id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.613 Rolnummer: A. 151923/X-11903 Zaak: Arrest 135613 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-07 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-04 10:29 Fiche Arrest nr 135.613 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.613 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 151.923/X-11.
- In zake :
- André BUSSCHAERT,
- Rachel VERDUYN, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. BRONDEL, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Ter Pannestraat 1 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- Tussenkomende partij : de c.v.b.a. HET LINDENHOF, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André BUSSCHAERT en Rachel VERDUYN op 19 mei 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 10 maart 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan HET LINDENHOF de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de afbraak van een bouwvallig pand en de heropbouw van vijf sociale appartementen te De Haan, Kardinaal Mercierlaan 19, op een perceel kadastraal bekend, Sectie A, nr. 291B8; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-11.903-1/5 Gelet op de beschikking van 19 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RYELANDT die, loco Advocaat P. BRONDEL verschijnt voor verzoekers, van Advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat F. DE PRETER die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de c.v.b.a. HET LINDENHOF met een verzoekschrift van 11 juni 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de verzoekende partijen een pleitnota neerleggen, te samen met enkele overtuigingsstukken; dat dit niet is voorzien in het toepasselijke procedurereglement; dat deze nota en de bijgevoegde stukken om die reden uit de debatten worden geweerd; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11.903-2/5 Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen uiteenzetten dat ze door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een drastische vermindering van lichtinval en zonlicht aan de westelijke kant van hun bewoning (inclusief tuin en veranda) dreigen te ondergaan, alsook een verlies van uitzicht en een gevoel van ingeslotenheid waarmee ze zich geconfronteerd zullen voelen, waardoor hun woon- en leefklimaat drastisch zal verminderen; dat zij tot slot stellen dat het aangevoerde nadeel moeilijk te herstellen is; Overwegende dat de verzoekende partijen zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mogen beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dienen aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaan of dreigen te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moeten verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat de verzoekende partijen stellen dat ze eigenaars zijn van een perceel gelegen aan de Kardinaal Mercierlaan 13 te De Haan; dat evenwel blijkt dat beide verzoekende partijen wonen in Oostende; dat de verzoekende partijen, die derhalve geen bewoners zijn van het perceel waarvan ze stellen dat ze door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te X-11.903-3/5 herstellen ernstig nadeel zullen moeten ondergaan, evenwel in gebreke blijven enige concrete en precieze verduidelijking te geven omtrent dit gebruik van hun eigendom en het ernstig nadeel dat de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning aan dat gebruik dreigt te veroorzaken; dat bij gebreke aan concrete en precieze aanduidingen omtrent de aard en de omvang van het aangevoerde nadeel in hun hoofde, als eigenaars van een eigendom die ze niet bewonen, de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat het uiteengezette nadeel, mocht dit zijn aangetoond, zodanig is dat het als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; dat met ter terechtzitting gegeven aanvullende feiten en verklaringen omtrent het gebruik van het betrokken pand als tweede woonst, geen rekening kan worden gehouden; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de c.v.b.a. HET LINDENHOF in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-11.903-4/5 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2004, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-11.903-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.613 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.