id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.621 Rolnummer: A. 133667/XIV-14041 Zaak: Arrest 135621 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-04 10:31 Fiche Arrest nr 135.621 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.621 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 133.667/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX , van Sierraleoonse nationaliteit, op 3 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.041-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE BELL, die loco advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 3 oktober 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 9 december 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 30 januari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U beweerde de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten, tot de mandinka-etnie te behoren en uit Keno (wellicht Kono) afkomstig te zijn. U verbleef met uw ouders, XXX en XXX , en uw broer, XXX , in uw dorp, Toro, dat u omschrijft als een dorp in Keno. Uw vader werkte in het woud als houthakker. Uw moeder legde u uit dat uw vader op een dag op een schuilplaats van de rebellen (waarvan u de algemene groepsnaam niet kent) was gestoten. De rebellen hadden uw vader gewaarschuwd zich niet meer naar die plaats te begeven. Uw vader luisterde echter niet en ging toch terug. Uw moeder bracht hem eten in het woud en vond hem dood. Ze vermoedde dat hij door de rebellen was omgebracht vermits hij door hen was gewaarschuwd. U nam het werk over van uw vader en u verkocht eveneens brandhout. In 1992 vielen de rebellen Keno aan tijdens uw afwezigheid. U was net met uw moeder en uw broer brandhout gaan halen in het woud. In 1994 vielen de rebellen Kondia (wellicht Koïdu) aan, een naburig dorp, waarna de rebellen weer het woud introkken. In 1999 vielen de rebellen Yengema aan, vervolgens vielen ze Keno aan. U was in het woud om brandhout op te halen. U kwam terug in het dorp en ontmoette er een oudere dame, Fatou Demba, die u vertelde dat de rebellen alle jonge mensen hadden meegenomen. Zij vertelde u dat de armen van uw broer waren afgehakt. U vond uw broer terug in uw dorp. Hij overleed aan de pijn. U had geen nieuws over uw moeder. U verkocht verder brandhout. Op een niet nader door u bepaalde datum in 2001 besloot u uw land van herkomst te verlaten, omdat u er geen familie meer had en u besloot uw vrijheid op te zoeken. U liep door het woud en na drie dagen ontmoette u een kleine familie in een voor u onbekend dorp. U verbleef bij hen gedurende één tot twee maanden. U kon het niet meer aan na een tijd en u besloot weg te gaan. U stapte meer dan twee weken door het bos. U ontmoette een voor u onbekende heer aan de grens, die u met een wagen naar Conakry (Guinee) bracht. U kreeg aan de haven eten van de lokale bevolking. U vond er werk, maar u vond het heel te zwaar. U wenste West-Afrika te verlaten, omdat er geen vrijheid is in uw land en er rebellen aanwezig zijn, waartegen geen bescherming mogelijk is van de politie. U ging op een voor u onbekende datum in 2001 aan boord van een schip, dat na enkele dagen in Dakar (Senegal) aanmeerde. U ontmoette er een Senegalese heer, Doudou, in de haven, aan wie u uw problemen relateerde. Doudou besloot u mee te nemen naar zijn woonplaats in Binjona (Casamance). U verbleef enkele dagen bij hem, vervolgens begon u voor de rebellen van de ‘MFDS’ (waarvan u de betekenis niet kent) op een plantage te werken. Na ongeveer zes maanden vroeg de eigenaar van de plantage, Sanyan, u om de rebellen van de MFDS te vervoegen, hetgeen u weigerde. U besloot Senegal te verlaten. U ging in Binjona aan boord van een schip, dat na een korte reis aanmeerde in Dakar. U ontmoette er een militair, Aplai, die u een schip, dat na een korte reis aanmeerde in Dakar. U ontmoette er een militair, Aplai, die u eten gaf. U wilde niet in Dakar verblijven, omwille van de aanwezigheid van de rebellen in de Casamance. Na twee dagen ging u aan boord van een containerschip. Het schip verliet de haven van Dakar op een voor u onbekende datum en kwam na ongeveer twee weken in België aan. U vroeg op 3 oktober 2002 asiel aan in België. XIV-14.041-2/8 Vooreerst bestaan er ernstige twijfels omtrent uw vermeende Sierraleoonse nationaliteit. Zo blijkt uit het verhoor voor het commissariaat-generaal (hierna CG) dat u geen antwoord kan geven op een aantal elementaire vragen met betrekking tot de dag dagelijkse realiteit en de geopolitieke, linguïstische en etnische specificiteit van Sierra Leone, en uw woon- en verblijfplaats, Toro (Keno (wellicht Kono)) in het bijzonder. Op de vraag van het commissariaat-generaal in welk district Keno is gesitueerd, antwoordt u dat het de ‘tweede grootste stad van Sierra Leone’ betreft (CG, p. 4). Wanneer u vervolgens opnieuw door het commissariaat-generaal dezelfde vraag wordt gesteld, antwoordt u dit niet te weten, omdat u nooit naar school bent geweest (CG, p. 4). Overigens is het in licht van deze verklaring dan toch wel hoogst bedenkelijk dat u voor het commissariaat-generaal kan specifiëren dat Keno ‘de tweede grootste stad van Sierra Leone’ is (CG, p. 4). U kent tijdens het verhoor in dringend beroep - met uitzondering van Yengema, Kondiu (wellicht Koïdu) en Penduma - geen andere namen van dorpen of steden in de onmiddellijke omgeving van Keno (CG, p. 4). U specificeert nog in dit verband dat u in een klein dorp van Keno, Toro, woonde, maar u kan geen enkele naam van een dorp in de onmiddellijke omgeving van Toro verstrekken (CG, p. 4). U kan tijdens het verhoor voor het commissariaat-generaal niet preciseren in welk ‘chiefdom’ (traditionele onderverdeling) Toro is gelegen (CG, p. 5). Op de vraag wie de traditionele ‘chief’ is van Toro, antwoordt u merkwaardigerwijs dat de ‘chiefs’ alleen in de grote steden voorkomen (CG, p. 5), terwijl redelijkerwijze in een sterk traditionele cultuur het omgekeerde zou worden verwacht. Wanneer u vervolgens door het commissariaat-generaal wordt gevraagd of er een traditionele ‘chief’ is in Keno, bevestigt u dit, maar stelt u hem niet te kennen (CG, p. 5). U kent verder geen enkele naam van een Sierraleoonse rivier (CG, p. 5). Verder - en niet in het minst - beweert u voor het commissariaat-generaal totaal in strijd met de werkelijkheid dat Igbo en Hausa in Sierra Leone voorkomende etnische groepen zouden zijn (CG,p. 5). Uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt immers dat de Igbo en de Hausa typische etnische groepen voor Nigeria zijn. U kent overigens voor het commissariaat-generaal - buiten het Aku, het Susu en het Mandinka - geen andere in Sierra Leone voorkomende talen (CG, p. 5), alhoewel uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat er ongeveer drieëntwintig levende talen in Sierra Leone worden gesproken. U kent voor het commissariaat-generaal - met uitzondering van Freetown en Keno - geen andere grote steden in Sierra Leone (CG, p. 6). U kan tijdens het verhoor in dringend beroep geen enkele naam verschaffen van een in Sierra Leone voorkomend gebergte (CG, p. 6). Op de vraag van het commissariaat-generaal of u weet tot welke etnische groep president Kabbah behoort, stelt u (onterecht overigens) te vermoeden dat hij tot de Aku- etnie behoort (CG, p. 6) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U kan verder de naam van de politieke partij waartoe de Sierraleoonse president behoort niet verschaffen (CG, p. 7). U blijkt nog nooit van het populaire Sierraleoonse vervoermiddel, “poda-poda’, te hebben gehoord (CG, p. 7). Ook omtrent de algemene groepsnaam van de rebellen in Sierra Leone, tast u volledig in het duister (CG, p. 7). Zelfs wanneer u door het commissariaat- generaal het letterwoord ‘RUF’ wordt voorgelegd, kan u hieromtrent niet de minste verduidelijking verstrekken (CG, p. 8), alhoewel het hier om de rebellenbeweging gaat die gedurende tien jaar strijd leverde in Sierra Leone (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Voorgaande vaststelling is hoogst merkwaardig, aangezien u blijkbaar wel in staat was de naam van de rebellengroep in de Casamance, de MFDS (wellicht de MFDC), te reproduceren (CG, p. 17). De verklaring van uw raadsman, Meester Lamoot, dat u nooit direct werd geconfronteerd met de rebellen in Sierra Leone en er waarschijnlijk nooit over werd gesproken in uw dorp (CG, p. 23a), komt weinig overtuigend over, gezien de lange periode dat de rebellen van het RUF Sierra Leone in haar wurggreep hielden en uw familie het slachtoffer zou zijn geworden van de rebellenbeweging. U kan verder geen enkele naam verschaffen van een bekende Sierraleoonse artiest of muzikant (CG, p. 7). Op de vraag van het commissariaat-generaal naar de naam van het nationale Sierraleoonse elftal, blijft u het antwoordt schuldig en stelt u verkeerdelijk dat Sierra Leone door de oorlog over geen team meer zou beschikken (CG, p. 8) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U kan zelfs tijdens het verhoor in dringend beroep niet preciseren of er in Sierra Leone nog steeds een oorlog wordt gevoerd, omdat u er niet bent momenteel (CG,p. 8), hetgeen een weinig afdoende uitleg is, vermits er toch redelijkerwijze van een onderdaan van een land in (burger)- oorlog zou worden verwacht dat hij de situatie op de voet zou volgen. Verder blijkt u nog nooit van de ‘Kamajors’ of de ‘Tamaboro’ te hebben gehoord en ook de ‘Poro’ zijn u onbekend (CG, p. 8). Wanneer u door het commissariaat-generaal naar enige uitleg omtrent Johnny Paul Koromah wordt gevraagd, beweert u niet zeker te zijn, maar te vermoeden (onterecht overigens) dat dit de eerste president van het land zou zijn geweest (CG, p. 9) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U blijkt er geen idee van te hebben waar de diamantrijke gebieden in Sierra Leone zijn gesitueerd (CG, p. 10) en u kan de naam of de ligging van de internationale luchthaven van Sierra Leone niet verstrekken (CG, p. 9). Wanneer u door het commissariaat-generaal de naam (van de districten) Koinadugu of Port Loko wordt voorgelegd, kan u hieromtrent niet de minste verduidelijking geven (CG, p. 21). XIV-14.041-3/8 Daarenboven - en niet in het minst - beweert u tijdens het verhoor in dringend beroep het Krio of het Aku (een dialect van het Krio) niet machtig te zijn (CG, p. 6 en 9). Uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt nochtans dat de Krio-taal de omgangstaal (lingue franca) bij uitstek is in Sierra Leone, die door de leden van alle in Sierra Leone voorkomende groepen wordt gesproken, op voorwaarde dat ze er - zoals u overigens beweert voor het commissariaat-generaal (CG, p 1 en 2) - geboren en getogen te zijn. U beweert voor het commissariaat-generaal louter het Engels te beheersen, terwijl het Engels de officiële taal is in Sierra Leone, die op school wordt onderwezen en dus niet door alle Sierraleoners wordt gesproken. In het licht hiervan is het des te merkwaardiger dat u, als ongeschoolde (CG, p. 2), een school onderwezen taal (het Engels) spreekt, maar de omgangstaal (het Krio) niet blijkt te beheersen. U beweert verder nog voor het commissariaat-generaal het Mandinka machtig te zijn en een beetje Wolof te spreken, terwijl uit de informatie waarover het commissariaat- generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat het Wolof alleszins geen taal is die typisch is voor Sierra Leone en dat het Mandinka (of het Mandingo) in meerdere West-Afrikaanse landen (onder andere in Senegal en Gambia) wordt gesproken. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt duidelijk dat u de Belgische autoriteiten tracht te misleiden door uw ware nationaliteit te verhullen. Bijgevolg kan er in het geheel geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen voor de diverse Belgische asielinstanties en komt (de motieven voor) uw asielaanvraag volkomen op de helling te staan. In het algemeen kan nog worden opgemerkt dat door uzelf, uw raadsman, Meester Lamoot, en uw begeleider, Joachim Beuckels, herhaaldelijk ingeroepen ongeschooldheid en geïsoleerd bestaan in een dorp (onder meer CG 4, 5, 6 en 22) geen afdoende verklaringen zijn om uw gebrek aan elementaire kennis over uw vermeende land van herkomst te verantwoorden. Er mag redelijkerwijze van u worden verwacht dat u enige toelichting kan geven bij een aantal basisgegevens over uw verblijfplaats (Keno) en uw land van oorsprong, zodat uw nationaliteit kan worden vastgesteld. Bovendien, zelfs indien uw verklaringen omtrent uw Sierraleoonse nationaliteit aan de werkelijkheid zouden beantwoorden (quod non), dan nog kan worden benadrukt dat u omtrent de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten een aantal vage en incoherente verklaringen heeft afgelegd voor de diverse Belgische asielinstanties (dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ) verhoor dd. 5 december 2002) en commissariaat-generaal). Omtrent de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten in Sierra Leone, kunnen volgende bedenkingen worden gemaakt. Zo verklaart u tijdens het verhoor in dringend beroep gedurende één tot twee maanden bij een familie in een dorp te hebben verbleven, maar kan u de naam van dit dorp niet verstrekken (CG, p. 13, 14). U kan evenmin voor het commissariaat-generaal enige namen van dorpen in de onmiddellijke omgeving van dit voor u onbekende dorp verstrekken (CG, p. 14). U beweert tijdens het verhoor in dringend beroep na één tot twee maanden verblijf in het voor u onbekende dorp te zijn weggegaan en na meer dan twee weken lopen door het woud een heer te hebben ontmoet, die u naar Conakry bracht (CG, p. 14). Op de vraag van het commissariaat-generaal welke dorpen u passeerde gedurende die twee weken, stelt u wel degelijk dorpen te hebben gepasseerd, maar u kan van geen enkel dorp de naam verstrekken (CG, p. 14). Overigens kan u voor het commissariaat-generaal evenmin verduidelijken welke dorpen u passeerde op weg naar Conakry en hoelang u van ‘een plaats aan de grens’ naar Conakry hebt gereden (CG, p. 14 en 15). Omtrent de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten in Senegal, kunnen volgende vaststellingen worden gedaan. U verklaart tijdens het verhoor in dringend beroep dat u aanvankelijk voor de rebellen in de Casamance werkte, maar dat u na ongeveer zes maanden problemen met hen kreeg, doordat ze u wilden rekruteren (CG, p. 17), terwijl u dit essentiële feit dat u noodzaakte om Senegal te verlaten in het geheel onvermeld liet voor de dienst Vreemdelingenzaken. Uw eventuele verklaring, met name dat u voor de dienst vreemdelingenzaken alleen over uw problemen vertelde in uw land van herkomst, is weinig overtuigend, aangezien uit uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat u toch uw ervaringen in Senegal gedetailleerd uit de doeken deed (DVZ, punt 42), maar hierbij onvermeld liet dat u door de rebellen van de MFDS werd gevraagd hen te vervoegen. Overigens is het merkwaardig dat u tijdens het verhoor in dringend beroep verzekert gedurende een zekere periode voor de rebellen in Binjona te hebben gewerkt, maar u kan geen enkele naam van een dorp in de onmiddellijke omgeving van Binjona verstrekken (CG, p. 18). Ook uw verklaringen voor het commissariaat-generaal omtrent uw reisweg vanuit Senegal naar België zijn weinig overtuigend. Immers, u kan slechts weinig tot geen details verstrekken omtrent de bootreis (datum van vertrek en aankomst, haven van aankomst, duur van de reis, tussenhaven(s)) en het schip (naam, vlag), waarmee u naar België zou zijn gevaren (CG, 20). Bovendien stemt uw verklaring voor de dienst Vreemdelingenzaken (verhoor dd. 5 december 2002) (punt 4) en voor het commissariaat-generaal (CG, p. 1) te zijn geboren in 1986, niet overeen met de werkelijkheid. Uit een radiologisch onderzoek, uitgevoerd door een arts van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (dd 17 oktober 2002) blijkt immers dat uw (skelet)leeftijd op minstens negentien jaar of ouder kan worden geschat. XIV-14.041-4/8 U blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat de controle van uw reisweg en ware identiteit (en nationaliteit) mogelijk zou kunnen maken. Tot slot brengen uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep en uw ‘motivering dringend beroep’ (dd 20 december 2002) geen andere elementen naar voor die vermogen de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd 29.11.2001 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken dd. 8.10.
- In de motivering stelt de heer commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dat er twijfels is omtrent de nationaliteit van mijn verzoeker. Vooreerst is het zo dat uit het verhoor voor het commissariaat-generaal blijkt dat men volledig geen rekening houdt met de specifieke toestand van mijn verzoeker. ZO bestond het interview van mijn verzoeker voor 85 % uit vragen omtrent de kennis van zijn land. Mijn verzoeker, alsook Meester Ilse Lamoot en de begeleider van het opvangcentrum Westende (AMA-werking) hebben herhaaldelijk gewezen op een aantal specifieke elementen die kunnen verklaren waarom mijn verzoeker een zeer primaire kennis van zijn land heeft. Vooreerst leefde mijn verzoeker in een zeer afgelegen dorp waarbij er weinig tot geen contact was, met de andere dorpen of steden. Door de aanhoudende gevechten en moeilijkheden was dit trouwens nagenoeg onmogelijk. Vervolgens is mijn verzoeker van de Madinka-etnie, die een kleine verspreide etnische groepering is, die verschilt van de meerderheid in Sierra Leone. Zo spreken ze een andere taal (geen Krio of Aku), maar het Madinka. Ze leven ook wat afgesloten van de andere Sierraleoonse bevolking (zie nota’s mr. Lamoot). Vervolgens werd er herhaaldelijk op gewezen dat mijn verzoeker niet de minste schoolse opleiding gekregen heeft. Bovendien was hij door het werk, houthakker in het bos, vaak geïsoleerd van de rest van de wereld, zodat het zeer aannemelijk is dat hij een zeer gebrekkige en beperkte kennis heeft van zijn land en de wereld, gezien hij enkel zaken weet via zijn moeder. Tenslotte moet in rekening genomen worden dat men hier met een minderjarige te maken heeft, die door zijn jeugdige leeftijd nog geen kennis kan vergaren en in zijn land nog niet deelnam aan het economisch én maatschappelijk bestel. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt duidelijk mijn verzoeker, zijn het algemeen kan nog worden opgemerkt dat door mijn verzoeker, zijn raadsman, meester Lamoot, en zijn begeleider, Joachim Beuckels, herhaaldelijk ingeroepen verklaringen (onder meer CG, p. 4, 5 en 6 en 22) een afdoende verklaringen zijn om zijn gebrek aan kennis over zijn vaderland te verantwoorden. Omtrent de door mijn verzoeker ingeroepen (vervolgings-)feiten is Sierra Leone verklaart mijn verzoeker tijdens het verhoor in dringend beroep gedurende tot twee maanden bij een familie in een dorp te hebben verbleven, maar hij kan de naam van dit dorp niet verstrekken (CG, P. 13 en
- Hij kan evenmin voor het commissariaat-generaal enige namen van dorpen in de onmiddellijke omgeving van dit voor hen onbekende dorp verstrekken (CG, p. 14). Hij beweert tijdens het verhoor in dringend beroep na één tot twee maanden verblijf in het voor u onbekende dorp te zijn weggegaan en na meer dan twee weken lopen door het woud een heer te hebben ontmoet, die hem naar Conakry bracht (CG, p. 14). Op de vraag van het commissariaat-generaal welke dorpen hij passeerde gedurende die twee weken, stelt hij wel degelijk dorpen te hebben gepasseerd, maar hij kan van geen enkel dorp de naam verstrekken (CG, p. 14). Overigens kan hij voor het commissariaat-generaal evenmin verduidelijken welke dorpen hij passeerde op weg naar Conakry en hoelang u van ‘een plaats aan de grens’ naar Conakry hebt gereden (CG, p. 14 en 15). Opnieuw gaat het commissariaat-generaal voorbij aan de vaststelling dat mijn verzoeker compleet ongeschoold is en uit een zeer geïsoleerd gebied van Sierra Leone komt. Het feit dat hij niet kan lezen en gaan Aku of Krio spreekt, vergroten enkel deze isolatie. Omtrent de door hem ingeroepen (vervolgins-)feiten in Senegal, kunnen volgende vaststellingen worden gedaan. Hij verklaart tijdens het verhoor in dringend beroep dat hij aanvankelijk voor de rebellen in de Casamance werkte, maar dat hij na ongeveer zes maanden problemen met hen kreeg, doordat ze hem wilden rekruteren (CG, p. 17), terwijl hij dit essentiële feit dat hem noodzaakte om Senegal te verlaten in het vermelde liet voor de dienst Vreemdelingenzaken, werd dit aldaar niet genoteerd (zie DVZ, pt 42). Zijn verklaring, met XIV-14.041-5/8 name dat hij voor de dienst Vreemdelingenzaken alleen over zijn problemen mocht vertellen in zijn land van herkomst, is overtuigend. Ook zijn verklaringen voor het commissariaat-generaal omtrent zijn reisweg vanuit Senegal naar België zijn onderhevig aan dezelfde opmerkingen als hierboven omtrent kennis. Bovendien is de opmerking omtrent de leeftijd geenszins relevant. Mijn verzoeker vermeldde zowel voor de dienst Vreemdelingenzaken (verhoor dd 5 december 2002) (punt 4) als voor het commissariaat-generaal (CG, p. 1) te zijn geboren in
- Dat dit niet met de werkelijkheid overeenstemt, kan niet afgeleid worden uit het radiologisch onderzoek (botscan), uitgevoerd door een arts van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (dd. 17 oktober 2002) blijkt immers dat uw (skelet)leeftijd op minstens negentien jaar of ouder kan worden geschat. In zijn beslissing dd. 27.09.2001 heeft de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. (R.v.St. nr.
- 801, 3 November 1993, T. Vreemd. 1994, 95, T. Vreemd. 1994, 56, Rev. Dr. Etr. 1994, 29).”; 2.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in weze de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de omstandig in de bestreden beslissing opgesomde motieven tracht te weerleggen door zich te beroepen op haar gebrek aan schoolse opleiding en haar jeugdige leeftijd; dat zij er echter aan voorbijgaat dat bij gebrek aan enig identiteitsdocument de commissaris-generaal haar leeftijd, afkomst en nationaliteit kon achterhalen door eenvoudige vragen te stellen over haar land, regio of dorp, of door bepaalde onderzoeken te laten voeren; dat het immers niet onredelijk is van een asielaanvrager te verwachten dat hij een zekere basiskennis heeft betreffende een dorp, regio of land waaruit hij beweert afkomstig te zijn; dat de verzoekende partij niet verduidelijkt hoe het komt dat zij een in Sierra Leone uitsluitend op school te leren taal, het Engels, beheerst, terwijl zij volhoudt “niet de minste schoolse opleiding” te hebben genoten; dat daarenboven haar argumentatie dat de opmerking van de commissaris- generaal omtrent haar leeftijd irrelevant zou zijn, niet kan worden bijgetreden, nu zij zelf in haar verweer verwijst naar haar jeugdige leeftijd; dat zij overigens niet aannemelijk maakt dat uit het radiologisch onderzoek een verkeerde skeletleeftijd zou zijn afgeleid; dat XIV-14.041-6/8 voorts uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken voor akkoord heeft ondertekend nadat het haar in het Engels was voorgelezen, zodat zij niet aannemelijk maakt dat zij er wel verklaringen over haar werk voor rebellen in de Casamance zou hebben afgelegd, doch dat deze verklaringen ten onrechte niet zouden zijn genoteerd; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-14.041-7/8 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.041-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.