id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.616 Rolnummer: A. 155885/X-12064 Zaak: Arrest 135616 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 10:30 Fiche Arrest nr 135.616 van 1 oktober 2004 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.616 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 155.885/X-12.
- In zake :
- Henri D'HAUWE,
- Gisela SLEEUWAGEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen :
- de stad AALST, die woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- Verzoekende partij in tussenkomst : de n.v. PRINSENHOF, die woonplaats kiest bij Advocaat P. SAEYS, kantoor houdende te 9300 AALST, Zwarte Zustersstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Henri D'HAUWE en Gisela SLEEUWAGEN op 23 september 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van de beslissing van 2 augustus 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad AALST waarbij aan de n.v. PRINSENHOF de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een gesloten meergezinswoning, op een perceel gelegen te Aalst, Asserendries 36, kadastraal bekend Sectie C, nr. 0648L02; Gezien de nota's van de verwerende partijen; X-12.064-1/5 Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaten P. FLAMEY en J. BOSQUET, die verschijnen voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. NIJS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat P. SAEYS, die verschijnt voor de verzoekende partij in tussenkomst; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. PRINSENHOF met een ter terechtzitting ingediend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussen- komen; dat zij, zoals ze ter terechtzitting bevestigt, geen afschrift van haar statuten noch een afschrift van de (eventuele) beslissing om in rechte te treden overlegt; dat zij ter terechtzitting geen reden van overmacht aangeeft waarom ze dat niet heeft kunnen doen; dat, behoudens overmacht, noch het loutere feit dat de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, noch dat in een eerdere zaak wel de beslissing voorlag, een partij vrijstelt van de verplichting te voldoen aan de bepalingen van haar statuut betreffende het in rechte treden en van te doen blijken dat het intrinsiek bevoegde orgaan heeft beslist om in rechte te treden; dat het verzoek tot tussenkomst als niet-ontvankelijk wordt afgewezen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.064-2/5 Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partij en van de eventueel tussenkomende partij tot een strikt minimum zijn herleid, de uiterst dringende noodzakelijkheid op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn; dat een verzoeker die meent een beroep te moeten doen op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid alleszins moet aantonen bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed, diligentie en alertheid te zijn opgetreden, en bovendien aan de hand van duidelijke gegevens en feiten moet aannemelijk maken dat, indien de vordering wordt ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure, de uitspraak over deze vordering onherroepelijk te laat zou komen om nog enig nuttig effect te sorteren; Overwegende dat krachtens artikel 8, tweede lid, 6 /, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting moet bevatten van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen; dat de verzoekende partijen ter zake de volgende uiteenzetting geven : "(...) In casu werd slechts na het schrijven van 18/08/2004 vanwege de raadsman van verzoekers het correcte en volledige vergunningsbesluit meegedeeld. Het eerdere schrijven vanwege de Stad Aalst gedateerd op 12/08/2004, doch door verzoekers ontvangen op 18/08/2004, bevatte immers slechts het eerdere besluit van het College van Burgemeester en Schepenen tot verwerping van de ingediende bezwaren. Na deze kennisname van het bestreden besluit uiterlijk op 19/08/2004 ontstond de uiterst dringende noodzakelijkheid niet onmiddellijk, nu de werken niet onmiddellijk werden hervat en deze werken integendeel stilgelegen hebben uiterlijk tot 21/09/
- (zie de foto’s betreffende de stilgelegde werken door de voorgaande procedure voor de Raad van State - stuk 37) Door het schorsingsarrest van 26 mei 2003 beschikte de N.V. PRINSENHOF immers niet langer over een vergunning en werd door tussenkomst van de politie PV opgesteld, waarna de werken werden stilgelegd. Na het plots hervatten van de werken op 21/09 is de uiterst dringende noodzakelijkheid onmiddellijk ingetreden en hebben verzoekers diligent, alert en met spoed gehandeld door onmiddellijk onderhavig verzoek in te dienen, met dien verstande dat de bevindingen van de gerechtsdeurwaarder en het opstellen van het verzoekschrift een minimaal tijdsverloop van twee dagen rechtvaardigen. Het indienen van het verzoek onmiddellijk na de kennisname van het bestreden besluit zou voorbarig zijn geweest, daar de vordering derhalve niet als dringend en noodzakelijk zou zijn beschouwd. Bovendien kon zolang een afwerking van X-12.064-3/5 het gebouw niet onmiddellijk in zicht was door de stilstand der werken, een gewoon schorsingsberoep nog een oplossing bieden. Na de heraanvang der werken blijkt men het gebouw snel te willen afwerken teneinde een situatie van voldongen feiten te creëren, zodoende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet door een gewoon schorsingsberoep kan worden vermeden, en zodoende de voortzetting der werken een nieuw element vormt dat niet kon worden voorzien, nu na de normale wachttermijn na de aflevering van de vergunning in eerste instantie geen aanvang werd genomen met de werken. De uiterst dringende noodzakelijkheid is dan ook pas op het ogenblik van de heraanvatting der werken totstandgekomen. (...) Het verzoekschrift wordt dus tijdig ingediend. De nadelige gevolgen zijn nu reeds aanwezig. De werken waren al aangevat onder de eerste vergunning (voor het appartementsgebouw i.c. de derde eigenlijke vergunning) en nu wordt koortsachtig verdergebouwd. (...) Met een gewoon schorsingberoep of een vernietigingsberoep kan niet nuttig worden opgekomen tegen de nadelige en onherstelbare gevolgen van het verder afwerken van de bouw (de laatste verdieping, dak, binnenafwerking, autostaanplaatsen) Enkel door een zeer snel optreden kunnen de nadelige gevolgen vermeden worden. Enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan bijgevolg het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ongedaan maken, nu een gewone schorsings- procedure te laat komt. Ter staving kan worden verwezen naar de foto’s van de bouwwerkzaamheden die binnen kort tijdsbestek kunnen worden gefinaliseerd"; Overwegende dat de verzoekende partijen zelf stellen dat ze "uiterlijk op 19/08/2004" kennis namen van de bestreden beslissing; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingesteld op 23 september 2004, hetzij 35 dagen later; dat het door de verzoekende partijen laten verstrijken van een dergelijk lange termijn vooraleer de vordering in te stellen op zich de negatie is van de uiterst dringende noodzakelijkheid die zij thans inroepen; dat het afwachten van het daadwerkelijk aanvatten op het bouwperceel van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen gegronde reden is voor het talmen bij het inleiden van de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, temeer daar een verzoeker normalerwijze bij de kennisneming van een stedenbouwkundige vergunning - die, naar hij zelf stelt, het risico inhoudt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te veroorzaken - in staat is om het risico in te schatten dat indien de vergunde bouwwerken worden opgestart, een uitspraak over een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om nog enig nuttig effect te sorteren; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat ze met de nodige diligentie zijn opgetreden; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering tot schorsing niet naar behoren is verantwoord; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende X-12.064-4/5 noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. PRINSENHOF in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgewezen. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van het verzoek tot tussenkomst in de schorsingsproce- dure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de verzoekende partij in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2004, door : de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. G. DEBERSAQUES. X-12.064-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.616 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.211 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div