id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.623 Rolnummer: A. 134548/XIV-14353 Zaak: Arrest 135623 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-04 10:32 Fiche Arrest nr 135.623 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.623 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 134.548/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 25 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.353-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE BELL, die loco advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 december 2002 en zich vluchteling verklaart op 13 december 2002; dat op 18 december 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 28 februari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten en van Pashtu origine te zijn. U beweert afkomstig te zijn uit Gato Kala en 27 jaar oud te zijn. Een drietal jaar geleden vertrok u naar Karachi, waar u twee jaar verbleef. Daarna keerde u naar Afghanistan terug. U verklaart dat er nog steeds wordt gevochten in Afghanistan en dat er geen veiligheid bestaat. Daarom heeft u Afghanistan verlaten en bent u naar België gekomen waar u op 13 december 2002 asiel heeft aangevraagd. Aan uw identiteit en nationaliteit kan echter geen geloof worden gehecht: niet alleen beschikt u over geen enkel identiteitsdocument, ook uw verklaringen doen sterk twijfelen aan uw beweerde Afghaanse nationaliteit. De informatie waarop het commissariaat-generaal zich beroept, is bij het administratief dossier gevoegd. Zo is uw kennis van uw geografische omgeving ondermaats (zie gehoorverslag CGVS, p. 8). U beweert bijvoorbeeld dat het dorp Gato Kala, waarvan u verklaart afkomstig te zijn, in het district Nourgul ligt maar dit is niet correct. Vervolgens kan u slechts twee van de drie omringende provincies van Kunar opsommen. Op de vraag naar de omringende districten rond uw district, noemt u slechts vier districten op, waarvan er één niet bestaat en een ander niet aan het district van Gato Kala grenst (Afghanistan, 1/300 000, Islamabad: Afghanistan Information Management System (AIMS), 2002, Sheet Nod: P142-08). Verder is ook uw kennis van de Afghaanse kalender bijzonder beperkt. Zo vermijdt u bijvoorbeeld enige datum of tijdsprecisering op te geven, met als gevolg dat u beweert niet te weten wanneer u geboren bent, wanneer u getrouwd bent, wanneer uw zoon geboren is (zelfs niet welke maand) of wanneer u Afghanistan verlaten heeft (zie gehoorverslag CGVS, p. 1, 2, 6). Op de vraag naar het seizoen waarin u Afghanistan verlaten heeft, antwoordt u aanvankelijk ontwijkend door te vertellen dat het koud was. Vervolgens verklaart u dat u het ofwel ‘Yakmi’ of ‘Sare’ was, maar geen van deze twee seizoensnamen bestaan in Afghanistan. Gevraagd wat de namen zijn van alle seizoenen in Afghanistan, geeft u vier verschillende namen op waarin noch ‘Yakhmi’ noch ‘Sare’ voorkomen en waarvan er alweer twee niet bestaan. Vervolgens beweert u foutief dat nieuwjaar ‘Azadi’ (‘Freedom’) heet in Afghanistan (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Nog frappanter is het feit dat u als antwoord op de vraag naar uw identiteitsdocumenten verklaart dat u een ‘shenakhti-card’ bezat (d.i. het Pakistaanse woord voor een identiteitskaart), en u dus kennelijk niet op de hoogte bent van de naam van een Afghaanse identiteitskaart (zie gehoorverslag CGVS, p. 7). Bovendien kan u nagenoeg niets vertellen over het leven en de gebeurtenissen in uw dorp en in Afghanistan tijdens de afgelopen jaren, waardoor het bijzonder ongeloofwaardig wordt dat u daar werkelijk geweest bent. Zo heeft u geen idee wie er aan de macht was in Afghanistan vóór de veroveringen van de Taliban (zie gehoorverslag CGVS, p. 8). Vervolgens weet u niet wanneer de Taliban in uw dorp kwamen, wie de plaatselijke leider was voor de Taliban of welke wetten en regels de Taliban aan de bevolking hebben opgelegd (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Al evenmin weet u wie er aan de macht gekomen is na de val van XIV-14.353-2/6 de Taliban: u kan alleen vertellen dat Karzai de huidige leider is van Afghanistan, maar heeft verder geen enkel idee van wie of welke partij in uw dorp of streek aan de macht is gekomen na het vertrek van de Taliban (zie gehoorverslag CGVS, p. 8). Bovenvermelde lacunes in de essentiële basiskennis van het land waaruit u beweert afkomstig te zijn, stellen uw relaas in een bedrieglijk daglicht en maken dat geen geloof kan gehecht worden aan uw beweerde Afghaanse nationaliteit. Voorts moet worden vastgesteld dat het relaas dat u vertelt een aantal ongerijmdheden bevat. Zo beweert u bijvoorbeeld dat u twee jaar in Karachi (Pakistan) gewoond heeft, maar dat u vier jaar geleden terugkeerde naar Afghanistan. Op de vraag waarom u vier jaar geleden besloot om terug te keren naar Afghanistan, gaf u als reden op dat u daar een vrouw en een kind had. Voorheen had u echter beweerd dat u pas twee jaar geleden huwde en dat uw kind één jaar na uw huwelijke werd geboren zodat uw vrouw en kind onmogelijk een reden kunnen geweest zijn om terug te keren naar Afghanistan (zie gehoorverslag CGVS, p. 5, 2). Bovendien heeft u bij de dienst Vreemdelingenzaken met geen woord gerept over uw verblijf in Pakistan. Dit soort ongerijmdheden doen ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Tenslotte moet worden opgemerkt dat u uw asielrelaas uitsluitend baseert op de algemene situatie van onveiligheid in Afghanistan, en dat u nergens in uw relaas gewag maakt van een persoonlijke en daadwerkelijke vervolging of vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Bijgevolg is uw asielaanvraag kennelijk ongegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, het Verdrag van Dublin en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dd. 28.02.2003, waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken dd. 18.12.
- In de motivering stelt het commissariaat-generaal dat hij over geen enkele identiteitsdocument beschikt en dat door zijn verklaringen sterk dient getwijfeld te worden aan zijn Afghaanse nationaliteit. Ten eerste heeft mijn verzoeker uitgelegd dat door zijn gebrekkige opvoeding en ontberen van een degelijk onderwijs zijn schoolse kennis ondermaats is (gehoorverslag CGVS, p. 2, 3). Ten onrechte heeft het commissariaat-generaal daar geen rekening gehouden. Daardoor is zijn schoolse kennis van regio, politiek, kalender, enz. uiteraard beperkt. Mijn verzoeker bevestigt dat zijn dorp Gato Kala wel degelijk in het district Nourguf ligt. De informatie van het commissariaat-generaal op dat punt is fout. Zijn dorp ligt op de grens met Pakistan en China en daardoor kent hij enkel een klein hoekje van Afghanistan. De rest is veraf en voor mijn verzoeker onbereikbaar en dus ook onbekend. Daardoor kent hij enkel de naaste districten en niets anders. Zoals reeds gezegd heeft mijn verzoeker geen degelijk onderwijs genoten en moet hij dan ook grotendeels passen wanneer hem schoolse vragen gesteld worden over de kalender, enz. ... Het commissariaat-generaal heeft zowel in de interviewtechniek, als in de beslissing daar geen rekening mee gehouden, hetgeen uiteraard niet ernstig, noch correct is. Daardoor was en is het te verwachten dat mijn verzoeker fout antwoordt, waaruit geenszins mag getwijfeld worden aan zijn afkomst of nationaliteit. Mijn verzoeker heeft, zijn Pakistaanse periode, in het achterhoofd, en door zenuwen overmand tweemaal geantwoord op de vraag over de identiteitskaart en nieuwjaar met het Pakistaanse equivalent in plaats met het Afghaanse woord. Ook zijn zeer geringe opleiding zal daar niet vreemd aan zijn. Ook deze fout kan men niet tegen hem gebruiken. Tot in der treure dienst herhaald te worden dat wat betreft de vragen over de politieke evoluties, locale machtshebbers, enz... mijn verzoeker vooreerst geen interesse had in deze politiek, noch de schoolse opleiding heeft om daar iets over te weten en dat hij trouwens redelijk afgelegen en afgezonderd woonde, waardoor alle troebelen van zijn land met hem niet rechtstreeks boeiend of raakten. Mijn verzoeker herhaalt dat hij drie jaar terug Afghanistan verliet om naar Pakistan te trekken. Daar is hij gehuwd en na zijn huwelijk is zijn vrouw naar Afghanistan teruggekeerd. Een klein jaar terug heeft hij haar en zijn kind vervoegd. Dit was de reden van zijn terugkeer XIV-14.353-3/6 naar Afghanistan, hetgeen hij in beide interviews gezegd heeft (gehoorverslag DVZ, pt. 42 en gehoorverslag CGVS, p. 5). Dat verzoeker al deze argumenten ter kennis bracht aan het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen die deze in zijn motivering dd. 28.02.2003 noch besrpoken noch weerlegd heeft. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuw elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. (R.v.St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd. 1994, 95; T. Vreemd. 1994; 56; Rev. Dr. Etr. 1994, 29).”; 2.
- Overwegende dat artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch geenszins op administratieve beroepsprocedures zoals een dringend beroep in het kader van de behandeling van een asielaanvraag; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in weze de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag besluit op grond van verschillende motieven, namelijk de lacunes in de geografische en politieke basiskennis van het land waaruit zij beweert afkomstig te zijn, de ongerijmdheden in haar verklaringen en het feit dat zij haar asielrelaas uitsluitend heeft gesteund op de algemene situatie van onveiligheid in Afghanistan; dat de verzoekende partij niet verder komt dan te stellen dat haar opvoeding gebrekkig is en dat zij geen degelijk onderwijs heeft gekend; dat het echter niet onredelijk is van een asielaanvrager te verwachten dat hij een zekere basiskennis heeft betreffende een regio of een land waaruit hij beweert afkomstig te zijn; dat de verzoekende partij niet verduidelijkt in welke mate haar gebrekkige opvoeding en haar gering onderwijsniveau haar ervan weerhielden individuele elementen aan te brengen die haar vermeende vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de XIV-14.353-4/6 status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, zouden rechtvaardigen; dat de commissaris-generaal in redelijkheid kon twijfelen aan haar nationaliteit en identiteit, nu zij ondanks haar voorgehouden gebrekkige opvoeding en gering onderwijsniveau bepaalde vragen had beantwoord met verwijzing naar gangbare termen in Pakistan, het land waar zij zich kortstondig had opgehouden; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de bestreden beslissing “het verdrag van Dublin” zou hebben geschonden; dat het middel in die mate niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.353-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.353-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.623 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.