← België

Arrest 135583 - - 30/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.583 Rolnummer: A. 109336/XII-3267 Zaak: Arrest 135583 - - 30/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-07 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 10:19 Fiche Arrest nr 135.583 van 30 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.583 van 30 september 2004 in de zaak A. 109.336/XII-

  1. In zake : Guy VAN DER AUWERMEULEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Van Peteghem, kantoor houdende te Sint-Niklaas, Parklaan 80 tegen : de VZW KAREL DE GROTE HOGESCHOOL, die woonplaats kiest bij advocaat T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy Van Der Auwermeulen op 23 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 12 juni 2001 van de examencommissie van het tweede jaar van het EHOKT, afdeling graduaat verzekeringen, Karel de Grote Hogeschool, waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 113.781 van 17 december 2002 waarbij de debatten worden heropend en de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 10 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3267-1/8 Gelet op de beschikking van 14 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Van Peteghem, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Bij arrest nr. 93.150, van 8 februari 2001 vernietigt de Raad van State de beslissing van 18 september 1991 van de examencommissie van het tweede jaar Verzekeringen van het Hoger Instituut Sint-Lodewijk te Antwerpen, waarbij Guy Van Der Auwermeulen voor de tweede examentijd niet geslaagd wordt verklaard. Bij schrijven van 16 mei 2001 delen de raadslieden van de hogeschool de raadsman van verzoeker mede “dat deliberatie kan worden gehouden in de komende deliberatieperiode in de maand juni”. Op 12 juni 2001 neemt de examencommissie de navolgende beslissing : “Ministerie van Onderwijs Hoger Instituut St.-Lodewijk Lombardenvest 52 Stamnummer: 221/1.002.076 02881-1 Economisch Hoger Onderwijs van het Korte Type met Volledig Leerplan Afdeling: Verzekeringen, tweede jaar met als rechtsopvolger Karel de Grote-Hogeschool, katholieke hogeschool Antwerpen XII-3267-2/8 Departement H&B Studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde Basisopleiding Bedrijfsbeheer - optie Financie- en verzekeringswezen Academiejaar 1990-1991 tweede zittijd Proces verbaal van de eindproeven dd. 12 juni 2001 Wij, ondergetekenden, leden der examencommissie, ingericht voor het afnemen van de proeven na het tweede jaar van het EHOKT, afdeling Graduaat Verzekeringen, hebben over de verrichtingen van de buitengewone examencommissie samengeroepen na het verbreken van het eerder uitgesproken resultaat voor Guy Van der Auwermeulen (Raad van State) volgend proces- verbaal opgemaakt. Samenstelling van de commissie : L. Verhulst, departementshoofd A. Dely, secretaresse. De examencommissie werd zorgvuldig samengesteld door als leden uit te nodigen alle in dienst van de rechtsopvolger zijnde personeelsleden die ook deel uitmaakten van de eerdere examencommissie. Te weten : Eduard Augustinus, Leo Bryssinckx, Joost Canniere, Anne Clement, Koen De Raedemaecker, Kamiel De Saeger, Luc Flement, Roger Moorthamer, Walter Peeters, Wim Reyntjens, Danielle Sterckx, Emilienne Van Hoey, Peter Van Olmen, Magda Verniers. Zijn stemgerechtigd : alleen de leden die daadwerkelijk les gaven aan de kandidaat. De overige leden (Wim Reyntjens en Peter Van Olmen) gaven geen les aan de kandidaat maar delibereerden op de eerdere deliberatie over soortgelijke jaren. De stemgerechtigde leden besluiten unaniem dat de heer Guy Van Auwermeulen niet geslaagd is en derhalve het graduaat niet behaalt. De examencommissie motiveert haar oordeel als volgt : De student heeft 4 deficiënties. Nooit eerder werd iemand met 4 deficiënties geslaagd verklaard, zeker niet de vakken in aanmerking genomen waarop de deficiënties werden behaald. Het lijkt ons niet wenselijk dat iemand met vier deficiënties de titel Graduaat Verzekeringen zou krijgen. Twee van de deficiënties werden behaald in verzekeringsvakken met gemiddeld een zeer laag resultaat voor het globale pakket van de verzekeringsvakken (55%). Alle deficiënties werden opgelopen voor vakken met wegingscoëfficiënt
  3. Omdat het arrest van de Raad van State melding maakt van het gelijkheidsbeginsel heeft de examencommissie de resultaten van de kandidaat vergeleken met andere kandidaten die een vergelijkbaar totaalresultaat scoorden. Uit deze vergelijking blijkt dat de geslaagden minder

(3)deficiënties hadden, dat zij betere resultaten haalden op de verzekeringsvakken en dat er onvoldoendes bij waren op vakken met lagere wegingscoëfficiënt. Om al deze redenen, waarbij één reden eigenlijk reeds voldoende lijkt om de beoordeling onvoldoende uit te spreken, oordeelt de examencommissie unaniem dat het door de heer Van Auwermeulen behaalde resultaat onvoldoende is. De niet-stemgerechtigde leden sluiten zich unaniem bij deze redenering aan : was dit voorgekomen in een klas waarvoor zij wel stemgerechtigd waren dan zou de uitspraak gelijkluidend zijn geweest. Gedaan te Antwerpen op 12 juni
  1. Ludo Verhulst (handtekeningen van alle aanwezigen). De voorzitter proclameert het resultaat openbaar en hangt het resultaat van de deliberatie ter notificatie uit aan de valven”. XII-3267-3/8 Op 28 juni 2001 schrijft verzoekers raadsman aan de hogeschool : “In bijlage zend ik U kopij van het schrijven van 16/05/2001 van Meesters E. Van Der Mussele en Y. Vanden Bosch. Tot op heden kreeg ik geen bericht nopens de deliberatiedatum. U gelieve mij per kerende bij voorkeur op heden : datum, uur en plaats van deliberatie mede te delen”; Bij schrijven van 2 juli 2001 (postdatum 3 juli 2001) wordt voornoemde beslissing aan verzoeker medegedeeld; Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat door verzoeker niet wordt betwist dat de thans bestreden beslissing van 12 juni 2001 noodzakelijkerwijze als een beslissing in eerste aanleg moet worden beschouwd, omdat ze in de plaats is gekomen van de door de Raad van State vernietigde beslissing van 18 september 1991 en dat de procedure vanaf dat punt hernomen werd; Overwegende dat het toentertijd geldende artikel 7 van het algemeen examenreglement in de volgende beroepsprocedure voorziet in geval van betwisting : “Betwistingen over vermoede materiële vergissingen moeten bij de voorzitter van de examencommissie schriftelijk aanhangig gemaakt worden binnen de vier werkdagen na de bekendmaking. De voorzitter roept een beperkte examencommissie samen binnen de twee werkdagen. Deze beperkte examencommissie omvat minstens 3 leden van de gewone commissie, alsmede de secretaris en de voorzitter. Zij beslist onmiddellijk over de te nemen maatregelen.”; Overwegende dat de aangehaalde procedure spijts de woorden “materiële vergissingen” niet beperkt is tot vergissingen in de enge zin van schrijf- en rekenfouten; dat verzoeker het bestaan van die beroepsprocedure voldoende kende en ze van toepassing wist op inhoudelijke grieven, zoals blijkt uit het in het arrest nr. 93.150 van 8 februari 2001 overwogene, dat verzoeker zich toentertijd met zijn 24 september 1991 gedateerd inhoudelijk bezwaar “heeft gedragen naar artikel 7, eerste lid, van het algemeen examenreglement van de verwerende partij”; XII-3267-4/8 Overwegende dat dergelijke beroepsprocedure tegen beslissingen van de examencommissie een georganiseerd administratief beroep vormt, dat moet worden uitgeput vooraleer de Raad van State kan worden geadieerd; Overwegende dat verzoeker de vraag oppert of die examenregeling van 1991 nog wel toepassing moest krijgen, dan wel de examenregeling die van kracht was op het ogenblik van de thans bestreden beslissing, met name die welke vervat is in het “studiecontract 2000-2001”; Overwegende dat door verzoeker niet wordt betwist dat voormeld studiecontract óók een interne beroepsprocedure organiseert, welke vereist dat eventuele betwistingen aan de hogeschool voorgelegd moeten worden, zij het niet binnen vier werkdagen maar binnen vijf dagen, na “de bekendmaking” van het resultaat van de deliberatie; Overwegende dat de Raad van State dan de vraag, welke van de beide examenregelingen te dezen toepassing dient te krijgen, voor de oplossing van het geschil onbeantwoord kan laten; dat immers verzoeker niet ontkent, hoe dan ook, te hebben nagelaten om tegen de bestreden beslissing een betwisting aan de verwerende partij te hebben voorgelegd; Overwegende, ambtshalve, dat dan de vraag rijst naar de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep wegens het niet uitputten van het georganiseerd administratief beroep; Overwegende dat verzoeker meent voor zijn stilzitten een verschoning te mogen vinden in het feit dat hem de datum van de deliberatie niet vooraf is meegedeeld zodat de termijn om bij de school nuttig beroep in te dienen reeds was verstreken; dat hij de verwerende partij blijkens zijn verzoekschrift om die reden zelfs verwijt “opzettelijk haar bevoegdheden [te hebben] misbruikt met het doel het verzoeker onmogelijk te maken tijdig beroep aan te tekenen conform de bepalingen die voorzien zijn in het toepasselijke examenreglement” en om die reden in een eerste middel machtsafwending aanvoert; Overwegende dat verzoeker er verkeerdelijk van uitgaat dat te zijnen opzichte de “bekendmaking” waarvan in beide examenregelingen sprake is, noodzakelijk samenvalt met de deliberatie, die immers niet openbaar is; dat XII-3267-5/8 -aangenomen dat verzoeker de deliberatie met de proclamatie verwart- uit de bestreden beslissing blijkt dat onmiddellijk na de deliberatie van 12 juni 2001 wel de openbare proclamatie van verzoekers resultaat heeft plaatsgehad; dat voor examens de proclamatie de gebruikelijke vorm van mededeling en bijgevolg van bekendmaking is en dat de student die vooraf behoorlijk van de datum van de proclamatie is op de hoogte gebracht - bij voorbeeld door mededeling ad valvas of door kennisgeving bij ondertekening van een studiecontract - geacht moet worden, behoudens overmacht, door de proclamatie kennis te hebben gekregen van het resultaat; dat echter dan nog, naar gelang de omstandigheden van de zaak, dit uitgangspunt gerelativeerd moet worden en mogelijk rekening moet worden gehouden met het beginsel dat een termijn binnen welke een eventueel georganiseerd beroep in de schoot van de betrokken onderwijsinstelling moet worden ingesteld, of een beroep bij de Raad van State bij ontstentenis van georganiseerd administratief beroep, slechts begint te lopen vanaf het ogenblik dat de belanghebbende ook geacht kan worden een voldoende kennis te hebben van zijn examenresultaten inclusief de examencijfers en desgevallend van andere gegevens die nuttig zijn om zijn bezwaar te formuleren; dat dit verantwoordt en verklaart waarom menige beroepsprocedure binnen het raam van examenbetwistingen na de proclamatie eerst nog in een mogelijkheid voorziet voor inzage van de examens en uitleg aan, dan wel overleg met de belanghebbende, vooraleer het georganiseerd beroep wordt ingesteld; Overwegende dat in de voorliggende zaak, de bestreden beslissing over het al dan niet slagen van verzoeker in de tweede examenperiode van het academiejaar 1990-1991 niet tot stand gekomen is op het gebruikelijke ogenblik, namelijk op het einde van de examenperiode van het lopende academiejaar waarop de beraadslaging betrekking heeft, maar wel tien jaren later ingevolge een arrest van de Raad van State, op 12 juni 2001; dat in die specifieke omstandigheden allereerst verzoeker niet kan worden geacht zomaar de datum van de proclamatie te kennen; dat bovendien niet wordt tegengesproken dat verzoeker nooit, zelfs niet na zijn uitdrukkelijke vraag naar de datum van de deliberatie, van de dag van de proclamatie tijdig mededeling heeft gekregen; dat daarenboven de vraag rijst of te dezen de loutere proclamatie kon volstaan als “bekendmaking”, zonder verzoeker eerst inzage te verlenen in zijn dossier of uitleg te geven over de beslissing; dat overigens uit het administratief dossier blijkt, dat verwerende partij nog nadien aan verzoeker de inzage van sommige rapporten heeft aangeboden; dat hoe dan ook de proclamatie op 12 juni 2001 niet geacht kan worden voor verzoeker de bekendmaking te zijn geweest van zijn resultaat in de zin van het (ene of andere) examenreglement; XII-3267-6/8 Overwegende dat de verwerende partij heeft verzuimd om verzoeker vooraf van de datum van zijn proclamatie op de hoogte te brengen en, nadien, eerst bij schrijven van 2 juli 2004 aan verzoeker het proces-verbaal van de deliberatie van 12 juni 2001 ter kennis heeft gebracht; dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift verklaart eerst op 4 juli 2001 dit proces-verbaal van de deliberatie ontvangen te hebben; dat hij in die omstandigheden niet geacht kan worden eerder dan op die datum van zijn resultaat kennis te hebben kunnen nemen; dat de bekendmaking van de beslissing, en bijgevolg de dag voor de berekening van eventuele termijnen, wat verzoeker betreft, dan alleszins niet kan worden geacht vóór die datum te zijn ingegaan; dat verzoeker bijgevolg nog steeds op ontvankelijke wijze het intern beroep kon, en moest, instellen; dat, voor zoveel als nodig, verzoeker ter verschoning van zijn nalaten in het handelen van verwerende partij geen excuus kan vinden; dat immers het feit dat verwerende partij naderhand nog aanbiedt om rapporten van andere studenten ter inzage voor te leggen om verzoeker in staat te stellen “de juistheid ervan ook zelf te kunnen vaststellen” en vervolgens, onder verwijzing naar het nieuwe examenreglement, aan verzoeker voorstelt om “de termijn voor het indienen van een klacht [...] te stellen op vijf werkdagen na het inkijken van de bewuste rapporten”, aantoont dat verwerende partij alleszins verzoeker niet heeft willen doen geloven dat de mogelijkheid om nog een klacht te formuleren door het laten verstrijken van een termijn na de proclamatie op 12 juni 2001 onherroepelijk verloren was gegaan; dat, ten overvloede, verzoeker niet beweert, laat staan bewijst, dat hij zijn argumenten en bezwaren niet had kunnen voorleggen aan de interne beroepsprocedure; Overwegende dat hieruit volgt dat de verantwoording van verzoeker niet kan worden aangenomen, aangezien niets hem belemmerde zijn grieven aan verwerende partij kenbaar te maken; Overwegende dat aangezien verzoeker het georganiseerd administratief beroep niet heeft uitgeput, aangenomen moet worden dat hij ook niet ontvankelijk de Raad van State met een annulatieberoep kan adiëren; dat hieruit volgt dat het beroep niet ontvankelijk is, XII-3267-7/8 BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3267-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.583 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.113.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.