en met het feit of het al dan niet dezelfde agenten betrof tijdens die aanvallen; dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat in die periode in XXX geen sprake meer was van vervolging van A. gemengde koppels; 3.3.
  14. Overwegende dat verzoekster betreffende het aantal agenten dat haar op 25 november 1998 aanviel (vier dan wel vijf), aanvoert dat die feiten niet de directe aanleiding waren voor haar vlucht, dat zij op het Commissariaat-generaal opmerkte dat ze niet meer goed wist om hoeveel agenten het ging, dat het relaas op de Dienst Vreemdelin-genzaken veel korter en minder gedetailleerd is zodat haar onwetendheid daar niet tot uiting kwam, dat haar onzekerheid verklaarbaar is, gezien de omstandigheden waarin de agressie plaatsgreep, dat ze pas achttien jaar was en weinig geschoold is; XIV-5816-4/7 Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de aanval van 25 november 1998 de eerste was van een reeks aanvallen die plaatsgrepen tot augustus 1999; dat het ernstige feiten betreft die behoren tot de kern van verzoeksters asielrelaas; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij na die aanvallen heeft besloten om het land te verlaten (verhoorverslag DVZ, vraag 42: “om welke redenen hebt U uw land van oorsprong of herkomst verlaten?” en verhoorverslag CGVS, p. 13: “waarom asiel aangevraagd in België? (...) probl(emen) begonnen op 25/11/’98”); dat van verzoekster kan worden verwacht dat zij omtrent dit ernstig feit correcte informatie kan verschaffen, ongeacht haar leeftijd en scholing; dat bovendien uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij verschillende malen heeft gesproken over “die 4 (dezelfde) mannen”; dat tevens blijkt dat “die 4 mannen” bij alle aanvallen betrokken waren: “Op 25/11/1998 werden wij thuis aangevallen door 4 mannen. (...) Op 07/12/1998 werden wij (...) aangevallen door die 4 dezelfde mannen. (...) Tijdens zijn afwezigheid werden wij steeds lastig gevallen door die 4 mannen.(...). Op 28/05/1999 (...) en toen werden wij opnieuw aangevallen door die vier mannen (...)”; dat dit element afbreuk doet aan haar beweerde twijfel op de Dienst Vreemdelingenzaken omtrent het aantal aanvallers; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat zij verklaarde: “Hoeveel daders? 4 à 5, kv (kandidaat-vluchteling) weet niet goed meer (...) twee hield(en) vader vast, derde sloeg, vierde pers. was op zoek naar doc(hter), (...) ander hield(en) haar en moeder vast. Dus vijf daders? Ja” (verhoorverslag CGVS, p. 14 en15); dat uit het moeilijk leesbare verhoorverslag blijkt dat verzoekster tot de conclusie komt dat er vijf daders aanwezig waren; dat de Commissaris-generaal derhalve een tegenstrijdigheid kon weerhouden; dat noch de jeugdige leeftijd van verzoekster, noch haar beperkte scholingsgraad, noch het traumatische van de ervaring, van aard zijn om het motief te ontkrachten, dat steun vindt in het administratief dossier; dat evenmin het feit dat het verhoor op de Dienst Vreemdelingenza- ken korter is en minder gedetailleerd dan op het Commissariaat-generaal het motief ontkracht, aangezien het verklaringen betreft die verzoekster voor beide asielinstanties heeft afgelegd; 3.3.
  15. Overwegende dat verzoekster betreffende de aanval door al dan niet dezelfde politiemannen aanvoert dat zij op de Dienst Vreemdelingenzaken niet bedoelde dat het om fysiek dezelfde agenten ging, als individu, maar wel opnieuw om agenten; dat dit volgens haar ook blijkt uit de “analyse van het eerste feit, waar uiteindelijk 5 aanvallers bij betrokken bleken te zijn, terwijl er slechts 4 betrokken waren bij de volgende aanvallen”; Overwegende dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenza- ken duidelijk blijkt dat verzoekster verklaarde dat het om dezelfde mannen ging, zoals reeds werd aangegeven in de bespreking van het eerste middel; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat zij daar verklaarde: “Op 7 december ‘98 (...) agenten vielen bij kv (kandidaat-vluchteling) binnen. Hoeveel agenten? 4 (...) Zelfde daders? Andere daders maar ook politieagenten” (verhoorverslag CGVS, p. 19) en “ Tot 28 mei ’99 bezoek van welke agenten? Er kwam(en) altijd agenten maar steeds andere gezicht(en) (...).” (verhoorverslag XIV-5816-5/7 CGVS, p. 20); dat het motief bijgevolg steun vindt in het administratief dossier en door verzoekster niet wordt weerlegd; 3.3.
  16. Overwegende dat verzoekster ten slotte aanvoert dat de Commissaris- generaal ten onrechte uit de bronnen waarover hij beschikt afleidt dat gemengde koppels in XXX niet langer het slachtoffer zijn van geweld en/of vervolging; dat zij in se aanvoert dat die informatie slechts van toepassing is op gezinnen waar de vrouw een A. is en de man XXX, terwijl haar vader A. is en haar moeder XXX; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de betrokken informatie handelt over “gemengde koppels” in XXX; dat de vraag die de cel documentatie van het Commissariaat-generaal stelde over eventuele vervolging van dergelijke gemengde koppels, werd beantwoord door zes instanties (mensenrechtenorganisaties en de EG- ambassadeur in XXX); dat slechts één instantie (Amnesty International in Brussel) in haar antwoord vermeldt : “(...) Si, dans le couple mixte vivant en XXX, la femme est A. et l’homme XXX: il n’y a, en principe, aucune pression/persécution (...).”; dat de overige geraadpleegde bronnen geen onderscheid maken tussen koppels waar de man A. is en de vrouw XXX en vice versa; dat het argument van verzoekers derhalve feitelijke grondslag mist; 3.
  17. Overwegende dat de bestreden beslissing op correcte wijze is genomen en afdoende gemotiveerd; dat zij naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveert; dat de bestreden beslissing derhalve het redelijkheidsbeginsel niet schendt; dat verzoekster evenmin een schending van de overige ingeroepen bepalingen en beginselen aantoont; dat het enig middel ongegrond is;
  18. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5816-6/7 BESLUIT: Artikel
  19. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5816-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.