id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.619 Rolnummer: A. 151549/XIV-19526 Zaak: Arrest 135619 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 10:31 Fiche Arrest nr 135.619 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.619 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 151.549/XIV-19.526 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 april 1953 en van XXX nationaliteit, op 28 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 2 april 2004; Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. GOVAERTS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.526-1/8 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 18 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikel 2, 4/. 1.2. Op 5 juni 2003 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.3. Op 21 januari 2004 heeft de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Gelet op de beschikking van 30 april 2003 van de Vice-Eerste-Voorzitter van de Commissie, mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige Kamer op de zitting van 5 juni 2003. Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bij (hij) bijgestaan door zijn raadsman mr. Kris Govaerts, advocaat te Sint-Truiden en verzoeker kon worden gehoord met de bijstand van een tolk. Het ingediende verzoek werd mondeling behandeld in overeenstemming met artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 17 juli 2002 en waarin te lezen was dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en met een negatief advies voor beslissing werd overgemaakt aan de Minister in overeenstemming met artikel 12 § 1 van de Wet van 22 december 1999. Overeenkomstig datzelfde artikel 12 § 1 beschikte de verzoekende partij over een termijn van drie dagen vanaf de tussenkomst van de lokale politie bedoeld in de voornoemde artikelen om zijn (haar) standpunt per aangetekend schrijven aan de Minister uiteen te zetten. De politie van S. meldde dat ze zich herhaaldelijk hadden aangeboden in augustus 2001 om dat advies te overhandigen maar ze konden verzoeker nooit aantreffen. Dit was ook nog tweemaal het geval in september 2001. Toen gaf verzoeker evenmin gevolg aan twee uitnodigingen om zich bij de politie aan te bieden die tenslotte het negatieve advies in zijn brievenbus deponeerde op 7 september 2001. Op 31 augustus 2001 werd door advocaat Kris Govaerts uit Sint-Truiden bij aangetekend schrijven aan de Minister gemeld dat er na lezing van het negatieve advies eigenlijk louter twijfel bestond over het bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen en dat dit onvoldoende was om direct te beslissen tot een negatief advies maar verder werd aan dit schrijven geen enkel bijkomend stuk toegevoegd om te overtuigen. Dat advies hield dan reeds rekening met de bijkomende stukken die via het stadsbestuur van S. op 25 januari 2000 toegevoegd waren aan de aanvraag. In augustus 2001 had verzoeker dan nog reeds bijkomend anderhalf jaar de tijd gehad om nog andere bijkomende stukken te verzamelen en om deze aan het dossier van zijn aanvraag toe te voegen. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenza- ken met het nummer 4.288.698 en in welk dossier de gegevens werden genoteerd die aan de overheid bekend geraakten over een aanwezigheid van de betrokken vreemdeling in het Rijk XIV-19.526-2/8 zodat die gegevens ook bekend waren aan de verzoekende partij op wie ze betrekking hebben en waarover ter zitting ook tegensprekelijk werd gehandeld. Verzoeker had op 22 juni 1993 verklaard dat hij vluchteling was, het Rijk op dezelfde dag was binnengekomen en dit had kunnen doen zonder in het bezit te zijn van enig identiteitsdo- cument. Er volgde op 25 augustus 1993 een beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Toen had hij wel laten noteren dat hij gehuwd was met G. en één kind had, D., toen zeventien jaar oud. Hij verklaarde toen met een vals paspoort te hebben gereisd. Er volgde een beroep waarop de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 30 december 1993 een bevestigende beslissing nam (CG/93120288/23D/S93-11467/J) van weigering van verblijf. Hij stipte in die beslissing aan dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk was en uitte de mening dat de betrokken vreemdeling in de toenmalige omstandigheden mocht worden teruggeleid. Door de Dienst Printak van de Dienst Vreemdelingenzaken werd er op 6 april 1994 vastgesteld dat de vingerafdrukken van XXX overeenstemden met deze van V. In december 1994 was er aan de Ambassadeur van XXX in België gevraagd om voor XXX, geboren op 24 april 1953 te L., de nodige documenten te bezorgen voor zijn terugkeer naar XXX. Daarna is er geen verder gegeven meer terug te vinden over betrokkene die dus sindsdien onbekend bleef voor de Belgische overheden. De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Zowel voor woonplaatskeuze als feitelijke verblijfplaats gaf hij hierbij het adres T.weg 143 te T. op en vermeldde dat hij ongehuwd was. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van e(e)n beslissing over de ontvankelijk- heid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Het asieldossier van betrokkene werd op geen enkel ogenblik ontvankelijk verklaard zodat hij na zijn verklaring vluchteling te zijn nooit een wettig verblijf in België heeft bekomen. In het dossier van verzoeker bevindt zich een schrijven uitgaande van de Federale Politie van de Gerechtelijke Dienst van het arrondissement Hasselt waarin werd medegedeeld dat het regularisatiedossier van betrokkene terug aan de Commissie werd overgemaakt en waardoor dit eindelijk voor behandeling ervan kon worden opgeroepen. Het dossier van verzoeker had, zoals het werd ingediend, aanleiding gegeven tot een strafinformatie waarvan de resultaten nog onbekend zijn aan de Commissie. Uit dat dossier werden ondertussen evenwel stukken verwijderd waarvan evenwel een kopij werd gemaakt voor het regularisatiedossier en met daarop de vermelding ‘ne varietur’ en dit heeft dan betrekking op het op 17/01/2000 gedateerde Getuigschrift van Gekendheid uitgaande van Gurdwara Sangat Sahib Belgium en een Getuigschrift van gekendheid op 17/01/2000 ondertekend door Peter Van Lindt als woordvoerder van Gurdwara. Het is nuttig hierbij te vermelden dat er, uit de databank over verenigingen zonder winstoogmerk van de Federale Overheidsdienst voor Justitie, gebleken is dat de vroegste publicatie in het Belgisch Staatsblad over de vzw Gurdwara Sangat Sahib Belgium slechts dateert van 13 april 2000 terwijl het aangetroffen getuigschrift van vóór deze datum dateert. Peter Van Lindt, die optreedt als woordvoerder van Gurdwara, is niet terug te vinden in de Raad van Bestuur ervan maar wel in de Raad van Beheer van Gastvrij S., en zijn opgegeven adres B.laan 12 te H. blijkt het adres te zijn van de bvba Grewal & CO. Hierdoor lijkt het dan ook verantwoord te zijn dat er een ernstig gerechtelijk onderzoek zou worden gevoerd over deze stukken waarvan de geloofwaardigheid dus niet kan vaststaan. Ter zitting legt verzoeker kopij neer van de bladzijden 2 en 3 van een paspoort met nummer P.391.987 maar die niet helemaal leesbaar zijn tenzij dat daarop vermeld staat dat hij gedomicilieerd was in XXX. Verzoeker deed op 22 april 2003 in de politiezone T. aangifte van het verlies van zijn XXX paspoort. Bij gebrek aan mogelijkheid van inzage van het ganse paspoort kon de Commissie dus niet nagaan voor welke periode dit geldig werd verklaard noch welk officieel gebruik er sinds de aflevering ervan was gemaakt. Verzoeker gaf ook geen verklaring voor het feit dat hij tot april 2003 wel in het bezit was van een XXX paspoort nadat hij eerder tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken zijn verklaring had ondertekend dat hij geen identiteitsdocument in bezit had wanneer hij zich hier vluchteling had verklaard. Ter zitting werd beloofd zo snel mogelijk informatie te bezorgen over het nieuwe bij de XXX Ambassade aangevraagde paspoort maar gezien die informatie nadien aan de Commissie niet werd verstrekt moet dit bijna tot de veronderstelling leiden dat XIV-19.526-3/8 er gekozen werd voor het achterhouden van die informatie. Het feit dat verzoeker wel een i betalingsbewijs van 32 kan voorleggen afgeleverd door de XXX Ambassade, S.weg 217 te B. (E.), gedateerd op 18-06-2003 lijkt in die zin te wijzen. Voor het bestaan van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen, of de aanwezigheid van humanitaire redenen die in zijnen hoofde bestonden, voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, dit kon door de Commissie niet voldoende worden waargenomen zomin als dat er bijvoorbeeld reeds kon worden vastgesteld dat ook verzoeker reeds overtuigd geraakte van de Belgische opvatting over een volledige gelijkheid tussen man en vrouw als één der hoekstenen van die maatschappij. Hij vermeldt ook niet dat hij met zijn echtgenote nog contacten heeft onderhouden, hetgeen hij wel voorhoudt in XXX te hebben, per telefoon, met zijn 22-jarige dochter en aangenomen kind van ongeveer zestien jaar oud. Verzoeker bezorgt evenwel na de behandeling ter zitting nog wel een kopij van het XXX identiteitsbewijs van zijn echtgenote en van zijn dochter waaruit dus moet besloten worden dat hij die stukken niet kon verkrijgen zonder nog met hen in contact te zijn getreden. Na december 1994 en dit tot het indienen van zijn verzoek tot regularisatie kan er geen enkel spoor ontdekt worden van een verblijf van betrokkene in dit land. Zonder enig toetsbaar element mag er met dergelijke aanwezigheid dan ook geen rekening worden gehouden zodat er mag worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het hier indienen van zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf niet geloofwaardig heeft kunnen maken. De Raad van State heeft in zijn arrest 109.965 van 2 september 2002 in de zaak A.117.019/VII-25.865 tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, een zeer strikte interpretatie gegeven. Onder de motivatie van dat arrest is o.m. het volgende te lezen: "Overwegende dat uit de samenlezing van de artikelen 2,4/ en 9,9/ van voormelde wet van 22 december 1999 blijkt dat de vreemdeling die duurzame sociale bindingen doet gelden, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in art. 9,9/; dat verzoeker hier niet aan heeft voldaan; dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.