id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.585 Rolnummer: A. 138571/XII-3893 Zaak: Arrest 135585 - - 30/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 10:20 Fiche Arrest nr 135.585 van 30 september 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.585 van 30 september 2004 in de zaak A. 138.571/XII-
- In zake : Marie-Jeanne DESCHEPPER, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1 tegen : de HOGESCHOOL WEST-VLAANDEREN, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Jeanne Deschepper op 1 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing dd. 12 mei 2003, genomen bij hoogdringendheid door het Bestuurscollege van de Hogeschool West-Vlaanderen, waarbij besloten werd :
- Dat verzoekster onvoldoende nuttige beroepservaring heeft in de zin van art. 99 van het Hogeschooldecreet om in aanmerking te komen voor de overgangsbepalingen van art. 318 van het Hogeschooldecreet
- Dat mevrouw Annick Lambrecht en de heer Stefaan Debosschere worden aangesteld in een tijdelijke betrekking als lector aan de Hogeschool West-Vlaanderen van 1 september 1995 tot 31 december 1995”; Gelet op het arrest nr. 125.308 van 13 november 2003 waarbij de schorsing wordt bevolen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 12 mei 2003 van het bestuurscollege van de hogeschool West-Vlaanderen dat, ten eerste, Marie-Jeanne Deschepper onvoldoende beroepservaring heeft “om in aanmerking te komen voor de overgangsbepalingen van artikel 318 van het hogeschooldecreet” en, ten tweede, dat Annick Lambrecht en Stefaan Debosschere worden aangesteld in een tijdelijke betrekking als lector aan de hogeschool West-Vlaanderen, van 1 september tot 31 december 1995, evenals de uit dat besluit blijkende weigering om, ten eerste, XII-3893-1/8 de aanvraag van Marie-Jeanne Deschepper om in aanmerking te komen voor de genoemde overgangsbepalingen te beoordelen aan de hand van de criteria daartoe aangenomen door de raad van bestuur van de hogeschool op 17 oktober 1995 en, ten tweede, Marie-Jeanne Deschepper tijdelijk aan te stellen als lector van 1 september 1995 tot 31 december 1995 en, ten derde, Marie-Jeanne Deschepper niet aan te stellen op 1 januari 1996; Gezien het verzoek van de verwerende partij van 11 december 2003 tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Rogghe, die loco advocaat E. Bral verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-3893-2/8 Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 114.774, Deschepper, van 21 januari 2003 besluit tot de vernietiging van de beslissing van 6 september 1995 van de raad van bestuur van de autonome hogeschool West-Vlaanderen waarbij Annick Lambrecht en Stefaan Debosschere worden aangesteld in een tijdelijke betrekking van 1 september 1995 tot 31 december 1995 en de daaruit blijkende weigering om verzoekster die tijdelijke aanstelling te verlenen en tot de vernietiging van de weigering van de autonome hogeschool West-Vlaanderen om verzoekster aan te stellen met ingang van 1 januari 1996; dat voor het overige naar genoemd arrest mag worden verwezen voor de aan die zaak ten grondslag liggende feitelijke gegevens; Overwegende dat het bestuurscollege van de hogeschool West-Vlaanderen op 12 mei 2003 bij hoogdringendheid besluit dat verzoekster onvoldoende nuttige beroepservaring heeft, in de zin van artikel 99 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna het hogescholendecreet), om in aanmerking te komen voor de overgangsbepalingen van artikel 318 van het hogescholendecreet en dat Annick Lambrecht en Stefaan Debosschere worden aangesteld in een tijdelijke betrekking als lector aan de hogeschool, van 1 september 1995 tot 31 december 1995; Overwegende dat verzoekster aanspraak maakt op een aanstelling bij de verwerende partij op grond van artikel 318 van het hogescholendecreet, dat overgangsbepalingen bevat ten gunste van personeelsleden van de instellingen die betrokken waren bij de vorming van de hogescholen waarop het hogescholendecreet toepasselijk is; dat het geschil tussen verzoekster en de verwerende partij enkel de voor de toepassing van die overgangsbepaling vereiste “tien jaar nuttige beroepservaring” betreft; dat niet wordt betwist dat verzoekster voor het overige voldoet aan de andere in dit artikel gestelde voorwaarden vereist om te kunnen genieten van de overgangsbepaling; dat in het licht hiervan - tijdens het onderzoek van de schorsingsvordering - de partijen door het met het onderzoek van de zaak belast lid van het auditoraat werden uitgenodigd “die stukken voor te leggen waaruit onomstotelijk blijkt dat verzoekster al dan niet aan de alhier bedoelde ‘nuttige beroepservaring in functie van het hoger onderwijs’ voldoet” in de zin van het op 17 oktober 1995 door de raad van bestuur aangenomen criterium, waarbij “het onderzoek naar het voldoen aan de terzake geldende criteria enkel een verificatie XII-3893-3/8 [vergt] naar het al dan niet ‘erkend zijn van verzoeksters nuttige beroepservaring in functie van het hoger onderwijs’ en het al dan niet in aanmerking nemen ervan bij het toekennen van de geldelijke anciënniteit, (beide) op 15 januari 1994”; dat de verwerende partij noch in de schorsingsprocedure, noch nadat zij om voortzetting heeft verzocht, loonstaten of andere stukken naar voor brengt als antwoord op deze uitnodiging van het auditoraat; dat verzoekster daarentegen een reeks documenten neerlegt, waaronder haar weddefiches, welke zijn samengevat in het arrest nr. 125.308 van 13 november 2003; Over het voorwerp van het beroep. Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift preciseert voormeld besluit te betwisten “expliciet beslissende zoals voorgegeven in het dispositief van het besluit”, maar bovendien “al evenzeer de impliciete weigering om haar aan te stellen van 1 september 1995 tot 31 december 1995 en verder vanaf 1 januari 1996”; Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel schending aanvoert van de artikelen 99 en 318 van het hogescholendecreet, van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het consistentiebeginsel en het beginsel van de fair-play, voorts van het beginsel “dat elke bestuurshandeling op een materieel motief moet berusten” en van het adagium “patere legem quam ipse fecisti”; dat verzoekster in essentie toelicht dat de bestreden beslissing is voorbij gegaan aan de bij algemeen besluit van de raad van bestuur van 17 oktober 1995 aangenomen criteria voor de beoordeling van de nuttige beroepservaring, dat het hogeschoolbestuur thans niet kan “doen als zou deze algemene regeling [...] niet relevant zijn” en dat zij “voldoet aan de normen van de verwerende partij zelf”; Overwegende dat de verwerende partij repliceert ingevolge de nietigverklaring van de weigeringsbeslissing te hebben gedaan waartoe zij verplicht was, te weten zich opnieuw uitspreken over de aan verzoekster geweigerde aanstelling; dat zij betoogt thans wel aan een onderzoek en beoordeling van de aanspraken van verzoekster te zijn toegekomen, dat evenwel uit het eerdere annulatiearrest duidelijk naar voor is gekomen “dat de door de raad van bestuur op 17 oktober 1995, dus nà de betwiste beslissing vooropgestelde criteria niet meer in XII-3893-4/8 aanmerking mogen genomen worden”, dat men zich hoe dan ook dient terug te plaatsen op het ogenblik van de eerste beslissing en niet mag verwijzen naar later opgemaakte criteria; dat het volgens haar ook niet opgaat “om na kennisname van de beslissing te gaan verwijzen naar thans [door verzoekster] voor het eerst overgelegde stukken”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord opmerkt dat verwerende partij volhardt in het maken van dezelfde fouten; dat zij daarenboven opmerkt dat verwerende partij ook na de bevolen schorsing van de impliciete weigering zelf niets heeft onderzocht, zelfs niet de stukken waarmee het dossier door verzoekster is vervolledigd tijdens de schorsingsprocedure, dat er geen enkel zinnig argument wordt aangereikt om de door haar bewezen anciënniteit te verwerpen, zodat de verwerende partij niet geacht kan worden nog over een argument te beschikken; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie volhardt in de overtuiging dat met de beslissing van 17 oktober 1995 geen rekening mocht worden gehouden; dat zij bovendien stelt dat die criteria “aan kritiek onderhevig waren (zie toenmalig verslag van de auditeur : mogelijke schending van zowel de letter als de geest van de overgangsbepalingen)”; dat zij over de ten tijde van de procedure door verzoekster neergelegde stukken argumenteert dat telkenmale “uitgegaan wordt van de anciënniteit relatief aan het secundair onderwijs, hetgeen door de verzoekende partij ten andere ook expliciet erkend werd, doch hetgeen niet voldoet aan de criteria”; Overwegende dat in het arrest nr. 114.774 door de Raad van State werd overwogen dat “ten tijde van de bestreden beslissingen een stellingname ontbreekt vanwege het hogeschoolbestuur over de erkenning van de nuttige beroepservaring van verzoekster; dat het hogeschoolbestuur weliswaar naderhand [op 17 oktober 1995] criteria heeft vastgesteld, maar het ook dan niet nodig heeft gevonden om zich formeel uit te spreken over de door verzoekster naar voor gebrachte ervaring”; Overwegende dat verwerende partij ook bij het nemen van de thans bestreden beslissing op 12 mei 2003 verzuimt de algemene regeling die zij op 17 oktober 1995 heeft aangenomen, toe te passen op de situatie van verzoekster; XII-3893-5/8 Overwegende dat de verwerende partij, het schorsingsarrest ten spijt, ook nadien en tot heden nog steeds niet ertoe is gekomen om de aanvraag van verzoekster te beoordelen aan de hand van de criteria daartoe aangenomen door de raad van bestuur op 17 oktober 1995; dat zij weliswaar in de laatste memorie eensdeels de mogelijke onwettigheid van die criteria oppert en anderdeels de aanvullende stukken van verzoekster bekritiseert; dat die in een memorie geformuleerde opmerkingen evenwel niet gelijk te stellen zijn met een formele beslissing uitgaande van het orgaan, bevoegd om verzoeksters aanvraag te beoordelen; Overwegende dat de verwerende partij als reden voor dit nalaten vergeefs aanvoert daartoe niet gerechtigd te zijn omdat zij zich op het tijdstip van de oorspronkelijke beslissing dient te stellen; dat immers de bedoelde algemene regeling niet zomaar als “later opgemaakte criteria” terzijde geschoven kunnen worden, al was het maar omdat op grond van hetgeen als feitenrelaas en stellingname van partijen te lezen is in het arrest nr. 114.774 blijkt dat de verwerende partij de beslissing van 17 oktober 1995 heeft getroffen precies in het kader van de vraag van verzoekster over de erkenning van haar beroepservaring; Overwegende dat de verwerende partij eveneens vergeefs aanvoert dat zij met de door de raad van bestuur op 17 oktober 1995 aangenomen criteria geen rekening mag houden omdat ze door de Raad van State ondeugdelijk zouden zijn bevonden; dat in het arrest nr. 114.774 immers enkel is vastgesteld dat die criteria niet zijn toegepast en de Raad er dus “voor de beoordeling van de wettigheid van de [in die zaak bestreden] beslissing van 6 september 1995” geen rekening mee mocht houden, zonder over de deugdelijkheid ervan enige uitspraak te doen; dat ten overvloede mag worden vastgesteld dat ook de verwerende partij die criteria tot heden nooit ondeugdelijk heeft bevonden, nu zij ze nooit heeft ingetrokken en er in de procesvoering tot heden steeds op heeft gesteund; Overwegende dat de verwerende partij ten slotte niet kan worden gevolgd in haar overtuiging dat zij geen acht dient te slaan op informatie die verzoekster eerst na het arrest van 21 januari 2003 heeft voorgelegd aan haar of aan de Raad van State; dat immers verzoekster toentertijd te goeder trouw een formulier heeft ingevuld zoals het haar door de verwerende partij werd voorgelegd; dat, zo de oorspronkelijk door het bestuur op een voorgedrukt formulier gevraagde gegevens toch niet zouden volstaan voor een beoordeling van de aanvraag in het licht van een XII-3893-6/8 latere, door ditzelfde bestuur aangenomen regeling van 17 oktober 1995, verzoekster daarenboven van een zorgvuldig handelend bestuur mocht verwachten dat haar gevraagd zou worden dit dossier te vervolledigen; dat verzoekster mocht veronderstellen dat de verwerende partij over de nodige gegevens kon beschikken en ze zo nodig zou opvragen bij het ministerie van onderwijs; dat zulks des te meer het geval is, nu de regeling van 17 oktober 1995 op de eerste plaats aan de hand van de weddefiches te verifiëren is; dat in het licht van de gerezen betwisting omtrent de toepassing van de regeling van 17 oktober 1995 thans niet aan verzoekster kan worden verweten, aanvullende gegevens uit eigen beweging of op verzoek van het auditoraat van de Raad van State aan het dossier toe te voegen; Overwegende dat de verwerende partij ook na de bevolen schorsingen in gebreke blijft om aan te tonen waarom de algemene regeling van 17 oktober 1995 vreemd moest blijven aan verzoeksters aanvraag; dat de bestreden beslissing niettemin aan die regeling geheel voorbij gaat; dat het middel in die mate gegrond is; dat het middel ook betrokken kan worden op de bestreden aanstellingsbesluiten van Annick Lambrecht en Stefaan Debosschere, welke immers niet op grond van de aangevoerde motieven rechtsgeldig tot stand kunnen komen, in het geval verzoekster wel aanspraak kan maken op de overgangsbepaling; dat het middel ook in die mate gegrond is; dat ten slotte het middel ook betrokken kan worden op de uit de bestreden beslissingen blijkende weigeringen om verzoekster aan te stellen in de mate die aanstellingen niet kunnen worden geweigerd op grond van het onderzoek van verzoeksters anciënniteit zoals het tot nu is gevoerd, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 12 mei 2003 van het bestuurscollege van de hogeschool West-Vlaanderen dat, ten eerste, Marie-Jeanne Deschepper onvoldoende beroepservaring heeft “om in aanmerking te komen voor de overgangsbepalingen van artikel 318 van het hogeschooldecreet” en, ten tweede, dat Annick Lambrecht en Stefaan Debosschere worden aangesteld in een tijdelijke betrekking als lector aan de hogeschool West-Vlaanderen, van 1 september tot 31 december 1995, evenals de uit dat besluit blijkende weigering, ten eerste, om de aanvraag van Marie-Jeanne Deschepper om in aanmerking te komen voor de genoemde overgangsbepalingen te beoordelen aan de hand van de criteria daartoe aangenomen door de raad van bestuur van de hogeschool op 17 oktober 1995 en, ten XII-3893-7/8 tweede, om Marie-Jeanne Deschepper tijdelijk aan te stellen als lector van 1 september 1995 tot 31 december 1995 en, ten derde, om Marie-Jeanne Deschepper niet aan te stellen op 1 januari
- Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3893-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.585 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.