id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.617 Rolnummer: A. 102273/XIV-2839 Zaak: Arrest 135617 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 10:30 Fiche Arrest nr 135.617 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.617 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 102.273/XIV-2839. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIONSO, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, Uyttenhovestraat 33 bus 2 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 14 oktober 1964 en van XXX nationaliteit, op 24 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen van 22 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-2839-1/7 Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. HAYFRON-BENJAMIN, die loco Advocaat C. DIONSO verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 2 maart 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.2. Op 15 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 22 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 27 september 2000 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Bellen. Betrokkene, XXX staatsburger, verliet op 25 februari 2000 haar land. In het gezelschap van haar schoonbroer S. I. (O.V. ***) reisde zij richting België, waar zij op 2 maart 2000 de status van vluchteling aanvroeg. Betrokkene verklaarde sinds 1998 lid te zijn van “H. partij”. Op 31 maart 1999 nam betrokkene met haar schoonbroer I. deel aan een meeting ter ere van (
- de)zestigste verjaardag van ex-president G.. De politie wilde echter deze demonstratie verhinder(d)e(
- n)en pakte betrokkene, haar schoonbroer en nog enkele andere personen, op. Na enkele uren werden ze door de politie vrijgelaten. Op 6 juni 1999 nam (deed) betrokkene, te samen met haar schoonbroer I. en diens vrouw A., opnieuw mee naar (aan) een meeting. Deze keer was hun protest gericht tegen de XXX regering. Maar weer werden ze gearresteerd door de politie en werden ze voor enkele uren opgesloten. Op 19 juni 1999 nam ze, tesamen met haar schoonbroer en diens vrouw, deel aan een hongerstaking. Tijdens deze hongerstaking werd er een verklaring opgesteld waarin stond dat in XXX de mensenrechten worden geschonden. Op 29 september 1999 kwam betrokkenes schoonvader melden dat haar kind en het kind van haar schoonbroer verdwenen waren. Hierop gingen ze naar het politiebureau XIV-2839-2/7 “M.”, maar de politie kon hen niet vertellen waar hun kinderen waren. De volgende dag, 30 september 1999, vernamen ze dat hun kinderen opgesloten zaten in dit politiebureau. Hierop gingen ze terug naar dit politiebureau. Er ontstond een gevecht, maar uiteindelijk heeft de politie hun kinderen vrijgelaten. Volgens betrokkene was de kidnapping van hun kinderen een waarschuwing van de politie. Daarna namen ze terug deel aan de hongerstaking. Op 20 november 1999 viel de speciale brigade op hardhandige wijze binnen in het huis waar deze hongerstaking werd gehouden. Betrokkene en haar schoonzus A. werden, nadat ze door agenten van de brigade in elkaar waren geslagen, overgebracht naar het ziekenhuis. A. overleed nog dezelfde dag aan haar opgelopen verwondingen en betrokkene moest een week in het ziekenhuis verzorgt(
- d)worden. Midden december 1999 doorzocht de politie betrokkenes woonplaats. Op 31 december 1999 werd betrokkenes schoonbroer I. en haar broer K. dan door de politie gearresteerd. Ze werden één maand vastgehouden omdat de politie hen verdacht (van) wapensmokkel. Na hun vrijlating besloot betrokkene met haar schoonbroer het land te verlaten. Betrokkene legde tijdens haar interview geen enkel document neer. Vooreerst kan getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van betrokkenes vluchtrelaas door volgende elementen. Ten eerste verklaarde betrokkene tijdens haar interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat zij en haar schoonbroer op 6 of 7 juni 1999 deelnam(
- en)aan een meeting. Maar de speciale afdeling van de politie dreef deze meeting uiteen. Ze werden in auto’s geduwd en buiten de stad gebracht. Daar werden ze dan zeer hard geslagen en uitgescholden (DVZ, p. 13). Terwijl betrokkene in haar dringend beroep beweerde dat ze na de arrestatie in een politiecel werd gestopt. In deze cel werd ze dan geslagen door de agenten (CGVS, p. 4-5). Ten tweede ondermijnen een groot aantal tegenstrijdigheden tussen betrokkenes verklaringen en deze van haar schoonbroer S. I., inzake andere aangehaalde problemen, de geloofwaardigheid van haar vluchtrelaas. Wat de hongerstaking betreft, verklaarde betrokkene in haar dringend beroep dat ze vanaf de eerste dag van de hongersta- king, 19 juni 1999, meedeed (CGVS, p. 5). Betrokkenes schoonbroer Iura beweerde dat ze pas vanaf 7 juli 1999 deelnam aan de hongerstaking (DVZ, p. 13 en CGVS 2, p. 2). Wat de ontvoering van hun kinderen betreft, verklaarde betrokkene in haar dringend beroep dat ze op 29 september 1999 naar het politiebureau “M.” gingen, de politie wist echter niet waar hun kinderen waren. De volgende dag, 30 september 1999, vernamen ze dat hun kinderen vastzaten op dat politiebureau. Betrokkene ging daarop tesamen met haar schoonbroer, diens vrouw en een vijftiental vrienden van haar schoonbroer, naar het politiebureau. Er ontstond een gevecht met de politie, maar uiteindelijk werden hun kinderen vrijgelaten (CGVS, p. 5-6). Terwijl betrokkenes schoonbroer in zijn dringend beroep stelde dat ze op 29 september 1999 naar de politie gingen, maar deze wist niet waar hun kinderen waren. Nog dezelfde dag, 29 september 1999, nadat hij vernomen had dat de kinderen op dit politiebureau werden vastgehouden, ging hij tesamen met zijn schoonbroer naar de politie. Er ontstond een gevecht met de politie maar uiteindelijk werden hun kinderen vrijgelaten (CGVS 2, p. 3). Wat de opsluiting van betrokkenes broer K. en haar schoonbroer I. betreft, verklaarde betrokkene in haar dringend beroep dat ze beiden één maand, van 31 december 1999 tot 31 januari 2000, werden vastgehouden door de politie (CGVS, p. 8). Betrokkenes schoonbroer beweerde daarentegen dat enkel hij één maand werd vastgehouden door de politie. Zijn schoonbroer K. werd zeker nog tot hun vertrek, 25 februari 2000, vastgehouden (CGVS 2, p. 4-5 en DVZ, p. 14). Er dient nog te worden opgemerkt dat inzake de asielaanvraag van betrokkenes schoonbroer I., die zich grotendeels op dezelfde feiten baseert, op basis van de bedrieglijke aard van zijn verklaringen een negatieve beslissing werd genomen. Door al deze bovenstaande elementen is het niet langer mogelijk nog enige geloofswaarde te hechten aan betrokkenes asielrelaas. Gezien bovenstaande kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin (van
- de)Vluchtelingenconventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 15 juni 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid. XIV-2839-3/7 2.1. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift niet zou voldoen aan de bepalingen van artikel 3, 1/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat verzoekster zowel in haar verzoekschrift tot schorsing als in haar verzoekschrift tot nietigverklaring haar adres duidelijk vermeldt, zodat de exceptie feitelijke grondslag mist en wordt verworpen; 2.2. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken een tweede exceptie afleidt uit de schending van artikel 3, 6/, van voormeld koninklijk besluit volgens hetwelk het verzoekschrift de taal dient te vermelden die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald; dat de Advocaat van verzoekster in een brief van 13 april 2001 aan de Raad van State meedeelt dat zijn cliënte voor de Nederlandse taal kiest, zodat de exceptie wordt verworpen; 2.3. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn nota aanvoert dat er “op het eerste (ge)zicht (...) meer dan 30 dagen verstreken (zijn) tussen de bestreden beslissing en de inleiding van de vordering”; dat de exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis wordt verworpen, aangezien de bestreden beslissing naar de verzoekende partij werd verstuurd op donderdag 22 februari 2001; dat derhalve moet worden aangenomen dat de effectieve kennisgeving is gebeurd op vrijdag 23 februari 2001, zodat de termijn van 30 dagen voor het instellen van de beroepen een aanvang nam op zaterdag 24 februari 2001; dat de aangetekende verzoekschriften werden ingediend op 24 maart 2001, zijnde binnen de wettelijke termijn om de verzoekschriften in te dienen; dat de door de Minister van Binnenlandse Zaken opgeworpen exceptie derhalve wordt verworpen; 3. Over de gegrondheid. 3.1. Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij hieraan toevoegt dat er sprake is van machtsoverschrijding en van een beoordelingsfout; 3.1.1. Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekster niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit haar middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoekster bijgevolg XIV-2839-4/7 de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.1.2. Overwegende dat verzoekster niet verduidelijkt waarom zij machtsover- schrijding inroept, zodat dit onderdeel van het enig middel niet ontvankelijk is; 3.2. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals zijn of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker, geput uit de gegevens van het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat zij een tegenstrijdige verklaring aflegde met betrekking tot de plaats waar zij door de politie werd heengebracht na de manifestatie in juni 1999, omdat de Commissaris- generaal een groot aantal tegenstrijdigheden heeft vastgesteld tussen verzoeksters verklaringen en die van haar schoonbroer, de heer I. S., inzake andere problemen, die de geloofwaardigheid van haar vluchtrelaas fundamenteel ondermijnen; dat de Commissaris-generaal verder opmerkt dat inzake de asielaanvraag van verzoeksters schoonbroer I. S., die zich grotendeels op dezelfde feiten baseert, eveneens een bevestigende beslissing werd genomen op grond van bedrieglijkheid; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal, die betrekking hebben op de plaats waar zij door de politie werd heengebracht na de manifestatie in juni 1999, elkaar aanvullen; dat uit het administratief dossier evenwel blijkt dat verzoekster op het Commissariaat-generaal verklaarde dat zij op 6 juni 1999 na de meeting samen met haar schoonbroer en -zus werd gearresteerd door de politie, naar het politiebureau gebracht en in een cel werd opgesloten, waar zij geslagen werden (verhoorverslag CGVS, p. 4 en 5); dat zij op de Dienst Vreemdeling- enzaken beweerde dat zij in auto’s en minibusjes werden geduwd en buiten de stad gebracht, waar zij werden geslagen en achtergelaten (verhoorverslag DVZ, vraag 42); dat verzoeksters argument dat beide versies elkaar aanvullen, niet overtuigt; dat uit het administratief dossier XIV-2839-5/7 blijkt dat de Commissaris-generaal dit terecht beschouwde als een tegenstrijdigheid; dat verzoekster dit motief niet weerlegt; 3.2.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat haar relaas en dat van haar schoonbroer over de datum van de hongerstaking niet tegenstrijdig is, aangezien zij de hongerstaking op 19 juni 1999 mee heeft georganiseerd maar er pas effectief aan deelnam (door te vasten) vanaf 7 juli 1999; dat uit haar verklaringen op het Commissariaat-generaal evenwel blijkt dat er op 19 juni 1999 een hongerstaking was van een dertigtal personen, waaraan verzoekster, haar schoonbroer en -zus deelnamen; dat haar uitdrukkelijk werd gevraagd of zij vanaf 19 juni 1999 meedeed aan de staking, waarop zij bevestigend antwoordde (verhoorverslag CGVS, p. 5); dat verzoeksters argumentatie dat zij pas vanaf 7 juli 1999 effectief deelnam, niet aannemelijk is; dat zij niet aantoont dat het motief van de Commissaris-generaal berust op een appreciatiefout; 3.2.3. Overwegende dat verzoekster, wat de datum van ontvoering van de kinderen betreft, aanvoert dat zij zich niet heeft tegengesproken wat het verloop van deze gebeurtenissen betreft en dat de kinderen wel degelijk werden bevrijd na de confrontatie tussen haar familieleden en de politie; dat zij stelt dat de Commissaris-generaal uit het verschil van datum in haar verklaringen en die van haar schoonbroer, niet de ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas kan afleiden; dat uit het middel evenwel blijkt dat verzoekster bevestigt dat de verklaringen van haar en haar schoonbroer niet overeenstemmen wat de datum van de bevrijding van de kinderen betreft; dat de bestreden beslissing overigens niet enkel steunt op dit motief, maar dat een geheel van motieven de Commissaris-generaal ertoe heeft gebracht te besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag; dat de Commissaris- generaal bovendien in de bestreden beslissing niet overweegt dat verzoekster zich heeft tegengesproken wat het verloop van de gebeurtenissen betreft; dat hij wel tegenstrijdigheden vaststelt tussen haar verklaringen en die van haar schoonbroer; dat verzoekster er niet in slaagt de desbetreffende conclusies van de Commissaris-generaal te weerleggen; 3.2.4. Overwegende dat verzoekster ten slotte aanvoert dat zij steeds heeft benadrukt dat haar broer K. en haar schoonbroer een maand gevangen zaten, zonder de juiste datum van vrijlating te kennen; dat zij stelt dat “de inlichtingen omtrent een langer verblijf in de gevangenis van K. niet van nature zijn het verhaal van verzoekster te verdraaien”; dat verzoeksters argumentatie evenwel niet van aard is om het motief van de bestreden beslissing te ontkrachten; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij verklaarde dat haar broer en schoonbroer één maand werden vastgehouden en op 31 januari 2000 (verhoorverslag CGVS, p. 8) vrijkwamen; dat zij het motief van de bestreden beslissing minimaliseert, maar niet weerlegt; 3.3. Overwegende dat de bestreden beslissing op correcte wijze is genomen en afdoende is gemotiveerd; dat zij naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde XIV-2839-6/7 overwegingen bevat die de beslissing deugdelijk motiveert; dat de Commissaris-generaal geen appreciatiefout heeft begaan; dat het enig middel ongegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één oktober 2004 tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-2839-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div