id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.624 Rolnummer: A. 110749/XIV-6724 Zaak: Arrest 135624 - - 01/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 10:32 Fiche Arrest nr 135.624 van 1 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.624 van 1 oktober 2004 in de zaak A. 110.749/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. COLLIN, kantoor houdende te 6900 MARCHE EN FAMENNE, Avenue de la Toison d’Or 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 25 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 augustus 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 25 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 januari 2004; XIV-6724-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN DE KEER, die loco advocaat R. COLLIN verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 1 september 2000 en zich vluchteling verklaart op 4 september 2000; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 7 september 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 24 augustus 2001 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 9 juli 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2, al. 2). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring en een beroep tot schorsing eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het eerste middel betreft de schending van artikel 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en van artikels 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 over de formele motivatie van administratieve aktes, de duidelijke vergissing over de waardering en de afwezigheid van degelijke motivatie daar de commissaris-generaal zijn beslissing niet geldig kon steunen op het feit dat verzoeker geen gevolg had gegeven aan de oproeping die hem op 9 juli 2001 voor 24 juli 2001 was verstuurd terwijl verzoeker persoonlijk op 30 juli 2001 een brief naar het commissariaat-generaal bracht waarin hij verklaarde waarom hij niet was verschenen bij het verhoor dat hem op 24 juli 2001 was voorgesteld en hij een nieuwe datum vroeg om te verschijnen. XIV-6724-2/5 Dat de commissaris-generaal impliciet van aard is naar dezelfde beweegredenen te verwijzen als die in de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken opgesomd. Dat de commissaris-generaal zijn beslissing niet mocht steunen op deze beweegredenen alleen zonder verzoeker de mogelijkheid te geven verhoord te worden om uitleg te geven. Dat vanaf het ogenblik dat tegenpartij besloot verzoeker op te roepen om tot zijn verhoor over te gaan en verzoeker binnen de 30 dagen na de datum van oproeping zijn wens uitte om verhoord te worden en uitleg verschafte omtrent zijn onmogelijkheid om aan de eerste oproeping gevolg te geven, tegenpartij rekening moest houden met de brief van verzoeker die hij persoonlijk bij het CGVS op 30 juli neerlegde en waarin hij verklaarde hoe het voor hem onmogelijk was om aanwezig te zijn voor zijn verhoor en tegenpartij ook niet kan beslissen zonder hem te hebben verhoord dat het dringend verhaal geen element bevat dat de gegrondheid van de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken kan tegenspreken. Het is symptomatisch vast te stellen dat het dossier van het CGVS alleen de oproeping van 9 juli voor een verhoor op 24 juli 2001, de brief die op 30 juli 2001 door verzoeker bij het CGVS zelf werd neergelegd (brief die in het Frans vertaald zal worden) volgens ontvangstbewijs dd. 30 juli 2001 en de kaart bevat die door het jurist was voorbereid die verzoeker moest verhoren maar die van 23 juli 2001 gedateerd is en een formulier van keuze van woonplats dat ook 23 juli 2001 als datum heeft. Dat dit dossier geen ander element bevat behalve een kopie van het verhoorformulier voor de dienst Vreemdelingenzaken.”; 2.1.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 9 juli 2001 een oproeping voor een verhoor op 24 juli 2001 in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat de verzoekende partij niet op het verhoor is verschenen doch met een brief van 30 juli 2001 aan de commissaris-generaal heeft meegedeeld dat zij niet was gekomen omdat zij op de dag van het verhoor haar familie verwachtte, dat haar familie ‘s avonds heeft laten weten dat er nog problemen waren en dat zij twee à drie weken later zou komen en dat de verzoekende partij daarom een tweede verhoor vroeg; Overwegende dat de verzoekende partij met de verwijzing naar een verwachte aankomst van haar familie geen geldige reden aantoont om geen gevolg te geven aan een oproeping voor een verhoor; dat de verzoekende partij aldus niet aantoont dat de bestreden beslissing met schending van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet is genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat in de bestreden beslissing de feitelijke elementen worden aangegeven die de commissaris-generaal tot de toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet hebben gebracht en dat naar dat artikel wordt verwezen; dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg heeft XIV-6724-3/5 gegeven aan de oproeping voor het verhoor noch aan het verzoek om inlichtingen; dat de commissaris-generaal, gezien de duidelijke verwijzingen in zijn brief van 9 juli 2001, te dezen impliciet doch zeker kon veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, geen belangstelling toont voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat zijn aanvraag onontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat overigens in een uitdrukkelijke wettekst is neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het middel met betrekking tot de voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht ongegrond is; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing niet is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens noch op kennelijk onredelijke wijze; dat het met middel met betrekking tot de voorgehouden schending van de materiële motiveringsplicht ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het tweede middel betreft de overschrijding van bevoegdheid ten aanzien van de voorschriften van artikel 52 §1, 2/ en §2 van de wet van 15 december 1980 omdat tegenpartij meent dat de asielaanvraag onontvankelijk is omdat verzoeker zonder geldige reden geen gevolg gegeven heeft binnen de maand aan de oproeping bevat in de brief die hij op 9 juli 2001 had ontvangen hoewel hij binnen dezelfde termijn van een maand te rekenen vanaf 9 juli 2001, nl. op 30 juli 2001 persoonlijk een brief bij het CGVS heeft overhandigd waarin hij verklaarde waarom hij verzoeker de mogelijkheid wenste te hebben om zijn vrezen voor vervolgingen in de zin van de overeenkomst van Genève te kunnen verklaren, terwijl de commissaris-generaal rekening moest houden met alle elementen van het dossier en, daar hij het zelf nodig had geacht, aan verzoeker de mogelijkheid moest geven om verhoord te worden. Dat de Raad van State in verschillende arresten stelt ‘dat men pas aan de commissaris- generaal zou kunnen verwijten zijn beslissing te hebben genomen zonder verzoeker te hebben verhoord als bewezen was dat dit verhoor nodig was om hem in staat te stellen zijn beslissing te nemen met inachtneming van alle omstandigheden der zaak. Dat dit o.a. bewezen is door de oproeping die op 9 juli werd verstuurd.”; 2.2.
- Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de commissaris-generaal op wettige wijze toepassing kon maken van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel om dezelfde redenen ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-6724-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6724-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.