← België

Arrest 135581 - - 30/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.581 Rolnummer: A. 155916/XII-4263 Zaak: Arrest 135581 - - 30/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-07 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 10:18 Fiche Arrest nr 135.581 van 30 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.581 van 30 september 2004 in de zaak A. 155.916/XII-

  1. In zake : Ward BENEENS, vertegenwoordigd door Luc BENEENS en Lieve BUTS, handelend in de hoedanigheid van ouders en wettige vertegenwoordigers van hun zoon, die woonplaats kiest bij advocaat J. Neuts, kantoor houdende te Antwerpen, Generaal Lemanstraat 55 tegen : de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS GEEL-KASTERLEE, die woonplaats kiest bij advocaat R. Pockele-Dilles, kantoor houdende te Antwerpen, Stoopstraat 1, 5/. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ward Beneens op 24 september 2004 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad technisch secundair onderwijs Houttechnieken (T2H04) d.d. 9 september 2004, door verzoeker ontvangen op 22 september 2004, waarbij de eerdere beslissing om Ward Beneens een C-attest toe te kennen, wordt bevestigd”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2004, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4263-1\17 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Neuts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat R. Pockele-Dilles, die verschijnt voor de verweren- de partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat verzoeker leerling is in het tweede leerjaar van de tweede graad technisch secundair onderwijs houttechnieken aan het Sint-Jozefsinstituut te Geel; dat de delibererende klassenraad op 30 juni 2004 aan verzoeker een C-attest toekent; dat na overleg met de ouders de delibererende klassenraad opnieuw wordt samengeroepen; dat aan de ouders van verzoeker bij aangetekend schrijven van 20 augustus 2004 wordt meegedeeld dat de delibererende klassenraad op 20 augustus 2004 de beslissing om aan verzoeker een C-attest toe te kennen, heeft bevestigd; dat verzoeker tegen die beslissing beroep instelt bij de beroepscommissie, die na verzoeker te hebben gehoord op 2 september 2004, op 4 september 2004 oordeelt “dat enkele argumenten door de ouders en hun raadsman aangebracht een verdere bespreking verantwoorden[, het] betreft vooral de argumenten die verwijzen naar communicatie tijdens het schooljaar i.v.m. oriënte- ringsattesten en ook i.v.m. begeleiding” en adviseert “om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen om de door de ouders bestreden beslissing opnieuw te overwegen”; Overwegende dat de delibererende klassenraad opnieuw samenkomt op vraag van de inrichtende macht en op 9 september 2004 besluit : “De delibererende klassenraad, in vergadering bijeen op 9 september 2004, bevestigt haar beslissing om aan Ward Beneens een C-attest toe te kennen, aangezien deze laatste - de doelstellingen die zijn opgenomen in de leerplannen niet heeft bereikt; en niet bekwaam wordt geacht om zijn studies verder te zetten in een hoger leerjaar. Zodoende heeft Ward Beneens zijn leerjaar niet met vrucht beëindigd in de zin van het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit. De delibererende klassenraad vindt dat de motivering van de bijeenkomst op 20 augustus 2004 volledig van toepassing blijft en dat deze motivering door de delibererende klassenraad op heden gehandhaafd blijft. Beide motiveringen zijn complementair. XII-4263-2\17 Op heden is er concreet en dieper ingegaan op de attestering en de begeleiding per vak en dit op vraag van de inrichtende Macht.”; Overwegende dat van die beslissing aan verzoeker kennis wordt gegeven met een 20 september 2004 aangetekend schrijven; Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van de formele motiveringsverplichting, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 40, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: het organisatiebesluit); dat hij het middel toelicht in drie onderdelen; Overwegende dat verzoeker in het eerste middelonderdeel betoogt dat van een “afdoende” motivering van de bestreden beslissing in de zin van de formele motiveringswet geen sprake is, dat hij er de beroepscommissie op heeft gewezen te lijden aan dyslexie en dyscalculie en de school hiervan uiteraard eerder op de hoogte was, dat deze leerstoornissen een belangrijke invloed hebben gehad op zijn resultaten, dat de delibererende klassenraad onterecht evenwel “op geen enkel moment de invloed van de belangrijke leerproblemen van verzoeker in aanmerking [neemt]” om te bepalen in hoeverre deze aandoeningen zijn resultaten hebben beïnvloed, dat in de motieven een loutere affirmatie staat in algemene bewoordingen, wat niet aantoont dat de klassenraad zich daadwerkelijk erover heeft beraden en “de weerslag ervan heeft ingeschat op het bereiken van de doelstellingen in het leerplan en de bekwaamheid om zijn studies voort te zetten in een volgend leerjaar”, zoals is voorgeschreven bij het artikel 38, 1/, van het organisatiebesluit; dat verzoeker voorts kritiek uit op de referentie in het besluit aan het begeleidingsplan omdat dit niet is opgesteld door de delibererende klassenraad en een op zichzelf staand element is dat niets te zien heeft met de examenperiode; dat verzoeker “voor de goede orde” XII-4263-3\17 uitdrukkelijk betwist dat hij totaal geen inzet zou hebben gehad en stelt dat zijn concentratieproblemen samenhangen met zijn aandoening; Overwegende dat de verwerende partij repliceert in de nota dat wel degelijk is voldaan aan de vereisten, zoals omschreven in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat de bestreden beslissing immers alle noodzakelijke juridische en feitelijke overwegingen bevat die aan de beslissing ten grondslag liggen en die deze beslissing schragen, dat een en ander zorgvuldig is gebeurd en zonder de voorschriften te schenden van het artikel 38, 1/, van het organisatiebesluit; Overwegende dat blijkens artikel 37, § 1, van het organisatiebesluit twee mogelijkheden beschikbaar zijn voor de beslissing van de delibererende klassenraad : “1/ de leerling wordt beschouwd het leerjaar met vrucht te hebben beëindigd; 2/ de leerling wordt beschouwd het leerjaar niet met vrucht te hebben beëindigd”; Overwegende dat vervolgens het artikel 38, 1/, van het organisatiebesluit preciseert dat een leerling, zoals te dezen verzoeker, het tweede jaar van de tweede graad “met vrucht” beëindigt, “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”; Overwegende dat aan verzoeker het oriënteringsattest C is toegekend, hetgeen betekent, zoals het ook te lezen is in artikel 39, 3/, van het organisatiebesluit, dat hij “[...] het leerjaar in de betrokken onderwijsinstelling heeft beëindigd doch niet met vrucht [...]”; dat hij bijgevolg naar de overtuiging van de delibererende klassenraad niet voldoet aan de vereisten gesteld in het aangehaalde artikel 38, 1/, van het organisatiebesluit; Overwegende dat de delibererende klassenraad meent dat verzoeker het leerjaar niet “met vrucht” heeft beëindigt omwille van onder meer de volgende in de bestreden beslissing opgenomen motieven : “[...] Tijdens de deliberatie laat de delibererende klassenraad zich leiden door de concrete gegevens in het administratief dossier over Ward Beneens, dat is samengesteld conform de voorschriften van het artikel 5, § 5 van het XII-4263-4\17 Organisatiebesluit en waarvan een inventaris wordt aangehecht aan onderhavige notulen. II. Bespreking. II.
  2. De communicatie over de attestering. II.1.
  3. De ouders van Ward Beneens beweren dat de klastitularis van Ward hen in de loop van het eerste trimester heeft aangeraden om de overschakeling van het TSO naar het BSO uit te stellen en de beslissing daaromtrent te bespreken op het einde van het schooljaar, aangezien het behalen van een B-attest voor Ward geen probleem zou zijn. II.1.
  4. De klastitularis betwist deze voorstelling van zaken. Bij de uitreiking van het rapport na de eerste periode is er een eerste contact geweest tussen de klastitularis en de ouders van Ward. Er werd aangeraden om ernstiger te werken (zes onvoldoendes). De tweede periode presteerde Ward beter (van 52% gestegen naar 58% en aantal onvoldoendes daalde van zes naar twee). Voor de studieresultaten zie 'Puntenlijst', uittreksel uit het rapport, nummer 1 van het administratief dossier. Voor de examens van het eerste trimester presteert Ward dan weer minder goed. Tijdens het oudercontact na het eerste trimester stelt de klastitularis ten aanzien van de ouders van Ward dat een A-attest nog mogelijk is. Ward dient echter wel dringend meer en ernstiger te werken. Resultaten die nog lichtjes beter zijn dan de tweede periode zijn dan wel een vereiste. Ook voor de examens moeten de resultaten verbeteren maar dit kan slechts door meer te werken en studeren voor de examens, maar ook tijdens de periodes. Tijdens de derde periode haalt Ward 58% maar met drie onvoldoendes en tweemaal 10 op 20 en tweemaal 11 op
  5. Zo worden de reeds opgelopen onvoldoendes niet weggewerkt. Er komen er zelfs nieuwe bij. De examens van het tweede trimester zijn opnieuw ontgoochelend. Op 1 mei 2004, tijdens de tentoonstelling van de school, bespreekt de klastitularis de resultaten van Ward uitvoerig met de vader van Ward. Een B-attest is nog mogelijk maar Ward heeft het zichzelf ondertussen wel erg moeilijk gemaakt. De klastitularis meent voldoende duidelijk gesteld te hebben dat het een zeer moeilijke opgave voor Ward zou zijn om een B-attest te behalen. Voornamelijk omdat Ward tot op dat moment nog niet aangetoond had er echt voor te willen werken. Tijdens het derde trimester zijn zelfs de resultaten van de vierde periode onvoldoende. De klastitularis meent voldoende sterk de voorwaarden die Ward moest vervullen om betere resultaten te behalen, benadrukt te hebben. Ward moest zijn studies meer ter harte nemen. De klastitularis stelt zijn taak reeds meerdere jaren te vervullen en -gezien het toenemend aantal negatieve ervaringen betreffende uitlatingen over mogelijke attesteringen- ondertussen voldoende voorzichtigheid aan de dag te leggen. Steeds worden de noodzakelijke voorwaarden die de leerling dient te vervullen beklemtoond. II.1.
  6. De delibererende klassenraad vindt dat alle leden goed op de hoogte zijn van het feit dat de deliberatiebeslissing een bij uitstek collegiale beslissing is. Uitlatingen over een mogelijke attestering worden vanzelfsprekend wel eens geuit, maar dan ter motivering van de leerling. De hiertoe vereiste inspanning wordt echter steeds mee in één adem benadrukt. [...] II.
  7. De begeleiding op het vlak van dyslexie. II.3.
  8. XII-4263-5\17 De ouders van Ward Beneens stellen dat de delibererende klassenraad tijdens de deliberatie in juni het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden omdat zij geen rekening heeft gehouden met het feit dat Ward dyslexie heeft, terwijl dit nochtans erkend wordt als een belangrijke leerstoornis (zij verwijzen hiervoor naar de Vlaamse Resolutie van 3 maart 1999 betreffende de erkenning, de integratie en de begeleiding van leerlingen met leerstoornissen). II.3.
  9. De delibererende klassenraad is het hier niet mee eens en stelt dat zij wel degelijk afdoende rekening heeft gehouden met de leerstoornis van Ward, dit zowel tijdens het schooljaar als bij de deliberatie. II.3.2.
  10. In eerste instantie wijst zij er op dat er op heden in het secundair onderwijs geen regelgeving bestaat, die aan scholen oplegt hoe zij leerlingen met leerstoornissen dienen te begeleiden. De Resolutie van 3 maart 1999 waar de ouders van Ward naar verwijzen, is immers nooit geëvolueerd naar bindende wetgeving. Met dit in het achterhoofd wijst de delibererende klassenraad er op dat de school, op eigen initiatief, een werking rond dyslexie heeft uitgebouwd om een beperkt aantal leerlingen op te volgen en trachten te begeleiden (- de werkgroep Dyslexie). Dit gebeurt volledig door leerkrachten die zich hiervoor vrijwillig aanbieden op basis van hun interesse voor het probleem. II.3.2.
  11. Zo ook voor Ward Beneens, voor wie een Tijdens het jaar vond er een begeleidend gesprek plaats met de voorzitter van werkgroep Dyslexie, nl. Herman Peeters, waarbij een aanpassing aan het begeleidingsplan werd aangebracht (zie het stuk nummer 8 uit het administratief dossier). Bij de start van het schooljaar werd iedere leerkracht persoonlijk op de hoogte gebracht door de klastitularis van de leerlingen met dyslexie, dus ook van Ward. De leerkrachten bevestigen dat zij hier steeds van op de hoogte waren en dat zij hiermee rekening hielden, onder de voorwaarde dat zij gebonden zijn de voorgeschreven te bereiken leerdoelen en eindtermen te bereiken. In ieder geval betwisten zij met klem dat zij deze leerstoornis gezien hebben als een 'uiting van onwil' van Ward. II.3.2.
  12. Zowel rond cursusmateriaal als rond toetsen is geregeld gecommuniceerd met de ouders en de leerling. De klassenraad stelt dat zij hiervoor de schoolagenda, een specifiek communicatiekanaal per leerling t.a.v. zowel leerling als ouders, frequent gebruikt hebben, in tegenstelling tot wat de ouders daarover beweren in hun beroepschrift. Immers : - de leerkrachten hebben maar liefst 80 mededelingen in de schoolagenda genoteerd; - de schoolagenda bevat 68 verwijzingen naar opdrachten en taken, 10 verwijzingen naar herhaling, afgeven van opdrachten en vragen van uitleg, en 2 verwijzingen naar nablijven; - vooraan in de schoolagenda staan 8 opmerkingen vermeld waarvan er twee betrekking hebben op het niet in orde zijn van de schoolagenda; en XII-4263-6\17 - de klastitularis heeft zes maal moeten vragen de schoolagenda in orde te brengen, waaronder ook drie maal de vraag de agenda thuis te laten ondertekenen. Zie hiervoor de 'Schoolagenda', stuk 9 van het administratief dossier en 'Inventaris schoolagenda', stuk 10 van het administratief dossier. II.3.2.
  13. Verder schetsen de individuele leden van de delibererende klassenraad hoe ze getracht hebben om Ward te helpen gedurende het voorbije schooljaar (begeleiding per vak) De delibererende klassenraad herhaalt voorafgaandelijk, en wenst de nadruk te leggen op het gegeven dat - de resultaten van Ward onvoldoende zijn en dat hij ernstiger had moeten werken, weinig inzet betoonde, een lage graad van interesse voor zijn studies had ... - de klassenraad, en in het bijzonder de taalleerkrachten, wel degelijk op de hoogte waren van het thuiswerk van Ward (met de ouders) en menen dat dit de resultaten van Ward positief beïnvloed heeft. Echter : indien Ward er zelf nog iets moest aan toe voegen, thuis of in de school, dan bleek deze inspanning te veel te zijn. - een leerkracht citeert uit het beroepschrift van de ouders : 'Volgens haar werkte Ward goed mee in de les en gaf hij de indruk de leerstof te begrijpen'. Deze leerkracht wenst uitdrukkelijk volgende correctie aan te brengen : 'Volgens haar werkte Ward soms goed mee in de les en gaf hij ook de indruk de leerstof te begrijpen, als het een nieuw hoofdstuk betreft' [...]. Vervolgens overlopen de vakleerkrachten de afzonderlijke vakken : Frans : er wordt een handboek en een oefeningenboek gebruikt. De leerkracht heeft de oplossingen van oefeningen gekopieerd voor het examen van het tweede trimester omdat Ward ze niet had. Volgens Ward was, op vragen van de leerkracht, alles altijd in orde. Als de leerkracht controleerde bleek dit toch niet altijd zo te zijn. Er wordt met een speciaal vakrapport gewerkt om de evolutie van de leerling duidelijk te kunnen volgen. De leerlingen krijgen tijdens de les tijd om het vakrapport in te vullen. Toetsen worden mee naar huis gegeven. De leerkracht schreef ten behoeve van de dyslectische leerlingen alles wat in de schoolagenda diende te komen op het bord. Ward werd ook telkens gevraagd om vooraan in de klas plaats te nemen. Dit wilde hij echter niet. Technologie : dit omvat drie grote onderdelen zijnde machine- en materialenleer en constructie. Er zijn cursussen voor de leerlingen. Hierin staan ook vragen en opgaven die worden opgelost. De examenvragen komen voor 95% uit de in de cursussen vermelde vragen en opgaven. Elke leerling beschikt over een set houtblokjes om de verschillende houtsoorten en hun eigenschappen te leren kennen. Ward meende hiervan alles reeds te weten, de toetsen bewezen echter het tegendeel. Elektriciteit : er wordt een geschikt handboek gebruikt. De toetsen zijn steeds aangekondigd. De vragen uit het boek worden in de klas opgelost en voor de examenvragen wordt uit dezelfde vragen geput. Geschiedenis : de leerkracht werkt met een handboek en een invulboek. Voor elk examen wordt de te kennen leerstof van dat examen overlopen. Overhoringen worden steeds aangekondigd. Nederlands en Engels : de leerkracht gebruikt een handboek en een werkboek. Bij de aanvang van het schooljaar heeft de leerkracht het invulboek een tijd nagekeken. Er werd met Ward afgesproken dat hij zou vragen om na te kijken indien hij dit nodig achtte. Er is van Ward nooit enige vraag gekomen. Eenmaal heeft de leerkracht op eigen initiatief nog een deel nagekeken. De leerkracht gebruikte slides die de leerlingen op vraag mee naar huis kunnen krijgen om bij te werken. Ward heeft ze nooit gevraagd. De vakrapporten werden door Ward altijd te laat ingevuld. In de les is hier nochtans tijd voor voorzien. Omwille van de herkenbaarheid, als hulp, zijn de vakrapporten per taal XII-4263-7\17 op een ander gekleurd papier gemaakt. Over toetsen krijgen de leerlingen een duidelijke uitleg over wat ze moeten kennen en hoe er ondervraagd zal worden. Godsdienst : er wordt gebruik gemaakt van een werkboek. Toetsen zijn aangekondigd. Ward bracht de enkele werkjes die dienden gemaakt te worden te laat binnen. Wiskunde en fysica : de leerlingen krijgen de toetsen met de juiste antwoorden gekopieerd mee om ze in hun schriften te kleven. Werkjes werden te laat of helemaal niet afgegeven. Bij fysica meermaals. De leerkracht heeft delen van de cursussen gekopieerd voor Ward omdat hij geen nota's had (vanaf het oudercontact in januari 2004 tot en met de examens tweede trimester). Lichamelijke opvoeding : de leerkracht heeft geregeld gewezen op een gebrek aan inzet. Hij wist ook van Ward's dyslexie-problemen en heeft Ward aangera- den ten volle gebruik te maken van het aanbod van de school. Ward was niet meer dezelfde als in het derde jaar. Informatica : alle oefeningen zijn via het internet beschikbaar en kunnen van thuis dus gedownload worden. Leerlingen kunnen vragen om de oefeningen op CD of op diskette te krijgen. Leerkracht doet dit dan voor hen of samen met hen. Mechanica : de leerkracht maakt gebruik van een handboek dat zowel theorie als oefeningen bevat. De toetsen worden onmiddellijk na de toets verbeterd in de klas zodat de leerlingen dadelijk weten wat ze fout gedaan hebben. Zodoende wordt nog eens een deel van de leerstof herhaald. Huistaken moest Ward geregeld's morgens nog overschrijven van medeleerlingen. Technisch tekenen : de leerlingen beschikken over een cursus met tekeningen en uitleg. De cursus is ook op harde schijf gezet en kan als hulp geraadpleegd worden door de leerlingen tijdens hun werk. Moeilijkere delen van opgaven kunnen door het opzoeken van informatie in de elektronische versie van de cursus door de leerlingen opgelost worden in de les. De leerkracht is daarbij steeds ter beschikking van de leerlingen. Ward heeft echter weinig inzicht. Praktijk : een bundel met de werkstukken, de werkmethode, een evaluatieblad en voor enkele oefeningen ook een houtstaat was in het bezit van elke leerling. Het evaluatieblad liet reeds voorzien waarop punten konden verdiend worden. Ward werkte in de machinekamer maar het resultaat was telkens bedroevend (verkeerde maten). II.3.2.
  14. Tot slot stelt de 'leerkracht-begeleidster' van Ward, nl. Sybille Thys, vast dat deze zelf niet erg heeft meegewerkt aan de uitvoering van het 'Begeleidingsplan Dyslexie'. De afspraak was dat Ward problemen zou signaleren. Dit is nauwelijks gebeurd. Ward noteert ook niet vaak de afgesproken groene 'D' op zijn overhoringen. Nochtans kon hij zodoende aangeven dat hij dyslectisch is. Enkele leerkrachten hebben dit dan een aantal keren zelf gedaan. Hij wou ook niet vooraan in de klas komen zitten, wat de taalleerkrachten hem meermaals en uitdrukkelijk gevraagd hebben. Ward vond ook dat hij geen notities diende te nemen omdat hij toch alle kopieën kreeg. Ward heeft hieromtrent de coördinerende leerkracht van het begeleidingsprogramma dienen te contacteren. Daar werd evenwel afgesproken dat Ward altijd notities diende te nemen, temeer daar hij zelf vond dat dit hem voor een aantal vakken hielp. Een automatisch recht op kopieën genoot hij dus niet. Hoedanook stelt de klassenraad vast dat Ward voldoende kansen heeft gehad om leesbare nota's in zijn bezit te krijgen. Vakleerkrachten hebben Ward immers regelmatig bevraagd of hij in het bezit was van leesbare nota's gezien de bijsturing van het begeleidingsplan. Op zeven juni 2004 werd een laatste controlevraag door de begeleidster dyslexie inzake volledigheid van de ter zijner XII-4263-8\17 beschikking zijnde nota's gesteld (zie het stuk 'Opvolging begeleidingsplan', nummer 11 van het administratief dossier). Volgens Ward was alles in orde. Individuele leerkrachten hebben Ward gestimuleerd zijn cursus na te laten lezen of klad van schrijfoefeningen te laten nalezen. Hierop is vanwege Ward nooit enige reactie geweest. Deze gedragingen van Ward brengen de leerkracht-begeleidster tot het besluit dat Ward eigenlijk niet inging op het door de school gedane aanbod. De leerkracht-begeleidster stelt dat het daarenboven ook uitdrukkelijk de bedoeling was om Ward meer initiatief te laten nemen om hem naar de derde graad toe meer zelfstandig te leren zijn in het vergaren van zijn studiemateriaal. II.3.2.
  15. Besluit : de delibererende klassenraad heeft wel degelijk rekening gehouden met de leerstoornis van Ward en dit zowel tijdens het schooljaar als bij de deliberatie in juni. De delibererende klassenraad stelt echter expliciet dat de leerling aangaande zijn begeleiding zelf ook een verantwoordelijkheid draagt, die door Ward evenwel niet altijd ernstig genomen werd. Voor de goede orde stelt de delibererende klassenraad nog dat zij de hogervermelde gegevens ook nu betrekt bij het nemen van haar beslissing. II.
  16. De attestering van Ward Beneens. II.4.
  17. De delibererende klassenraad stelt vast dat zij als enig (=exclusief) orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn (zie het artikel
  18. § 1 Organisatiebesluit). II.4.
  19. In dit verband wijst zij op de voorschriften van het artikel 39 van het Organisatiebesluit, volgens de welke - een B-attest toegekend wordt aan een leerling die het jaar met vrucht beëindigt; en - een C-attest toegekend wordt aan een leerling die het jaar niet met vrucht beëindigt. Volgens het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit, beëindigt een leerling met vrucht het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in het volgende leerjaar. II.4.
  20. De ouders van Ward en hun raadsman redeneren dat enkel het tweede element in het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit ('hij bekwaam wordt geacht om zijn studies verder te zetten in het volgend leerjaar') het doorslaggevende criterium moet zijn bij een beraadslaging over het al dan niet slagen van een leerling. De delibererende klassenraad gaat niet akkoord met deze interpretatie van het artikel 38, 1/ van het Organisatiedecreet. Immers : uit deze lezing van artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit blijkt dat een leerling het tweede leerjaar van de tweede graad met vrucht beëindigt 'indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt'. Voor de delibererende klassenraad is het duidelijk dat dit het eerste en meest doorslaggevende element is. Het meten van het bereiken van de doelstellingen gebeurt door het quoteren van 'proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen' (artikel 5 § 5 van het Organisatiebesluit, waar de geciteerde tekst ook als eerste element wordt weergegeven). XII-4263-9\17 Het element dat de ouders van Ward 'het doorslaggevende criterium' noemen, nl. 'bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar', is volgens de delibererende klassenraad veeleer ondergeschikt aan het eerste. Vooreerst omdat de regelgever het pas als tweede element vermeldt. Ten tweede omdat het tweede element aan het eerste wordt gekoppeld door de woorden 'en aldus'. Hieruit blijkt een ondergeschiktheid van het door de besluitgever als tweede vermeld element aan het eerste. Men wordt dus bekwaam geacht een volgend leerjaar aan te vangen indien men in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt. Slechts in dat geval 'beëindigt een leerling met vrucht' een leerjaar. Minstens dient elk van de twee hoger genoemde elementen afzonderlijk beoordeeld te worden en dient de leerling aan beide elementen tezamen (=cumulatief) te voldoen. II.4.
  21. Welnu, in het specifieke geval van Ward BENEENS oordeelt de delibererende klassenraad dat deze zijn laatste jaar niet met vrucht heeft beëindigd, gelet op - de studieresultaten van Ward. Inderdaad : bij de beraadslaging over het al dan niet slagen van een leerling kijkt de delibererende klassenraad eerst en voor alles naar de resultaten van de leerling op proeven, toetsen en examens. Welnu, de studieresultaten van Ward zijn zeer zwak, nl. 51 % over het schooljaar en zeven onvoldoendes op zestien vakken : Frans (45 %), geschiedenis (45 %), wiskunde (33%), fysica (41 %), informatica (48 %), mechanica (39 %) en technisch tekenen (48 %) Zie de 'Puntenlijst', stuk met nummer 1 van het administratief dossier. Deze resultaten zijn een samenvatting van het kennen en het kunnen van Ward, maar ook van de door hem geleverde prestaties en inspanningen. - de elementen die door de begeleidende klassenraad in ogenschouw werden genomen. Welnu : uit de vaststellingen van de begeleidende klassenraad blijkt dat Ward weinig inzet heeft getoond en zijn studies niet ernstig heeft genomen. Immers : de begeleidende klassenraad, naar aanleiding van de eerste periode, stelt vast dat Ward een zwakke periode heeft gekend en zes onvoldoendes heeft behaald. Ward is nog steeds op school. Leerkrachten gaan Ward aanraden ernstiger te werken. Voor de tweede periode stelt de begeleidende klassenraad vast dat Ward zijn onvoldoendes terugbrengt tot twee (van zes voor de eerste periode) en zijn percentage kan verhogen (van 52 % naar 58 %). Voor de derde periode haalt Ward drie onvoldoendes. De begeleidende klassenraad stelt bij Ward nonchalant gedrag vast. Ook de individuele leerlingen- fiche wijst op de tekortkomingen van Ward. Zie de stukken van het administratief dossier met de nummers 12, 13 en 14, telkens genoemd 'Klassenraad', respectievelijk d.d. 21 oktober 2003, 1 december 2003 en 9 maart
  22. - de begeleiding, die door de school voorzien werd voor de leerstoornis van Ward en de manier waarop Ward hiermee is omgegaan. Zoals hoger uitvoerig uiteengezet in hoofdstuk II.3, is de delibererende klassenraad immers van mening dat Ward niet en zeker totaal onvoldoende is ingegaan op het door de school gedane aanbod van begeleiding hieromtrent. Ward had hier zelf ook een verantwoordelijkheid en heeft deze (voldoende) opgenomen. - het feit dat verschillende leerkrachten uit de delibererende klassenraad meer bepaald Verbeeck Marcel, Borgers Jan, Hus An, Huysmans Tamara en XII-4263-10\17 Van de Ven Julien, zowel lesgeven in het beroeps als in het technisch onderwijs, hetgeen hun de ervaring verschaft om -rekening houdende met de doelstellingen van het leerplan- in te schatten in welke mate een leerling kan overschakelen van het technisch naar het beroepsonderwijs (in het administratief dossier zijn de individuele lessenroosters 2003-2004 van de vermelde leerkrachten opgenomen onder de benaming 'individueel lessenrooster', respectievelijk onder de nummers 15, 16, 17, 18 en 19). Om hogervermelde redenen is de delibererende klassenraad dan ook van oordeel dat Ward Beneens de doelstellingen van het leerplan niet heeft bereikt (en aldus niet bekwaam is om zijn studies voort te zetten in het volgende leerjaar)”; Overwegende dat de Raad prima facie geen schending van de formele motiveringsplicht bespeurt; dat de overgeschreven motieven ruimschoots de feitelijke en juridische overwegingen lijken weer te geven op grond waarvan de delibererende klassenraad er toe is gekomen het bestreden besluit te nemen; dat met de klassenraad prima facie wordt meegegaan in de vaststelling dat artikel 38, 1/, van het organisatiebesluit vereist dat een leerling, om “met vrucht” een schooljaar te beëindigen, op de eerste plaats geacht moet worden in voldoende mate de doelstel- lingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt te hebben; dat door verzoeker niet wordt betwist dat hij de zeven aangehaalde onvoldoendes heeft behaald op zestien vakken met een algemeen resultaat van 51%; dat een klassenraad op grond van die gegevens niet onwettig handelt, zo lijkt, om te besluiten dat een leerling niet de doelstellingen heeft bereikt die in het leerplan zijn opgenomen; dat verzoeker vergeefs argumenteert dat het in de specifieke omstandigheden van deze zaak anders moet zijn; dat hij niet overtuigt dat de delibererende klassenraad “op geen enkel moment” met zijn leerproblemen heeft rekening gehouden; dat integendeel op eerste zicht en lezing van het geciteerde wordt vastgesteld dat de klassenraad bij zijn beslissing wel degelijk rekening heeft gehouden met de begeleiding die verzoeker heeft gekregen tijdens het schooljaar voor zijn leerproblemen; dat al de concrete begeleidingsmaatregelen die worden opgesomd in de bestreden beslissing daarenbo- ven door verzoeker niet worden ontkend; dat die begeleidingsmaatregelen, met de woorden van verzoeker, blijkbaar wel “[niet] hebben volstaan” om zijn punten gunstiger te maken dan wat ze zijn; dat verzoeker daarmee echter niet aantoont dat zijn resultaten ten onrechte als onvoldoende worden beschouwd; dat, zonder dat de Raad zich overigens als zodanig moet uitspreken over de ijver van verzoeker, verzoeker ook niet overtuigt dat de klassenraad bij zijn oordeel over de onvoldoen- des niet de leerproblemen van verzoeker en de hem effectief geboden begeleiding heeft betrokken om vast te stellen dat zijn resultaten, spijts die begeleiding, zijn wat ze zijn; dat het middelonderdeel niet ernstig is; XII-4263-11\17 Overwegende dat in een tweede middelonderdeel wordt opgemerkt dat de bestreden beslissing refereert aan de eerdere beslissing van de delibererende klassenraad van 20 augustus 2004 en stelt dat deze “volledig van toepassing blijft” en complementair zou zijn; dat verzoeker betoogt nooit de mededeling te hebben gekregen van deze beslissing, zodat de thans bestreden beslissing de formele motiveringsplicht schendt; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat die beslissing ter inzage lag van verzoeker op de hoorzitting van 2 september 2004 voor de beroepscommissie, dat voorts het middelonderdeel volgens haar niet dienend is omdat geen ruimere motivering besloten ligt in de beslissing van 20 augustus 2004; Overwegende dat verzoeker te gelegener tijd -bijvoorbeeld nadat hem de bevestiging van het C-attest op 20 augustus 2004 bij aangetekend schrijven werd meegedeeld, of toen hij verscheen op de hoorzitting van de beroepscommissie- nooit een afschrift van het besluit van 20 augustus 2004 gevraagd lijkt te hebben; dat dit vragen doet rijzen naar de ontvankelijkheid van het middelonderdeel; dat hoe dan ook op het eerste gezicht in de beslissing van 20 augustus 2004 geen motieven worden bespeurd die niet ook zijn opgenomen in de thans bestreden beslissing; dat het dit is wat de klassenraad bedoeld lijkt te hebben met de “complementariteit” van de beide beslissingen; dat die vaststelling op zich reeds volstaat, zo lijkt, om verzoeker belang te ontzeggen bij het middelonderdeel; Overwegende dat verzoeker ten slotte in een derde middelonderdeel argumenteert dat hem dan ten minste op grond van de gegeven motieven geen oriënteringsattest B ontzegd mocht worden, dat de stelling van verwerende partij ter zake het verschil in aantal uren praktijk per week zou inhouden dat nooit een overgang mogelijk is van TSO naar BSO tussen het tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad, dat de verdere verwijzingen naar de concrete vaardigheden van verzoeker in praktijk gratuite opmerkingen zijn, dat hij voor het vak praktijk 63% behaalde, dat geen rekening wordt gehouden met het niet onaanzienlijke verschil tussen de onderwijsvormen TSO en BSO en dat in de bestreden beslissing ook hier geen beoordeling is gedaan met inachtneming van de aandoeningen waaraan hij lijdt; Overwegende dat verwerende partij repliceert niet alleen rekening te hebben gehouden met de vaardigheden van verzoeker voor het vak praktijk, maar XII-4263-12\17 ook met de opmerkingen van de ouders van verzoeker, met de bezwaren en opmerkingen van de individuele leerkrachten en met alle andere elementen van het dossier waaronder de uitslagen van alle vakken, de zwakke prestatie van verzoeker in het algemeen en zijn prestaties op de vakken wiskunde, fysica en technisch tekenen; dat zij voorts argumenteert met het verschil in onderwijsvorm wel rekening te hebben gehouden, dat verschillende leerkrachten in beide les geven, hetgeen hen juist de ervaring verschaft om rekening houdende met de doelstellingen van het leerplan in te schatten in welke mate een leerling kan overschakelen van het TSO naar het BSO; dat verwerende partij verwijst naar stukken in het administratief dossier die de zwakke resultaten van verzoeker aantonen voor zijn examens machineleer - constructie - materialen en waaruit blijkt dat verzoeker met 63% voor praktijk de laatste van de klas is; Overwegende dat de delibererende klassenraad de in de bestreden beslissing besloten weigering om verzoeker een B-attest toe te kennen als volgt motiveert : “II.4.
  23. Met betrekking tot de concrete argumenten van de ouders ter verdediging van het B-attest voor Ward gaat de delibererende klassenraad niet akkoord. II.4.5.
  24. Immers : de ouders van Ward hebben opgeworpen dat een B-attest voor hun zoon verdedigbaar, zelfs aangewezen is, aangezien - de vakken fysica en mechanica, waarvoor Ward thans twee onvoldoendes haalde niet voorkomen in het curriculum van B3H05, noch van B2H04; - Ward voor Frans hoedanook een voorsprong zal hebben in B3H05, nu gedurende de eerste vier leerjaren aldaar geen Frans werd gegeven; bij het vak technisch tekenen in B3H05 gestart wordt met CAD-tekenen, hetgeen Ward al twee jaar gevolgd heeft; - wiskunde en geschiedenis in het project algemene vakken zitten en in principe geen probleem kunnen vormen, nu de moeilijkheidsgraad van de leerstof in BSO aanzienlijk lager zal liggen; - wat betreft informatica er alleszins een positieve evolutie merkbaar was naar het einde van het schooljaar toe. De ouders van Ward en hun raadsman redeneren daarbij dat enkel het tweede element in het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit ('indien hij bekwaam wordt geacht om zijn studies verder te zetten in het volgend leerjaar') het doorslaggevende criterium moet zijn bij een beraadslaging over het al dan niet slagen van een leerling. II.4.5.
  25. Welnu, wat betreft de (hoger opgesomde) argumenten van de ouders van Ward stelt de delibererende klassenraad dat deze stricto sensu niet onjuist zijn, wanneer ze op zich worden bekeken (fysica en mechanica komen inderdaad niet voor in het curriculum van het beroeps hout; Ward zal inderdaad een voorsprong hebben op Frans en op CAD-tekenen; de moeilijkheidsgraad van wiskunde en geschiedenis zal inderdaad lager zijn dan deze in technisch hout). Echter : indien men de redenering van de ouders van Ward doortrekt, dan zou deze laatste zelfs aanspraak kunnen maken op een B-attest indien hij een nul had behaald op de vakken fysica-mechanica-frans-technisch tekenen-wiskunde- XII-4263-13\17 geschiedenis-informatica, zulks enkel en alleen omdat deze vakken niet voorkomen in het curriculum van 83H05/B2H04 c.q. omdat de leerlingen van deze richtingen bepaalde vakken nog niet hebben gehad! Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn van de bepalingen in het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit. Door zich te concentreren op het tweede element van het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit (bekwaam worden geacht om zijn studies verder te zetten in het volgende leerjaar), ontwijken de ouders van Ward en hun raadsman nogal kunstmatig een stellingname over het werkelijke criterium van het artikel 38, nl. heeft Ward zijn jaar met vrucht beëindigd of niet. Inderdaad : zoals hoger reeds uitvoerig uiteengezet in § II.4.3, interpreteert de delibererende klassenraad het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit als volgt - men wordt pas bekwaam geacht een volgend leerjaar aan te vangen indien men in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt. Slechts in dat geval 'beëindigt een leerling met vrucht' en kan hij een B-attest verkrijgen. Welnu : hoger in § II..4.
  26. heeft de delibererende klassenraad uiteengezet waarom zij van oordeel is dat Ward niet voldoet aan de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, d.i. het eerste criterium van het artikel 38, 1/ Organisatiebesluit; - minstens dienen de twee elementen van het artikel 38, 1/ beschouwd te worden als twee afzonderlijke criteria waaraan een leerling cumulatief dient te voldoen om zijn leerjaar te beëindigen met vrucht. In dat geval dient de delibererende klassenraad ook afzonderlijk te oordelen over het tweede element van het artikel 38 (bekwaam worden geacht om zijn studies verder te zetten in het volgende leerjaar) Welnu, zelfs indien men de redenering van de ouders van Ward zou volgen en besluiten dat deze laatste voldoet aan het tweede criterium -quod non-, dan nog voldoet Ward zeker niet aan het eerste criterium (zie hoger in § II.4.4.) en kan er dus niet geconcludeerd worden dat Ward zijn jaar met vrucht heeft beëindigd. II.4.5.
  27. De delibererende klassenraad is echter van oordeel dat Ward ook aan het tweede criterium (bekwaam worden geacht om zijn studies verder te zetten in het volgende leerjaar) niet voldoet. In tegenstelling tot de ouders van Ward, is de delibererende klassenraad er immers niet van overtuigd dat de overgang van de tweede graad technisch onderwijs naar de derde graad beroepsonderwijs voor Ward weinig problemen zal opleveren, zulks om volgende redenen : - in het beroepsonderwijs hebben de leerlingen van de tweede graad in elk jaar reeds 16 uren praktijk per week gehad, d.i. de helft van het totale wekelijkse lestijdenpakket. In het technisch onderwijs daarentegen hebben de leerlingen slechts 8 uur praktijk per week. Op het vlak van praktijk zit Ward dus met een achterstand in vaardigheden -kunde- attitudes t.a.v. de leerlingen die per 30 juni laatstleden het vierde jaar beroeps hout beëindigen, die hem weinig uitzicht geven op succes in het vijfde jaar beroeps hout. Zie de lessenroosters 'Sint-Jozefinstituut-2e graad TSO', onder nummer 20 en 'Sint-Jozefinstituut-2e graad BSO' onder nummer 21 in het administratief dossier. De delibererende klassenraad meent dit duidelijk te kunnen afleiden uit zijn resultaten voor het vak 'praktijk' in het voorbije jaar, aangezien : XII-4263-14\17 C zijn resultaten in de machinekamer niet voldoen om toegelaten te worden tot het vijfde leerjaar beroeps alwaar de helft van het lessenpakket bestaat uit praktijk. Zie de lessenrooster 'Sint-Jozefinstituut-3e graad BSO' onder nummer 22 in het administratief dossier; en C zijn technologische kennis (= kennis van houtsoorten en machine-onderdelen) te beperkt is om een B-attest te rechtvaardigen. Zie de negen bijlagen zijnde de examens van de drie trimesters, onder de nummers 23 tot en met 31 van het administratief dossier ook voor technisch tekenen heeft de delibererende klassenraad ernstige bedenkingen. De delibererende klassenraad vindt het niet zo evident dat Ward een voorsprong heeft omdat in het vijfde leerjaar beroeps pas gestart wordt met CAD-tekenen waar Ward in het technisch onderwijs reeds twee jaar met behulp van ICT-middelen getekend heeft. De twijfels hieromtrent worden versterkt door de mindere prestaties van Ward op het vlak van informatica (hij haalde hiervoor een onvoldoende van 48%) De belangrijkste twijfels op het vlak van tekenen situeren zich echter niet bij het CAD-tekenen, maar bij het inzicht in de ruimtelijke voorstelling, de opbouw van een tekening, het abstraheren van het voorwerp, het lezen van het getekende ... De delibererende klassenraad maakt het onderscheid tussen het middel en de leerinhoud. Het is niet omdat een leerling goed met de computer kan werken, wat bij Ward trouwens betwijfeld wordt, dat hij ook goed kan tekenen. De delibererende klassenraad meent daarom dat het best is dat Ward de leerinhouden van technisch tekenen van de tweede graad nogmaals zou doornemen. Tot slot formuleert de delibererende klassenraad, naast voorgaande redenen betreffende technische en praktische vakken, ook ernstige bedenkingen m.b.t. de algemene vakken. In het beroepsonderwijs komt het vak PAV (project algemene vakken) in de plaats van enkele algemene vakken. De delibererende klassenraad stipt aan dat wiskunde als leervak behouden blijft in het vijfde leerjaar beroeps. Zie de lessenrooster 'Sint-Jozefinstituut-3e graad BSO' onder nummer 22 in het administratief dossier. Het vak PAV bevat echter ook een belangrijke mathematische component. Het inzicht en logisch redeneren zijn hierbij bijzonder belangrijk. Op basis van zijn onvoldoendes voor wiskunde (33%) en fysica (41%) in het vierde jaar technisch hout, is de delibererende klassenraad ervan overtuigd dat Ward in het vijfde jaar beroeps moeilijkheden zal ondervinden met mathematisch getinte leerinhouden. De delibererende klassenraad acht het raadzaam dat Ward zich de werkwijzen en denkmethoden op het vlak van rekenkunde en wiskunde eigen zou maken in de tweede graad. Besluit : Ward voldoet niet aan het tweede criterium van het artikel 38, 1/ van het Organisatiebesluit (bekwaam worden geacht om zijn studies verder te zetten in volgende leerjaar)”; Overwegende dat de “stelling” als zou de verwerende partij in abstracto een overgang tussen TSO en BSO uitsluiten wegens het verschil in uren praktijk prima facie feitelijke grondslag mist; dat de delibererende klassenraad immers in de bestreden beslissing geen algemene regel lijkt te formuleren, maar XII-4263-15\17 specifiek de prestaties van verzoeker voor inzonderheid het vak praktijk in het voorbije jaar voor ogen heeft, wanneer hij naar het aantal uren verschil verwijst; dat er voorts aan mag worden herinnerd, dat de Raad van State zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad mag stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken; dat de delibererende klassenraad daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de Raad van State verzoeker derhalve niet kan beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen; dat een strenge beslissing door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren kan worden; dat het ook niet uitgesloten is dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen; dat een beoordeling door de delibererende klassenraad door de Raad van State echter enkel voor onwettig kan worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen; dat te dezen verzoeker de onder punt II.4.5.
  28. van de bestreden beslissing geformu- leerde “bedenkingen” en “twijfels” van de klassenraad over zijn andere vaardigheden in het inleidend verzoekschrift niet tegenspreekt; dat zij op het eerste gezicht zijn gesteund op werkelijke feiten; dat de aldus gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoeker in rechte, zo lijkt, ook een beslissing om hem een B-attest te weigeren vermogen te verantwoorden; dat het middelonderdeel niet ernstig is; Overwegende dat het enige middel in geen van zijn onderdelen ernstig is; dat bijgevolg niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, XII-4263-16\17 BESLUIT: Artikel
  29. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  30. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4263-17\17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.581 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.