← België

Arrest 135566 - - 29/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.566 Rolnummer: A. 108090/XIV-5815 Zaak: Arrest 135566 - - 29/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-13 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 10:17 Fiche Arrest nr 135.566 van 29 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.566 van 29 september 2004 in de zaak A. 108.090/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, wonende te B., rue C. 62 tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 oktober 1951, en XXX, geboren op 31 maart 1953, beiden van XXX nationaliteit, op 9 juli 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 juni 2001 tot bevestiging van de respectieve beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juli 2000 en 6 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 8 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 7 september 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-5815-1/9 Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gezien de persoonlijke verschijning van de eerste verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-C. FRÈRE, die loco Advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  7. De heer XXX komt België binnen op 7 september 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. Mevrouw XXX komt België binnen op 29 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 31 augustus
  8. 1.
  9. Op 25 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de heer XXX een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 6 februari 2001 neemt hij ten aanzien van mevrouw XXX een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  10. Op 7 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake de heer XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, van XXX origine, verklaart dat hij omwille van zijn origine door de XXX autoriteiten werd vervolgd. Tussen 1995 en 1998 zou hij voortdurend zijn verhuisd. Tijdens betrokkenes afwezigheid zou zijn gezin voortdurend zijn lastiggevallen door ofwel de militaire politie ofwel de gewone politie. Op 25 november 1998 zou betrokkene voor het eerst terug naar zijn huis zijn gegaan. Die nacht zouden enkele mannen bij hun (hem) zijn binnengebroken. Betrokkenes echtgenote en dochters zouden geslagen zijn. Betrokkene zou met een mes zijn gestoken. Betrokkene zou in het ziekenhuis bij bewustzijn zijn gekomen waar ook de vaststelling zou gedaan zijn dat betrokkene tevens een hartaanval had gehad. Enkele dagen later zou betrokkene door zijn schoonbroer zijn ingelicht dat zijn gezin opnieuw zou zijn XIV-5815-2/9 aangevallen door diezelfde mannen die naar hem op zoek waren. Op 10 december 1998 zou betrokkene uit het ziekenhuis zijn ontslagen en bij een vriend zijn ondergedoken. In mei 1998 zou betrokkene opnieuw naar zijn huis zijn gegaan waar die mannen nog geen uur later opnieuw zouden zijn binnengevallen. Betrokkene zou na een slag bewusteloos zijn gevallen. Betrokkene en zijn gezin zouden zijn ondergedoken. Op 3 augustus 1999 zouden diezelfde mannen hun schuilplaats hebben ontdekt. Betrokkene zou opnieuw bewusteloos zijn geslagen. Betrokkenes echtgenote en hun tweede dochter en haar kind, zouden zijn meegenomen. De daders zouden gedreigd hebben zijn gezin niet vrij te laten vooraleer hij XXX had verlaten. Op 4 augustus 1999 zou betrokkene, samen met zijn dochter L., XXX hebben verlaten. Hij vroeg, samen met zijn dochter L., asiel aan op 7 september
  11. Betrokkenes echtgenote vroeg asiel aan op 31 augustus
  12. Betrokkenes verklaring als zou hij en zijn gezin in 1998 en 1999 in XXX het slachtoffer zijn geweest van etnisch geïnspireerd geweld en bedreigingen is in strijd met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Uit deze informatie blijkt dat in die periode in XXX geen sprake meer was van vervolging van XXX-XXX gemengde koppels (Bron: Couples mixtes en XXX, cellule documentation CGRA, dd. 27 octobre 1999). Bovendien dient vastgesteld te worden dat de incidenten uit betrokkenes relaas waarvan hij en zijn gezin het slachtoffer zouden geweest zijn reeds werden aangehaald door zijn dochter L. bij haar asielaanvraag. Aangezien de asielaanvraag van deze laatste als bedrieglijk werd beschouwd kan ook in hoofde van betrokkene geen vermoeden weerhouden worden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria zoals bedoeld in de Conventie van Genève. De Commissaris-generaal acht het niet nodig betrokkene opnieuw te verhoren aangezien uit zijn relaas bij de Dienst Vreemdelingenzaken reeds voldoende blijkt dat zijn asielaanvraag bedrieglijk is. De door betrokkene neergelegde documenten, namelijk zijn rijbewijs en medische attesten wijzigen niets aan hetgeen hierboven werd uiteengezet aangezien zijn rijbewijs enkel persoonsgegevens bevat die niet in twijfel worden getrokken en de medische attesten geen bewijs vormen dat de verwondingen die betrokkene opliep het gevolg zijn van de incidenten waarop hij zijn asielaanvraag baseert. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 25 juli
  13. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake mevrouw XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene verklaart gehuwd te zijn met XXX, van XXX origine. Nadat de dorpsbewoners zouden te weten gekomen zijn dat haar echtgenoot van XXX afkomst was zouden zij vaak zijn lastig gevallen. Betrokkenes echtgenoot zou van het gemeentebestuur de raad hebben gekregen elders onderdak te zoeken. In de periode van 1995 tot 1998 zou betrokkenes echtgenoot op verschillende plaatsen zijn ondergedoken. Op 2 december 1998 zou hun tweede dochter met haar kindje opnieuw thuis zijn komen wonen nadat zij door haar schoonmoeder zou zijn buitengezet omwille van haar gemengde afkomst. Betrokkenes jongste dochter zou op school zijn lastig gevallen. Op een dag einde 1998 zou betrokkenes echtgenoot opnieuw naar huis zijn gekomen. Die dag zouden vier mannen hen thuis hebben aangevallen. Betrokkenes echtgenoot zou naar het ziekenhuis zijn gebracht en nadien opnieuw zijn ondergedoken. Op 9 december 1999 zouden twee mannen bij hen thuis zijn binnen gevallen waarbij één van hun dochters zou verkracht zijn. Op een nacht zou betrokkenes echtgenoot naar huis zijn gekomen en zouden vier mannen zijn binnen gevallen. Zij zouden hun jongste dochter hebben willen verkrachten en haar echtgenoot zou bewusteloos zijn geslagen. Betrokkene en haar gezin zouden zijn ondergedoken. Op 3 augustus 2000 zouden enkele mannen op hun schuiladres zijn binnengevallen. Betrokkene zou samen met één van haar dochters en haar kleindochter naar het politiekantoor zijn gebracht. Eén dag later zouden ze zijn vrijgelaten. Op 22 augustus 2000 zou betrokkene XXX hebben verlaten. Zij vroeg asiel aan op 31 augustus
  14. Betrokkenes echtgenoot en dochter L. vroegen reeds asiel aan op 7 september
  15. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits)document. XIV-5815-3/9 De verklaring van betrokkene als zou zij en haar gezin in 1998 en 1999 in XXX het slachtoffer geweest zijn van etnisch geïnspireerd geweld is in strijd met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Uit deze informatie blijkt dat in die periode in XXX geen sprake meer was van vervolging van XXX-XXX gemengde koppels (Bron: Couples mixtes en XXX, cellule documentation CGRA, dd. octobre 1999). Daarnaast dient vastgesteld te worden dat de incidenten uit betrokkenes relaas waarvan zij en haar gezin het slachtoffer zouden geweest zijn reeds werden aangehaald door haar echtgenoot en hun dochter L. bij hun asielaanvraag. Aangezien de asielaanvragen van deze laatsten als bedrieglijk werden beschouwd kan ook in hoofde van betrokkene geen vermoeden weerhouden worden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria zoals bedoeld in de Conventie van Genève. De Commissaris-generaal acht het niet nodig betrokkene opnieuw te horen daar uit haar relaas bij de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende blijkt dat haar aanvraag bedrieglijk is, aangezien het tegenstrijdig is met de beschikbare informatie op het Commissariaat-generaal. Bovendien blijkt ook uit de asielaanvraag van betrokkenes dochter dat er geen geloof gehecht kan worden aan de problemen die de familie zou hebben gehad. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 6 februari
  16. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  17. Over de ontvankelijkheid. 2.
  18. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken een exceptie afleidt uit de beweerde schending van artikel 3, 6/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen naar luid waarvan de verzoekschriften de taal dienen te vermelden die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de taal hebben aangeduid waarin zij wensen te worden verhoord, zodat de exceptie ongegrond is en wordt verworpen; 2.
  19. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn nota aanvoert dat “het verzoekschrift (...) meer dan 30 dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing (werd) ingediend en (...) derhalve laattijdig (is).”; dat dit ook geldt voor het verzoekschrift tot nietigverklaring; dat de exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis wordt verworpen, aangezien de bestreden beslissing naar de verzoekende partijen werd verstuurd op vrijdag 8 juni 2001; dat derhalve moet worden aangenomen dat de effectieve kennisgeving is gebeurd op maandag 11 juni 2001, zodat de termijn van 30 dagen voor het instellen van de beroepen aanving op dinsdag 12 juni 2001; dat de aangetekende verzoekschrif- ten werden ingediend op maandag 9 juli 2001, zijnde binnen de wettelijke termijn;
  20. Over de gegrondheid. XIV-5815-4/9 3.
  21. Overwegende dat verzoekers een enig middel afleiden uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, van artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden, van de artikelen 1, 2, 3 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingen- conventie), van het “algemeen principe van een goed bestuur”, van de motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel, van de rechten van verdediging en van de hoorplicht; 3.
  22. Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekers niet aantonen dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissingen kennen; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.
  23. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- voegdheid tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten, op grond van de volgende motieven, die uitgebreid worden weergegeven onder punt 1.
  24. van huidig arrest: - verzoekers verklaring als zouden hij en zijn gezin in 1998 en 1999 in XXX het slachtoffer zijn geweest van etnisch geïnspireerd geweld en bedreigingen is in strijd met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waaruit blijkt dat in die periode in XXX geen sprake meer was van vervolging van XXX-XXX gemengde koppels; - de incidenten uit verzoekers relaas waarvan hij en zijn gezin het slachtoffer zouden zijn geweest, werden reeds aangehaald door zijn dochter L. bij haar asielaanvraag. Aangezien haar asielaanvraag als bedrieglijk werd beschouwd, kan ook in hoofde van verzoeker geen vermoeden worden weerhouden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; - de door verzoeker neergelegde documenten, namelijk zijn rijbewijs en medische attesten wijzigen niets aan hetgeen hierboven werd uiteengezet; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- voegdheid tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaan- vraag heeft besloten, op grond van de volgende motieven, die uitgebreid worden weergegeven onder punt 1.
  25. van huidig arrest : XIV-5815-5/9 - verzoeksters verklaring als zouden zij en haar gezin in 1998 en 1999 in XXX het slachtoffer zijn geweest van etnisch geïnspireerd geweld en bedreigingen is in strijd met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waaruit blijkt dat in die periode in XXX geen sprake meer was van vervolging van XXX-XXX gemengde koppels; - de incidenten uit verzoeksters relaas waarvan zij en haar gezin het slachtoffer zouden zijn geweest, werden reeds aangehaald door de echtgenoot XXX en hun dochter L. bij hun asielaanvragen. Aangezien hun asielaanvragen als bedrieglijk werden beschouwd, kan ook in hoofde van verzoekster geen vermoeden worden weerhouden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; 3.3.
  26. Overwegende dat verzoekers vooreerst aanvoeren dat hun rechten van verdediging werden geschonden, aangezien zij niet werden gehoord op het Commissariaat- generaal; dat zij stellen dat het wel degelijk de plicht was van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hen te horen, omdat hun dossier onlosmakelijk verbonden is met dat van hun dochter L., die wel werd uitgenodigd voor een interview; dat zij ten slotte aanvoeren dat de Commissaris-generaal niet motiveert waarom hij hun asielaanvragen anders behandelde dan die van hun dochter; Overwegende dat, wat de beweerde schending van de rechten van verdediging betreft, de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; dat dienvolgens het tegensprekelijk debat in principe niet moet plaatsvinden; dat de Commissaris-generaal van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is voldoende ingelicht te zijn over de ware toedracht van de zaak; dat de Commissaris-generaal in elk geval individueel beoordeelt of een verhoor dienstig en vereist is voor het nemen van zijn beslissing; dat uit de bestreden beslissingen en het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over voldoende elementen beschikte om, zonder verzoekers te horen, tot gemotiveerde beslissingen te komen en dat enkel is vereist dat verzoekers in het kader van de asielprocedure nuttig voor hun belangen kunnen opkomen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers de mogelijkheid hebben gekregen om hun asielrelaas uiteen te zetten op de Dienst Vreemdelingenzaken, waar verzoeker werd gehoord gedurende één uur en vijfenveertig minuten en verzoekster gedurende drie uur; dat zij bovendien de mogelijkheid hadden om hun asielmotieven in het verzoekschrift tot dringend beroep uiteen te zetten en zo nodig te preciseren; dat de Commissaris-generaal bovendien gebruik heeft gemaakt van objectieve informatie met betrekking tot de toestand van gemengde koppels in XXX; dat, in tegenstelling tot wat verzoekers beweren, de Commissaris-generaal uitdrukkelijk motiveert waarom hij het niet nodig achtte hen te horen, namelijk wat verzoeker betreft, omdat “uit zijn relaas bij de Dienst Vreemdelingenzaken reeds voldoende blijkt dat zijn asielaanvraag bedrieglijk is” en wat verzoekster betreft, omdat “uit haar relaas bij de Dienst Vreemdelingen- zaken voldoende blijkt dat haar aanvraag bedrieglijk is, aangezien het tegenstrijdig is met de XIV-5815-6/9 beschikbare informatie op het Commissariaat-generaal. Bovendien blijkt ook uit de asielaanvraag van betrokkenes dochter dat er geen geloof kan worden gehecht aan de problemen die de familie zou hebben gehad.”; dat verzoekers niet aantonen dat de conclusie van de Commissaris-generaal onjuist is; dat uit de bestreden beslissingen tevens blijkt dat de Commissaris-generaal verzoekers niet meer heeft opgeroepen precies omdat hun asielaanvra- gen onlosmakelijk verbonden waren met die van hun dochter, die wel werd gehoord; dat wat de asielaanvraag van de dochter betreft, de Commissaris-generaal oordeelde dat deze aanvraag bedrieglijk was; dat verzoekers dit argument aangrijpen ter ondersteuning van hun betoog dat zij wél moesten worden verhoord; dat zij evenwel nalaten hun grief met concrete elementen te onderbouwen; dat zij niet bewijzen dat hun asielaanvragen steunen op andere motieven dan die van hun dochter noch aangeven welke elementen zij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal hadden willen toevoegen, die de bestreden beslissingen in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat uit een vergelijking van de administratieve dossiers van verzoekers en hun dochter blijkt dat de Commissaris-generaal in redelijkheid kon beslissen dat zij dezelfde incidenten aanhaalden in hun asielrelazen; dat verzoekers dit niet weerleggen; 3.3.
  27. Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal ten onrechte uit de bronnen waarover hij beschikt afleidt dat gemengde koppels in XXX niet langer het slachtoffer zijn van geweld en/of vervolging; dat zij in se aanvoeren dat die informatie slechts van toepassing is op gezinnen waar de vrouw een XXX is en de man XXX, wat bij verzoekers niet het geval is; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de betrokken informatie handelt over “gemengde koppels” in XXX; dat de vraag die de cel documentatie van het Commissariaat-generaal stelde over eventuele vervolging van dergelijke gemengde koppels, werd beantwoord door zes instanties (mensenrechtenorganisaties en de EG- ambassadeur in XXX); dat slechts één instantie (Amnesty International in Brussel) in haar antwoord vermeldt : “(...) Si, dans le couple mixte vivant en XXX, la femme est XXX et l’homme XXX: il n’y a, en principe, aucune pression/persécution (...).”; dat de overige geraadpleegde bronnen geen onderscheid maken tussen koppels waar de man XXX is en de vrouw XXX en vice versa; dat het argument van verzoekers derhalve feitelijke grondslag mist; 3.3.
  28. Overwegende dat verzoekers ten slotte aanvoeren dat de asielaanvraag van hun dochter L. ten onrechte werd afgewezen, omdat enerzijds de tegenstrijdigheden in haar asielrelaas niet zijn bewezen en anderzijds niet van die aard zijn dat er geen geloof meer kan worden gehecht aan hun asielrelaas; dat zij vervolgens de tegenstrijdigheden trachten te weerleggen; Overwegende dat uit het arrest nr. *** van 29 september 2004, gewezen door de XIVde kamer van de Raad van State blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft geoordeeld dat de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten XIV-5815-7/9 aanzien van L. bedrieglijk was; dat dit arrest gezag van gewijsde heeft; dat hij derhalve kon beslissen dat de asielaanvragen van verzoekers, die op dezelfde feiten berusten, eveneens bedrieglijk en/of kennelijk ongegrond zijn; 3.
  29. Overwegende dat de bestreden beslissingen op correcte wijze zijn genomen en afdoende gemotiveerd; dat zij naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevatten die de beslissingen afdoende staven; dat de bestreden beslissingen derhalve het redelijkheidsbeginsel niet schenden; dat verzoekers evenmin een schending van de overige ingeroepen bepalingen en beginselen aantonen; dat het enig middel ongegrond is;
  30. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5815-8/9 BESLUIT: Artikel
  31. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5815-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.