id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.615 Rolnummer: A. 153984/X-11966 Zaak: Arrest 135615 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-07 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 10:29 Fiche Arrest nr 135.615 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.615 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 153.984/X-11.
- In zake :
- n.v. RUDDERSHOVE,
- Dominique PROVOOST, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. VAN BRABANT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gulden Vlieslaan 16 tegen :
- de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij Advocaat B. LEFEVER, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Manitobalaan 17,
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. RUDDERSHOVE en Dominique PROVOOST op 20 juli 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 11 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad BRUGGE waarbij aan AZ Sint Jan de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het realiseren van een kanaalwateraansluiting voor de koude-productie (watervang, pompstation, lozingsstation en bijhorend leidingwerk) (regularisatie)" te Brugge, Ruddershove 10 op een perceel kadastraal bekend Sectie M, nr. 253W; Gezien de nota Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-11.966-1/7 Gelet op de beschikking van 2 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. LANNOO die, loco Advocaat A. VAN BRABANT verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat V. VAN DE KEERE die, loco Advocaat B. LEFEVER verschijnt voor de eerste verwerende partij, en die eveneens, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-11.966-2/7 Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen uiteenzetten wat volgt : "...
- De bouwwerken verstoren het woongenot en de rust aldaar op onaanvaardbare wijze.
- De bouwwerken veroorzaken vooreerst onaanvaardbare visuele en lawaaihinder met verkeersoverlast. (*) Het plan 'pompstation' toont aan dat er voor een parkgebied onaanvaardbare esthetische hinder zal ontstaan : - er komt een betonconstructie die 37,2 cm bovengronds zal uitsteken over een zeer aanzienlijke oppervlakte (10 x 10 meter) (...); - boven de betonconstructie komt een deksel van 2,8 bij 1,6 meter; - daarboven een piramidaalvormige dakkoepel waarvan de afmetingen niet zijn vermeld; - Daarnaast komen 4 verluchtingsbuizen met uitlaten en ventilatoren, waarvan ook de hoogte niet bepaald is op plan; - De berm, het bos- en struikareaal kunnen op (die) plaats uiteraard niet hersteld worden. (*) Het plan 'watervang' toont aan dat er voor een parkgebied onaanvaardbare esthetische hinder zal ontstaan : - Het profiel van de kanaaloever wordt gewijzigd; - Boven het niveau van de straat Steenkaai komt er motor omheind door aluminiumleuningen de welke meer dan 1 meter zullen uitsteken; - Twee ducdalven worden in het kanaal opgericht. (*) Er is in de vergunde plannen voorzien in de aanleg van een onderhoudsweg (...) naar het pompstation in parkgebied, wat overlast zal veroorzaken van gaan en komen van onderhoudsmensen/onderhoudsmateriaal en wagens. Kortom een als industrieel aanvoelend complex wordt neergepoot die qua functie en qua uitzicht, met ononderbroken lawaaihinder, volledig onverenigbaar is met de actuele bestemming van parkgebied. Zeker wanneer aan de overkant van het kanaal een volwaardig natuurgebied is gesitueerd. Trouwens dat de lawaaihinder als reëel wordt aanzien, blijkt uit het advies van de dienst Leefmilieu van Stad Brugge dd. 23.03.2004 waar wordt voorgesteld als specifieke voorwaarde op te leggen dat de nodige akoestische maatregelen genomen moeten worden opdat lawaai en trillingen zich in de buurt kunnen voortplanten (...). Het kasteel is 50 meter verwijderd van de plaats van de werken (...). Er is rechtstreeks zicht op de uitgevoerde bouwwerken (...). Er is enkel een waterloop en een weide tussen het kasteel en de plaats van de werken. Het kasteeldomein kijkt uit op dit als industrieel complex aanvoelend geheel, dewelke een minimale oppervlakte zal hebben van 10 meter bij 10 meter, 37 centimeter boven het maaiveld van de Steenkaai uitstekende betonplaat met daarbovenop buizen, koepels, verlichtingspalen, ...(waarvan de plannen de hoogte niet vermelden) met daarbij een toegangsweg, ... Dit impliceert een onaanvaardbare visuele hinder en een onaanvaardbare blijvende minderwaarde, te meer het kasteeldomein lager is gelegen (+/- 2 meter onder maaiveld Steenkaai).
- De bouwwerken veroorzaken onaanvaardbare aantasting van de privacy. De bestaande toestand -vóór aanvang van de bouwwerken -bestond onder meer in de aanwezigheid van een verhoogde berm van hoogte +/- 2 meter over een lengte van 100den meters (...). Op de strook grond waar de werken worden ingeplant, staan grote bomen langs de straatkant en binnenkant (...). met talrijke heesters, kaphout en struikvegetaties (...). En de verhoogde berm en de aanwezige X-11.966-3/7 bomen/heesters/struikvegetaties verhinderden inkijk, richting kasteeldomein, vanuit de Steenkaai. Dit bosareaal en groen was gesitueerd aan de rand van de Steenkaai (= straat) en parkzone en vormde samen met de berm, een barrière om nieuwsgierigen de inkijk te beletten, de hinder van het verkeer en de openbare verlichting te beperken en minstens verhoogde zij de privacy. Ter hoogte van de plaats waar de toegangsweg komt evenals het pompstation is heraanleg van berm/bomen/heesters/struikvegetaties onmogelijk. Na uitvoering van de werken -cfr. terreinprofielen -zal het pompstation (5,17) zelfs onder het niveau van de Steenkaai (6,17) komen te liggen, terwijl voor uitvoering van de werken er een verhoogde berm met bosareaal was (...), die inkijk naar het kasteeldomein toe verhinderde! De werken resulteren derhalve in een situatie met permanente inkijk en verstoring van de privacy. Het verkeer van wagens, fietsers, voetgangers, ...op de Steenkaai zal permanent als hinderlijk worden ervaren. De bouwwerken tasten de privacy onaanvaardbaar aan en resulteren in een aanzienlijke minderwaarde voor het kasteeldomein.
- De bouwwerken veroorzaken onaanvaardbare aantasting van het ecologisch evenwicht zodat verzoekende partijen niet meer kunnen genieten van het parkgebied zoals het werd geconcipieerd bij de opmaak van de gewestplannen. De bouwwerken beïnvloeden het ecologisch evenwicht van het parkgebied op onaanvaardbare wijze: een ganse strook bos werd weggemaaid, een berm genivelleerd, ... vermits het parkgebied reeds van beperkte oppervlakte is, beïnvloeden de werken uitgevoerd een groot deel van het aangetaste parkgebied, het bereikte evenwicht in het parkgebied op onaanvaardbare wijze. Er is in de plannen niet voorzien dat de zacht glooiende berm naar de beek (midden terrein gesitueerd), die voor een fraai zicht en een unieke leefomgeving voor eenden en vogels zorgde, wordt hersteld. Verzoekende partijen zijn derhalve persoonlijk ten zeerste gegriefd door de aantasting van dit parkgebied, onmiddellijk gelegen naast hun kasteeldomein, parkgebied waarvan zij dagelijks genoten. De werken konden eenvoudig elders gesitueerd worden, zeker niet in parkgebied met minder aantasting voor de aanwezige natuur. De zorgplicht is duidelijk miskend, en een en ander komt onbegrijpelijk voor wanneer men vaststelt dat de vergunde bouwwerken eenvoudig konden gerealiseerd worden in een gebied voor gemeenschapsvoorziening, met name door de werken in haar geheel 100 meter te verplaatsen in westelijke richting (geheel binnen de zone voor gemeenschapsvoorziening). Uw raad heeft in het verleden reeds gesteld dat de flagrante miskenning van de bestemmingsvoorschriften op zich reeds bijdraagt tot het bestaan van een moeilijk te herstellen nadeel (...). In casu is de miskenning flagrant. De nadelen zijn derhalve ernstig. (...)"; Overwegende dat de verzoekende partijen één uiteenzetting geven van de feiten die, naar zij betogen, aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat wat het voldaan zijn betreft van deze tweede voorwaarde in hoofde van de eerste verzoekende partij, deze een rechtspersoon is; X-11.966-4/7 dat niet valt in te zien hoe de aangevoerde visuele hinder, geur- en geluidshinder, verkeershinder, aantasting van de privacy en het niet meer kunnen genieten van het parkgebied door haar als zodanig kan worden ervaren; dat voorts in zoverre haar nadeel zou bestaan uit een onaanvaardbare blijvende minderwaarde van het kasteeldomein ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, de eerste verzoekende partij, gelet op haar maatschappelijk doel, inzonderheid niet met concrete gegevens aantoont, minstens aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing haar werking en voortbestaan ernstig in het gedrang kan brengen; dat derhalve dit nadeel in wezen neerkomt op een financieel nadeel; dat een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is; Overwegende dat, wat de tweede verzoeker betreft, uit de goedgekeurde plannen blijkt dat de thans bestreden vergunning betrekking heeft op het realiseren van een kanaalwateraansluiting, waarvan bovengronds in beperkte mate zichtbaar zullen zijn, een nieuw te bouwen pompstation en watervang; dat blijkens de goedgekeurde plannen dit pompstation, met een oppervlakte van 9,2 op 9, 8 m, weliswaar grotendeels ondergronds wordt ingeplant doch dat het ongeveer 37 cm boven het maaiveld uitkomt; dat op de toegang tot dit station - dewelke een nuttige opening heeft van ongeveer 1,6 op 2,8 m - een puntvormige dakkoepel komt met een maximale hoogte van ongeveer 70 cm; dat ook nog in vier verluchtingsbuizen en twee toegangsdeksels wordt voorzien; dat ontsluitend vanaf de Steenkaai naar het pompstation een toegangsweg in grasdallen wordt aangelegd met een breedte van 6 m; dat in de dijk ook nog een watervang wordt gerealiseerd met bovengronds zichtbaar een aluminiumleuning; dat één van de voorwaarden waaronder de stedenbouwkundige vergunning is verleend, is het advies van de Groendienst stipt na te leven en het "reliëf met inbegrip van de aanplantingen effectief te herstellen conform het advies van de Groendienst"; dat luidens dat advies "na het rooien van struiken en hakhout bij het pompstation en langs het tracé van de leidingen (...) opnieuw streekeigen heesters en hakhout (dienen) aangeplant te worden", te kiezen uit een lijst die door de Groendienst is opgelegd; dat gelet op de hiervoor beschreven beperkte omvang en zichtbaarheid van de bovengrondse bouwwerken enerzijds en de omstandigheid dat het reliëf met inbegrip van de aanplantingen effectief dienen te worden hersteld anderzijds, het mogelijks niet geheel is uit te sluiten dat de pompconstructie toch nog enigszins zichtbaar zou kunnen zijn voor de tweede verzoeker; dat het louter zichtbaar zijn van een bouwwerk op zich evenwel geen ernstig nadeel betekent; dat de tweede verzoeker in zijn betoog niet aannemelijk maakt aan de hand van afdoende concrete en precieze gegevens dat spijts het voorgaande, het moeten uitkijken op het X-11.966-5/7 pompstation dat zoals gesteld ongeveer 37 cm uitsteekt boven het maaiveld, ook na het "herstel van het reliëf met inbegrip van de aanplantingen", te dezen een ernstig nadeel is in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat dezelfde vaststelling opgaat voor de overige door de tweede verzoeker aangevoerde nadelen betrokken op de aantasting van de privacy en de (verkeers)hinder en het niet meer kunnen genieten van het parkgebied zoals het werd geconcipieerd bij de opmaak van de gewestplannen; dat ook wat die nadelen betreft, concrete elementen ontbreken die aannemelijk maken dat gelet op de aard en de omvang van de zichtbare bouwwerken, deze ernstig zijn; dat wat de aangevoerde lawaaihinder betreft, verzoeker ter zake evenmin concrete elementen aanvoert die zulks in het licht van de aard van de vergunde werken en de opgelegde stedenbouwkundige voorwaarden aannemelijk maken; dat niet is aangetoond dat de blijvende minderwaarde van het kasteeldomein een rechtstreeks en persoonlijk nadeel is in hoofde van de tweede verzoeker - uit de overgelegde stukken blijkt immers dat de eerste verzoekende partij eigenares is van het betrokken domein - en hoogstens een financieel nadeel kan zijn waarvan niet is aangetoond dat dit moeilijk te herstellen is; dat in de mate dat de aangevoerde nadelen worden toegeschreven aan de uitvoering van de vergunde werken, deze van tijdelijke aard zijn en derhalve niet ernstig zijn in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het argument dat de ernst van de middelen op zich reeds bijdraagt tot het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, niet opgaat; dat de mogelijke "flagrante" onwettigheid van de bestreden beslissing immers geen ernstig nadeel is, maar er enkel de oorzaak van kan zijn; Overwegende dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- X-11.966-6/7 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2004, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-11.966-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.615 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.