id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.618 Rolnummer: A. 112292/XIV-7135 Zaak: Arrest 135618 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 10:31 Fiche Arrest nr 135.618 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.618 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 112.292/XIV-7135 In zake : XXX, XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. DE GROOTE, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 december 1976, en XXX, geboren op 10 mei 1977, beiden van XXX nationaliteit, op 30 oktober 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 oktober 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 september 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 10 oktober 2001; Gelet op het arrest nr. 110.098 van 9 september 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-7135-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat G. DE GROOTE verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-Adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 27 augustus 2001 en verklaren zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
- Op 3 september 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 10 oktober 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd : “(...) Volgens uw verklaring op het Commissariaat-generaal hebt u XXX verlaten omwille van etnische redenen. U verklaart XXX staatsburger en van K. origine te zijn. Op 3 juni 2001 werd u samen met uw echtgenote, XXX (OV 5.125.570), op straat lastig gevallen door een groep jonge XXX. Jullie werden beledigd omwille van jullie origine en vervolgens geslagen. U verloor het bewustzijn en ontwaakte pas in het hospitaal. U werd gedurende twee weken behandeld. Ook uw echtgenote moest medisch behandeld worden omwille van de mishandeling op 3 juni
- Zij had ten gevolge van de slagen een miskraam. Na uw ontslag uit het ziekenhuis hebt u eind juni / begin juli 2001 klacht ingediend bij de lokale politie. De politie heeft uw schriftelijke verklaring aanvaard maar raadde u niettemin aan geen officiële klacht in te dienen. Als u het toch wilde doen dreigden ze u te beschuldigen van drugsbezit of een ander misdrijf. U hebt bijgevolg geen officiële klacht ingediend. Niet lang daarna XIV-7135-2/6 kwamen de agressors van 3 juni 2001 u ’s nachts bedreigen om uw schriftelijke verklaring bij de politie in te trekken en definitief het land te verlaten. U hebt een tiental keer getracht uw schriftelijke verklaring en paspoort terug te krijgen van de politie, maar men hield u steeds aan het lijntje. Uit vrees voor nieuwe problemen bent u midden juli 2001 ondergedoken bij een oom in een ander stadsdeel van T. Daar besliste u om het land te verlaten. Na twee weken bent u dan naar uw schoonmoeder gegaan en hebt u uw vlucht geregeld. Op 20 augustus 2001 hebt u XXX verlaten. Op 27 augustus 2001 heeft u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw geboorteakte, militair boekje, rijbewijs, huwelijksakte, een medisch attest met betrekking tot uw opname in het ziekenhuis, en verschillende publieke documenten met betrekking tot algemene informatie over XXX. Er dient vastgesteld dat de door u aangehaalde problemen slechts betrekking hebben op één groep jongeren die u twee maal hebben lastig gevallen. U klaagt ook het gebrek aan bescherming aan vanwege de lokale politie. Er is echter geen sprake van een systematische vervolging door verschillende personen of autoriteiten. Met betrekking tot het door u aangehaalde gebrek aan bescherming zijn er geen aanwijzingen dat dit is ingegeven door één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. U hebt ook niet getracht bescherming te zoeken bij andere autoriteiten van uw land. U hebt met andere woorden niet alle rechtsmiddelen in uw land aangewend. Bovendien dient vastgesteld dat u voordien nooit enig ernstig probleem hebt gekend en dat andere openbare instellingen als het ziekenhuis en de school nooit aanleiding hebben gegeven tot problemen (zie Commissariaat-generaal, p. 8). Gelet op het feit dat het probleem zich situeert met (bij) één groep lokale jongeren kan ook gesteld worden (dat) u elders in XXX vestigingsalternatieven had. Op grond van deze elementen kan dan ook geen sprake zijn van een vermoeden van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Uw subjectieve en objectie vrees voor vervolging als etnisch K. (zie Commissariaat- generaal p. 8) wordt verder ondermijnd door informatie beschikbaar op het Commissariaat- generaal. Deze bronnen maken ofwel geen melding van enig probleem of ontkennen dat er sprake is van systematische discriminatie, laat staan vervolging, ten opzichte van personen van K. origine in XXX (CEDOCA, 26/06/2001, Research en bijkomende informatie in verband met situatie K. in XXX). Bijgevolg kan er in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. Uw documenten wijzigen voorgaande conclusie niet. Uw geboorteakte, militair boekje, rijbewijs, huwelijksakte, en medisch attest betreffen persoonsgegevens en uw opname in het ziekenhuis. Deze elementen staan echter niet ter discussie. De publieke documenten met betrekking tot algemene informatie over hebben geen betrekking op uw persoonlijke situatie. (...)”. De bevestigende beslissing met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd: “(...) Volgens uw verklaring op het Commissariaat-generaal hebt u XXX verlaten omwille van etnische redenen. U verklaart staatsburger en van K. origine te zijn. Op 3 juni 2001 werd u samen met uw echtgenoot, XXX (OV 5.125.570), op straat lastig gevallen door een groep jonge XXX. Jullie werden beledigd omwille van jullie origine en vervolgens geslagen. Uw echtgenoot werd met zware verwondingen naar het hospitaal gebracht. U diende enkele dagen later eveneens te worden gehospitaliseerd omwille van bloedingen met een miskraam tot gevolg. U verbleef in het ziekenhuis tot 21 juni
- Enkele dagen later heeft uw echtgenoot een officiële klacht willen indienen. Hij werd echter geïntimideerd en heeft enkel een schriftelijke verklaring ingediend. Niet lang daarna kwamen de agressors van 3 juni 2001 u ’s nachts bedreigen om uw schriftelijke verklaring bij de politie in te trekken en definitief het land te verlaten. Uw echtgenoot heeft een tiental keer getracht de schriftelijke verklaring en jullie paspoorten terug te krijgen van de politie, maar men hield hem steeds aan het lijntje. Uit vrees voor nieuwe problemen bent u midden juli 2001 ondergedoken bij een oom in een ander stadsdeel van T. Na twee weken bent u dan naar uw moeder gegaan en hebt u uw vlucht geregeld. Op 20 augustus 2001 hebt u XXX verlaten. Op 27 augustus 2001 heeft u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw geboorteakte, studentenkaart, en twee medische attesten met betrekking tot uw miskraam en opname in het ziekenhuis in juni
- Uit uw asielrelaas blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op de problemen aangebracht door uw echtgenoot, XXX. Aangezien voor het door hem ingediend dringend beroep omwille van het kennelijk ongegrond karakter van zijn asielrelaas, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen, dient derhalve ook voor u een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te worden genomen. Uw documenten wijzigen voorgaande conclusie niet. Uw identiteit en medische problemen staan immers niet ter discussie. (...)”. XIV-7135-3/6
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord een nieuw middel ontwikkelen, met name schending van het evenredigheidsbeginsel; dat dit nieuw middel niet ontvankelijk is, omdat het kon worden aangevoerd in de verzoekschriften en het de openbare orde niet raakt; Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van de motiveringsplicht, vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte besluit dat verzoekers hun land niet hebben verlaten wegens een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissingen steunt op de vaststelling dat de problemen van verzoekers betrekking hebben op één groep jongeren die hen twee maal heeft lastig gevallen, en het gebrek aan bescherming vanwege de lokale politie; dat verzoekers met betrekking tot deze problemen geen gegevens hebben aangebracht die wijzen op een vervolging door verschillende personen of autoriteiten, dat er geen aanwijzingen zijn dat de problemen zijn ingegeven door één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat ze niet hebben getracht om bescherming te zoeken bij andere autoriteiten van hun land, en dat ze niet alle rechtsmiddelen in hun land hebben uitgeput; dat zij voordien nooit enig ernstig probleem hebben gekend en dat er bij andere openbare instellingen zoals het ziekenhuis en de school nooit aanleiding was tot problemen; dat zij elders in XXX vestigingsalternatieven hadden; dat de vrees voor vervolging als etnische K. wordt ondermijnd door informatie van het Commissariaat-generaal, die geen melding maakt van enig probleem en ontkent dat er sprake is van systematische discriminatie van personen van K. origine in XXX; XIV-7135-4/6 Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal een beoordelingsfout heeft begaan wanneer hij stelt dat hun problemen van louter lokale aard zijn en enkel problemen betreffen tussen een groep jongeren en verzoekers; dat hij geen rekening heeft gehouden met hun K. afkomst en evenmin met het feit dat ze Christen zijn, waardoor ze door de lokale Moslimbevolking worden lastiggevallen en geen gehoor krijgen bij de lokale politie; Overwegende dat verzoekers geen gegevens aanbrengen die erop wijzen dat zij wel degelijk een gegronde vrees dienen te hebben in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat er geen elementen voorhanden zijn die wijzen op een vervolging door verschillende personen of autoriteiten; dat zij niet alle rechtsmiddelen in hun land hebben uitgeput; dat zij voordien nooit enig ernstig probleem hebben gekend; dat contacten met andere openbare instellingen zoals ziekenhuis of school nooit aanleiding hebben gegeven tot problemen; dat zij elders vestigingsalternatieven hadden; dat informatie van het Commissariaat-generaal geen melding maakt van systematische discriminatie of vervolging van personen van K. origine in XXX; dat de ingediende documenten en de medische attesten niets wijzigen aan voorgaande conclusie; dat de Commissaris-generaal op grond van voormelde motieven terecht tot de bestreden beslissingen kon komen; Overwegende dat de beslissing van de Commissaris-generaal gebaseerd is op terzake dienende, pertinente en draagkrachtige motieven; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel aanvoeren dat als volgt luidt: “Schending van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, art. 5, hetgeen vooropstelt dat eenieder moet kunnen genieten van een recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Dit recht kan niet worden gegarandeerd bij uitvoering van de thans aangevochten beslissing(en) dd. 10/10/2001.”; Overwegende dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Administratie van de Raad van State het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissingen werd geschonden; Overwegende dat verzoekers niet aangeven op welke wijze voornoemde bepaling door de bestreden beslissingen wordt geschonden; dat bijgevolg de uiteenzetting van verzoekers geen middel bevat zoals bedoeld in voormeld artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van XIV-7135-5/6 de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Administratie van de Raad van State; dat het tweede middel bijgevolg onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één oktober 2004 tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7135-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div