← België

Arrest 135619 - - 01/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.619 Rolnummer: A. 151549/XIV-19526 Zaak: Arrest 135619 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 10:31 Fiche Arrest nr 135.619 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.619 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 151.549/XIV-19.526 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 april 1953 en van XXX nationaliteit, op 28 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 2 april 2004; Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. GOVAERTS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.526-1/8 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 18 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikel 2, 4/. 1.2. Op 5 juni 2003 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.3. Op 21 januari 2004 heeft de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Gelet op de beschikking van 30 april 2003 van de Vice-Eerste-Voorzitter van de Commissie, mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige Kamer op de zitting van 5 juni 2003. Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bij (hij) bijgestaan door zijn raadsman mr. Kris Govaerts, advocaat te Sint-Truiden en verzoeker kon worden gehoord met de bijstand van een tolk. Het ingediende verzoek werd mondeling behandeld in overeenstemming met artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 17 juli 2002 en waarin te lezen was dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en met een negatief advies voor beslissing werd overgemaakt aan de Minister in overeenstemming met artikel 12 § 1 van de Wet van 22 december 1999. Overeenkomstig datzelfde artikel 12 § 1 beschikte de verzoekende partij over een termijn van drie dagen vanaf de tussenkomst van de lokale politie bedoeld in de voornoemde artikelen om zijn (haar) standpunt per aangetekend schrijven aan de Minister uiteen te zetten. De politie van S. meldde dat ze zich herhaaldelijk hadden aangeboden in augustus 2001 om dat advies te overhandigen maar ze konden verzoeker nooit aantreffen. Dit was ook nog tweemaal het geval in september 2001. Toen gaf verzoeker evenmin gevolg aan twee uitnodigingen om zich bij de politie aan te bieden die tenslotte het negatieve advies in zijn brievenbus deponeerde op 7 september 2001. Op 31 augustus 2001 werd door advocaat Kris Govaerts uit Sint-Truiden bij aangetekend schrijven aan de Minister gemeld dat er na lezing van het negatieve advies eigenlijk louter twijfel bestond over het bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen en dat dit onvoldoende was om direct te beslissen tot een negatief advies maar verder werd aan dit schrijven geen enkel bijkomend stuk toegevoegd om te overtuigen. Dat advies hield dan reeds rekening met de bijkomende stukken die via het stadsbestuur van S. op 25 januari 2000 toegevoegd waren aan de aanvraag. In augustus 2001 had verzoeker dan nog reeds bijkomend anderhalf jaar de tijd gehad om nog andere bijkomende stukken te verzamelen en om deze aan het dossier van zijn aanvraag toe te voegen. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenza- ken met het nummer 4.288.698 en in welk dossier de gegevens werden genoteerd die aan de overheid bekend geraakten over een aanwezigheid van de betrokken vreemdeling in het Rijk XIV-19.526-2/8 zodat die gegevens ook bekend waren aan de verzoekende partij op wie ze betrekking hebben en waarover ter zitting ook tegensprekelijk werd gehandeld. Verzoeker had op 22 juni 1993 verklaard dat hij vluchteling was, het Rijk op dezelfde dag was binnengekomen en dit had kunnen doen zonder in het bezit te zijn van enig identiteitsdo- cument. Er volgde op 25 augustus 1993 een beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Toen had hij wel laten noteren dat hij gehuwd was met G. en één kind had, D., toen zeventien jaar oud. Hij verklaarde toen met een vals paspoort te hebben gereisd. Er volgde een beroep waarop de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 30 december 1993 een bevestigende beslissing nam (CG/93120288/23D/S93-11467/J) van weigering van verblijf. Hij stipte in die beslissing aan dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk was en uitte de mening dat de betrokken vreemdeling in de toenmalige omstandigheden mocht worden teruggeleid. Door de Dienst Printak van de Dienst Vreemdelingenzaken werd er op 6 april 1994 vastgesteld dat de vingerafdrukken van XXX overeenstemden met deze van V. In december 1994 was er aan de Ambassadeur van XXX in België gevraagd om voor XXX, geboren op 24 april 1953 te L., de nodige documenten te bezorgen voor zijn terugkeer naar XXX. Daarna is er geen verder gegeven meer terug te vinden over betrokkene die dus sindsdien onbekend bleef voor de Belgische overheden. De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Zowel voor woonplaatskeuze als feitelijke verblijfplaats gaf hij hierbij het adres T.weg 143 te T. op en vermeldde dat hij ongehuwd was. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van e(e)n beslissing over de ontvankelijk- heid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Het asieldossier van betrokkene werd op geen enkel ogenblik ontvankelijk verklaard zodat hij na zijn verklaring vluchteling te zijn nooit een wettig verblijf in België heeft bekomen. In het dossier van verzoeker bevindt zich een schrijven uitgaande van de Federale Politie van de Gerechtelijke Dienst van het arrondissement Hasselt waarin werd medegedeeld dat het regularisatiedossier van betrokkene terug aan de Commissie werd overgemaakt en waardoor dit eindelijk voor behandeling ervan kon worden opgeroepen. Het dossier van verzoeker had, zoals het werd ingediend, aanleiding gegeven tot een strafinformatie waarvan de resultaten nog onbekend zijn aan de Commissie. Uit dat dossier werden ondertussen evenwel stukken verwijderd waarvan evenwel een kopij werd gemaakt voor het regularisatiedossier en met daarop de vermelding ‘ne varietur’ en dit heeft dan betrekking op het op 17/01/2000 gedateerde Getuigschrift van Gekendheid uitgaande van Gurdwara Sangat Sahib Belgium en een Getuigschrift van gekendheid op 17/01/2000 ondertekend door Peter Van Lindt als woordvoerder van Gurdwara. Het is nuttig hierbij te vermelden dat er, uit de databank over verenigingen zonder winstoogmerk van de Federale Overheidsdienst voor Justitie, gebleken is dat de vroegste publicatie in het Belgisch Staatsblad over de vzw Gurdwara Sangat Sahib Belgium slechts dateert van 13 april 2000 terwijl het aangetroffen getuigschrift van vóór deze datum dateert. Peter Van Lindt, die optreedt als woordvoerder van Gurdwara, is niet terug te vinden in de Raad van Bestuur ervan maar wel in de Raad van Beheer van Gastvrij S., en zijn opgegeven adres B.laan 12 te H. blijkt het adres te zijn van de bvba Grewal & CO. Hierdoor lijkt het dan ook verantwoord te zijn dat er een ernstig gerechtelijk onderzoek zou worden gevoerd over deze stukken waarvan de geloofwaardigheid dus niet kan vaststaan. Ter zitting legt verzoeker kopij neer van de bladzijden 2 en 3 van een paspoort met nummer P.391.987 maar die niet helemaal leesbaar zijn tenzij dat daarop vermeld staat dat hij gedomicilieerd was in XXX. Verzoeker deed op 22 april 2003 in de politiezone T. aangifte van het verlies van zijn XXX paspoort. Bij gebrek aan mogelijkheid van inzage van het ganse paspoort kon de Commissie dus niet nagaan voor welke periode dit geldig werd verklaard noch welk officieel gebruik er sinds de aflevering ervan was gemaakt. Verzoeker gaf ook geen verklaring voor het feit dat hij tot april 2003 wel in het bezit was van een XXX paspoort nadat hij eerder tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken zijn verklaring had ondertekend dat hij geen identiteitsdocument in bezit had wanneer hij zich hier vluchteling had verklaard. Ter zitting werd beloofd zo snel mogelijk informatie te bezorgen over het nieuwe bij de XXX Ambassade aangevraagde paspoort maar gezien die informatie nadien aan de Commissie niet werd verstrekt moet dit bijna tot de veronderstelling leiden dat XIV-19.526-3/8 er gekozen werd voor het achterhouden van die informatie. Het feit dat verzoeker wel een i betalingsbewijs van 32 kan voorleggen afgeleverd door de XXX Ambassade, S.weg 217 te B. (E.), gedateerd op 18-06-2003 lijkt in die zin te wijzen. Voor het bestaan van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen, of de aanwezigheid van humanitaire redenen die in zijnen hoofde bestonden, voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, dit kon door de Commissie niet voldoende worden waargenomen zomin als dat er bijvoorbeeld reeds kon worden vastgesteld dat ook verzoeker reeds overtuigd geraakte van de Belgische opvatting over een volledige gelijkheid tussen man en vrouw als één der hoekstenen van die maatschappij. Hij vermeldt ook niet dat hij met zijn echtgenote nog contacten heeft onderhouden, hetgeen hij wel voorhoudt in XXX te hebben, per telefoon, met zijn 22-jarige dochter en aangenomen kind van ongeveer zestien jaar oud. Verzoeker bezorgt evenwel na de behandeling ter zitting nog wel een kopij van het XXX identiteitsbewijs van zijn echtgenote en van zijn dochter waaruit dus moet besloten worden dat hij die stukken niet kon verkrijgen zonder nog met hen in contact te zijn getreden. Na december 1994 en dit tot het indienen van zijn verzoek tot regularisatie kan er geen enkel spoor ontdekt worden van een verblijf van betrokkene in dit land. Zonder enig toetsbaar element mag er met dergelijke aanwezigheid dan ook geen rekening worden gehouden zodat er mag worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het hier indienen van zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf niet geloofwaardig heeft kunnen maken. De Raad van State heeft in zijn arrest 109.965 van 2 september 2002 in de zaak A.117.019/VII-25.865 tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, een zeer strikte interpretatie gegeven. Onder de motivatie van dat arrest is o.m. het volgende te lezen: "Overwegende dat uit de samenlezing van de artikelen 2,4/ en 9,9/ van voormelde wet van 22 december 1999 blijkt dat de vreemdeling die duurzame sociale bindingen doet gelden, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in art. 9,9/; dat verzoeker hier niet aan heeft voldaan; dat (

  1. in)het advies van de Commissie voor regularisatie en derhalve ook (
  2. in)de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken derhalve afdoende worden gesteund door het motief dat 'de door de wetgever vereiste termijn niet wordt gehaald'; dat van een schending van de motiveringsplicht derhalve geen sprake kan zijn." Dit betekent ook dat geen enkele rekening mag worden gehouden met de periode die sinds het indienen van het verzoek tot regularisatie bijkomend verlopen is. In dit geval is het verder ook zo dat verzoeker verantwoordelijk was voor het dossier dat hij indiende en dus ook voor het feit dat dit aanleiding gaf tot een strafrechterlijk onderzoek waardoor er noodgedwongen vertraging ontstond bij de behandeling van zijn verzoek en het is vanzelfsprekend dat dergelijke vertraging op geen andere wijze ten gunste van verzoeker zou mogen geïnterpre- teerd worden. En wat voor het te beoordelen verzoek nog erger is, is het feit dat verzoeker zelfs de twijfel niet kon doen verdwijnen over zijn effectief verblijven (verblijf) in dit land op 1 oktober 1999, hetgeen betekent dat er door verzoeker niet tegemoet gekomen wordt aan essentiële vereisten. Het bestaan van duurzame sociale bindingen of de aanwezigheid van humanitaire reden(
  3. en)voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, kon evenmin worden waargenomen, het lijkt er eerder op dat verzoeker in een apartheid met eigen landgenoten is blijven leven. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden, hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij, zoniet zou er mogelijkheid bestaat (bestaan) dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen, in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Verzoeker bezorgde nog een niet gedateerd attest van de vzw Cemuvo-De Zevende Wereld waarin vermeld staat dat verzoeker hen wel contacteerde om een cursus Nederlands te volgen maar dit niet effectief deed omwille van gezondheidsredenen. Er wordt ook aan de band (hand) van stukken aangetoond dat verzoeker in het voorjaar van 2003 medische verzorging nodig had waarvoor het OCMW van S. besliste tussen te komen gezien dergelijke steunverlening terugvorderbaar was van de hogere overheid. Verzoeker, over wie ook niets ongunstig bekend is aan de Commissie, toont aan dat hij sinds het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie op een echt heel beperkte wijze deel heeft uitgemaakt van het normale officiële arbeidscircuit in dit land maar zich ook niet liet inschrijven bij de VDAB voor het volgen van een of andere herscholingscursus. Na een voorgehouden aanwezigheid van tien jaar in dit land kent verzoeker nog geen Nederlands, of een andere officiële taal van dit land, en deze vaststelling is van aard nog meer te (doen) twijfelen over een aanwezigheid in dit land zoals hijzelf graag wil doen geloven. Het gebrek aan kennis van enige Belgische landstaal is zeker geen uiting van een wil tot een echte integratie in dit land zodat die dus zelfs nog steeds ontbreekt. Het feit dat Belgische fruittelers XIV-19.526-4/8 hem in de loop der voorbije jaren gebruikten als arbeidskracht, -want verzoeker zou in de fruitpluk hebben gewerkt- kan niet echt als een element van integratie in deze Belgische maatschappij worden geïnterpreteerd. Maar als een gebruiken van verzoeker als waarschijnlijk ook een goedkope arbeidskracht. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000. OM DEZE REDENEN brengt de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, na onderzoek op tegenspraak, een negatief advies uit betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf van XXX. (...)”. 1.4. Op 2 maart 2004 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de thans bestreden beslissing. 2. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel machtsoverschrijding aanvoert, evenals de schending van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), de schending van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de bestreden beslissing de bewijskracht miskent van de stukken die de aanwezigheid van verzoeker in het Rijk moeten aantonen; dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd op het vlak van de duurzame sociale bindingen omdat verzoeker in de fruitteelt heeft gewerkt en Nederlands heeft geleerd; dat de Minister niet met kennis van zaken heeft geoordeeld omdat er geen onderzoek werd gevoerd naar aanleiding van de betichting van valsheid van bepaalde stukken en dat dit een schending uitmaakt van het beginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet welke artikelen van de Vreemdelingenwet en van de Regularisatiewet hij geschonden acht, en evenmin hoe de bestreden beslissing deze wetten zou schenden; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij zijn onafgebroken verblijf in België van meer dan zes jaar heeft trachten aan te tonen door attesten waarvan de valsheid niet is bewezen en de bewijskracht bijgevolg wordt miskend; XIV-19.526-5/8 Overwegende dat het advies van de Commissie voor Regularisatie, waarvan de overwegingen worden onderschreven en overgenomen door de Minister van Binnenlandse Zaken, melding maakt van volgende stukken: - het dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken inzake de asielaanvraag van verzoeker op 22 juni 1993, afgesloten op 30 december 1993 met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; - een stuk van de Dienst Printak van de Dienst Vreemdelingenzaken van 6 april 1994 waarin wordt vastgesteld dat de vingerafdrukken van verzoeker overeenstemmen met deze van V.; - een vraag daterend van december 1994 aan de Ambassade van XXX in België om voor verzoeker de nodige documenten op te maken voor zijn terugkeer naar XXX; - een “getuigschrift van gekendheid” van 17 januari 2000 van “Gurdwara Sangat Sahib Belgium”; - een “getuigschrift van gekendheid” van 17 januari 2000 ondertekend door Peter Van Lindt als woordvoerder van Gurdwara; - een kopie van twee bladzijden uit een paspoort met nummer P.391.987 waarin vermeld staat dat verzoeker gedomicilieerd was in XXX; - een betalingsbewijs van 32 euro afgeleverd door de XXX Ambassade van België op 18 juni 2003; - een kopie van het XXX identiteitsbewijs van verzoekers echtgenote en van zijn dochter; - een niet gedateerd attest van de “V.Z.W. CEMUVO - DE ZEVENDE WERELD” waarin vermeld staat dat verzoeker deze V.Z.W. heeft gecontacteerd om een cursus Nederlands te volgen maar dit niet heeft gedaan omwille van gezondheidsredenen; - stukken die betrekking hebben op de medische verzorging van verzoeker in 2003 en waarvoor het O.C.M.W. van S. is tussengekomen; Overwegende dat de Commissie voor Regularisatie, en bijgevolg ook de Minister, vaststelt dat uit deze stukken blijkt dat “na december 1994 en dit tot het indienen van zijn verzoek tot regularisatie (...) er geen enkel spoor (kan) ontdekt worden van een verblijf van betrokkene in dit land”; dat uit de opsomming van de stukken blijkt dat de Commissie voor Regularisatie en de Minister op goede gronden tot deze vaststelling zijn gekomen; dat verzoeker geen stukken heeft ingediend die wijzen op een langdurig verblijf in België op het moment van het indienen van zijn regularisatieaanvraag; dat de opmerking dat van bepaalde stukken de valsheid niet is bewezen bijgevolg niet relevant is; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat duurzame sociale bindingen werden aangetoond omdat hij in de fruitteelt heeft gewerkt en Nederlands heeft geleerd; Overwegende dat desbetreffend in het advies van de Commissie voor Regularisatie, waarvan de Minister de overwegingen onderschrijft en als de zijne overneemt, wordt overwogen: “Verzoeker bezorgde nog een niet gedateerd attest van de “VZW CEMUVO-DE ZEVENDE WERELD” waarin vermeld staat dat verzoeker hen wel XIV-19.526-6/8 contacteerde om een cursus Nederlands te volgen maar dit niet effectief deed omwille van gezondheidsredenen” en “na een voorgehouden aanwezigheid van tien jaar in dit land kent verzoeker nog geen Nederlands, of een andere officiële taal van dit land” en “het feit dat Belgische fruittelers hem in de loop der voorbije jaren gebruikten als arbeidskracht -want verzoeker zou in de fruitpluk hebben gewerkt- kan niet echt als een element van integratie in deze Belgische maatschappij worden geïnterpreteerd. Maar als een gebruiken van verzoeker als waarschijnlijk ook een goedkope arbeidskracht.”; dat hieruit volgt dat de Commissie en de Minister op goede gronden hebben beslist dat verzoeker geen duurzame sociale bindingen heeft aangetoond; Overwegende dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de Minister niet heeft nagegaan welk gevolg er werd gegeven aan de betichting wegens valsheid; dat hij bijgevolg over onvoldoende elementen beschikte om met kennis van zaken te kunnen oordelen; Overwegende dat uit het advies van de Commissie voor Regularisatie blijkt dat het dossier van verzoeker aanleiding heeft gegeven tot “een strafinformatie waarvan de resultaten nog onbekend zijn aan de Commissie” en dat vaststaat dat de eerste publicatie in het Belgisch Staatsblad betreffende de “V.Z.W. GURDWARA SANGAT SAHIB BELGIUM” dateert van 13 april 2000, terwijl het getuigschrift van gekendheid uitgaande van voornoemde V.Z.W. dateert van 17 januari 2000, wat er op wijst dat dit getuigschrift werd opgesteld vóór 13 april 2000 en dat de Commissie meent dat het verantwoord is dat een ernstig gerechtelijk onderzoek zou worden gevoerd naar deze stukken; dat de Commissie voor Regularisatie, en in navolging de Minister, ook zonder de resultaten van een dergelijk onderzoek af te wachten, over voldoende gegevens beschikten inzake de regularisatieaanvraag van verzoeker, zoals blijkt uit wat voorafgaat; dat de Commissie en de Minister met kennis van zaken een advies en beslissing hebben genomen; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-19.526-7/8 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad uitgesproken in openbare terechtzitting, op één oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.526-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.