← België

Arrest 135661 - - 04/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.661 Rolnummer: A. 106993/IX-2930 Zaak: Arrest 135661 - - 04/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 10:37 Fiche Arrest nr 135.661 van 4 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.661 van 4 oktober 2004 in de zaak A. 106.993/IX-2930. In zake : Düzgün SENGEL, wonende te HEVERLEE, Hertogstraat 103 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Düzgün SENGEL op 3 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing nr. 35/TR00049 van 4 mei 2001 van de gevolmachtigde ambtenaar van het ministerie van Middenstand en Landbouw waarbij zijn aanvraag voor het verkrijgen van een beroepskaart voor vreemdelingen verworpen wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-2930-1/15 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN HOOF, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die loco advocaat A. VASTERSAVENDTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen (hierna : de wet van 19 februari 1965), geldend ten tijde van de bestreden beslissing, moet elke vreemdeling die op het grondgebied van het Rijk een zelfstandige activiteit van winstgevende aard uitoefent, houder zijn van een beroepskaart. Voor de toepassing van deze wet wordt, krachtens artikel 1, tweede lid, de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit als een zelfstandige activiteit beschouwd. 1.2. Verzoeker, geboren op 1 april 1964 te Balcali (Turkije), is volgens het verzoekschrift Koerd met Turkse nationaliteit. Volgens het op dit punt niet betwiste verzoekschrift vroeg hij in 1997 asiel aan in Italië, waar hem een identiteitskaart voor vreemdelingen werd uitgereikt en besliste hij in 1999 naar België te komen, aangezien zijn zus en haar echtgenoot - lees zijn broer en schoonzus - in Heverlee, Hertogstraat 103, sinds 1997 IX-2930-2/15 een pita-bar uitbaatten waar hulp dringend nodig was. Op 1 maart 2001 richt verzoeker en zijn echtgenote samen met Rifat en Halise SENGEL, de bvba NEMRUT op, met als maatschappelijk doel onder meer "het uitbaten van een verbruikerssalon (pita-bar), namelijk het opdienen van koude en warme schotels, die bestemd zijn om enerzijds mee te nemen en anderzijds ter plaatse in het verbruikers- salon te worden gebruikt, en het verrichten van de nodige aankopen van eetwaren, drank en materialen alsook het aangaan van contracten zoals van huur, verwarming en alle handelingen die hiermee samenhangen, dit alles in de meest ruime zin van het woord". Rafit en Halise SENGEL brengen daarbij de bestaande handelszaak NEMRUT, Hertogstraat 103, te Heverlee, in. Blijkens de gegevens in de aanvraag om beroepskaart voor vreemdelingen beschikt verzoeker over een door de Italiaanse overheden afgeleverde verblijfsvergunning afgegeven op basis van het statuut van politiek vluchteling dat hem op 27 februari 1998 is toegekend. 1.3. Op 12 mei 2000 dient verzoeker bij de Belgische ambassade te Rome een aanvraag om een beroepskaart voor vreemdelingen in waarbij hij zowel het deel van het formulier dat een aanvraag als natuurlijke persoon die individueel werkt invult als het deel van het formulier voor activiteiten in vennootschap waar hij verwijst naar zijn functie als zaakvoerder van de bvba NEMRUT. Verwerende partij heeft deze aanvraag gekwalificeerd en behandeld als een aanvraag om bedrijvig te zijn als zaakvoerder van deze bvba en verzoeker betwist deze kwalificatie niet. De aanvraag wordt door de Belgische ambassade te Rome overgemaakt aan de Dienst Economische Vergunningen van het ministerie van Middenstand en Landbouw en aldaar ontvangen op 19 mei 2000. De overmakings- brief bevat geen advies van de betrokken diplomatieke overheid over de wenselijk- heid om de aanvraag te aanvaarden of te weigeren. 1.4.1. Op 14 juni 2000 deelt de stad Leuven aan de Dienst Economische Vergunningen mee dat de aanvraag betrekking heeft op de overname op 15 november 1997 van een bestaande handelszaak in een gebouw dat evenwel niet in een handelswijk is gelegen. De inplanting wordt verantwoord geacht voor zover IX-2930-3/15 geen verbouwingswerken worden uitgevoerd. Tevens wordt medegedeeld dat in groot-Leuven nog 246 soortgelijke uitbatingen door Belgen en nog 115 "soortgelijke uitbatingen" zijn gevestigd die door vreemdelingen worden uitgebaat en 246 die door Belgen worden uitgebaat. 1.4.2. Op 8 augustus 2000 geeft de Dienst Vreemdelingenzaken een ongunstig advies over de aanvraag van verzoeker omdat het gaat om een "nieuwe immigratie". Er wordt wel aan toegevoegd dat de dienst zich niet uitspreekt over de opportuniteit van het afleveren van een beroepskaart. 1.5.1. Op 3 oktober 2000 vraagt de Dienst Economische Vergunningen advies aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen. Krachtens artikel 6 van de wet van 19 februari 1965 kan de minister ontvankelijke aanvragen slechts verwerpen nadat dit advies ingewonnen is. De vraag om advies blijkt de volgende redengeving te bevatten : "- nieuwe immigratie : ongunstig advies d.d. 08.08.2000 van de Dienst Vreemdelingenzaken; - verzadigde sector; - economisch nut niet bewezen." 1.5.2. Op 5 januari 2001 geeft de Raad voor Economisch Onderzoek, na verzoeker en zijn advocaat gehoord te hebben, een ongunstig advies. De volgende motieven worden aangevoerd : "(...) Overwegende dat de Raad, rekening houdend met de voorliggende stukken en de verstrekte uitleg ter zitting, niet inziet waarom er op deze nieuwe immigratie zou dienen beroep gedaan te worden om, in het kader van hoger- vermelde vennootschap, een pita-snackbar uit te baten; dat de Raad derhalve het economisch nut van de aanwezigheid van aanvrager in België niet inziet; dat de immigratiestop trouwens van toepassing blijft; Overwegende dat de Raad vaststelt dat de betrokkene, volgens zijn aanvraag althans, reeds in België gevestigd is en hier tevens als zelfstandige bedrijvig is; dat de Raad dienaangaande suggereert om een onderzoek te laten plaatsvinden door de Inspectiedienst van DG1 waarbij eveneens wordt nagegaan of de aktiviteiten van de vennootschap al dan niet onderworpen zijn aan de IX-2930-4/15 reglementering op de beroepswerkzaamheid van restaurateur of traiteur-banket- aannemer." 1.6. Met verwijzing naar dit ongunstig advies weigert de door de minister van Middenstand aangewezen ambtenaar op 4 mei 2001 de aanvraag. Dit besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavig annulatieberoep, is als volgt gemotiveerd : "Gelet op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsaktiviteiten der vreemdelingen, inzonderheid op artikel 6, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1984; Gelet op het koninklijk besluit van 11 mei 1965 houdende vaststelling van de organisatie en de rechtspleging te volgen door de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, gewijzigd; Gelet op het ongunstig advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, uitgebracht ter zitting van 5.1.01; Overwegende dat aanvrager in persoon verschijnt en bijgestaan wordt door Mr. Frederic DE BLIECK, loco Meester P. NELISSEN GRADE, advocaten, kantoor houdende te 3000 Leuven, Residentie Binnenhof, Justus Lipsius- straat 18-26; dat ook de broer van aanvrager met name dhr. Rifat SENGEL ter zitting aanwezig is; Overwegende dat aanvrager de beroepskaart wenst te bekomen om bedrijvig te zijn als zaakvoerder van de bvba "NEMRUT", gevestigd te 3001 Heverlee, Hertogstraat 103 voor de uitbating van een pita-snackbar; Overwegende dat dit dossier voor advies aan de Raad werd overgemaakt om volgende redenen: - nieuwe immigratie: ongunstig advies dd. 8.8.2000 van de Dienst Vreemde- lingenzaken, - verzadigde sector; - economisch nut niet bewezen; Overwegende dat de formele stukken die bij de aanvraag dienen gevoegd, zijn neergelegd; Overwegende dat de Raad, rekening houdend met de voorliggende stukken en de verstrekte uitleg ter zitting, niet inziet waarom er op deze nieuwe immigratie zou dienen beroep gedaan om, in het kader van hogervermelde vennootschap, een pita-snackbar uit te baten; dat de Raad derhalve het economisch nut van de aanwezigheid van aanvrager in België niet inziet; dat de immigratiestop trouwens van toepassing blijft;" 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de motivering van het bestreden besluit bekritiseert, in die zin dat het besluit “als redengeving slechts een drietal zinsneden omvat” terwijl de motiveringsplicht “een algemeen erkend IX-2930-5/15 processueel beginsel is” en een beslissing altijd door “de wettelijk vereiste motieven moet worden gedragen om alle argumenten van verzoeker -die blijken uit zijn nota en zijn stukkenbundel- te beantwoorden”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen (hierna: de Raad voor Economisch Onderzoek) en de bevoegde dienst van het ministerie moeten “onderzoeken of de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit door een vreemdeling op het Belgisch grondgebied economisch nut oplevert” en in dat kader wordt elke aanvraag afzonderlijk onderzocht op haar economisch nut; bij dat onderzoek -dat in dit geval evidenter betrekking had op het economisch nut van de bvba NEMRUT, waarvan verzoeker zaakvoerder is en niet op dat van verzoeker zelf- wordt niet alleen acht geslagen op het omzetcijfer maar ook op andere elementen zoals vraag en aanbod binnen de sector, vraag en aanbod op de plaats van vestiging, personeelsbestand, winst, export van producten, investeringen, enz.; de aanvraag van verzoeker werd aan de Raad voor Economisch Onderzoek voorgelegd omdat het bestuur beschikte over een ongunstig advies van de Dienst Vreemdelingenzaken - advies dat zich evenwel niet uitspreekt over de wenselijkheid om aan verzoeker al dan niet een beroepskaart toe te kennen en dat derhalve het karakter heeft van “een voorbehoud (dat) geen doorslaggevend element vormt in dit dossier”-, omdat niet te ontkennen viel dat de sector van de pita-zaken aan verzadiging toe is -wat door het advies van de stad Leuven bevestigd wordt- en omdat het dossier geen argumenten bevatte die “de negatieve fundamentele vaststelling van de verzadiging van de betrokken sector kan afzwakken”, terwijl ook niet vastgesteld kon worden dat “de vooropgestelde activiteit inderdaad door twee personen op een legale en rendabele manier zou kunnen uitgeoefend worden”; verzoeker is er niet in geslaagd om tegenover de Raad voor Economisch Onderzoek “het economisch nut van zijn project aan te tonen”; na onderzoek van het advies van de Raad is het bestuur tot de vaststelling gekomen dat het dossier geen gegevens bevatte die het advies tegenspra- ken en daarom is de aanvraag uiteindelijk verworpen; IX-2930-6/15 Overwegende dat de verwerende partij ook nog opmerkt dat de motiveringsplicht geen uitvoerige uiteenzetting vereist maar enkel een verwijzing naar de elementen die de beslissing in rechte en in feite onderbouwen, hetgeen in een bondige uiteenzetting mag gebeuren; in dit geval verwijst “de inleiding van de beslissing” naar die gegevens en er wordt vervolgens aangetoond dat ze “adequaat” zijn; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat een motivering “in een drietal zinsneden” strijdig is met het algemeen erkend processueel beginsel van de motiveringsplicht en dat een beslissing door de wettelijk vereiste motieven moet worden gedragen; dat hij daar nu aan toevoegt dat het bestreden besluit valt onder de wet op de formele motiveringsverplichting, die de openbare orde aanbelangt, maar dat de motivering op dat vlak niet voldoet, aangezien “het hoe en het waarom” van de beslissing er niet wordt in vermeld, dat er met name niet uit blijkt dat het bestuur “het economisch nut van verzoeker of van de bvba NEMRUT heeft getoetst aan zijn omzetcijfer, aan vraag en aanbod binnen de sector, aan zijn winst (

  1. of)aan zijn investeringen” en dat het bijgevolg voor hem “gissen blijft waarom het vermeende onderzoek van verweerder heeft geleid tot de bestreden beslissing”; dat hij daaraan toevoegt dat het bestreden besluit niet antwoordt op de argumenten die hij had uiteengezet met betrekking tot de beweerde verzadiging van de sector en het economisch nut; 2.4.1. Overwegende dat de uiteenzetting in het verzoekschrift, gelezen in samenhang met de memorie van wederantwoord, toelaat het eerste middel toe te spitsen op de vraag naar de schending van de formele motiveringsverplichting, voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker er in zijn verzoekschrift enkel op wijst dat de motivering beperkt is tot “een drietal zinsneden” en dat er niet wordt geantwoord op al de argumenten die hij in “zijn nota en stukkenbundel” had aangevoerd; IX-2930-7/15 2.4.2. Overwegende dat met het eerste argument verzoeker niet aantoont waarom met “drie zinsneden” -die hij overigens niet nader aanwijst- niet voldaan zou kunnen zijn aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat in die zin het middel niet ontvankelijk is; dat verzoeker weliswaar in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet dat uit geen overweging blijkt dat het bestuur het economisch nut heeft getoetst aan zijn omzetcijfer, aan de vraag en aanbod binnen de sector en aan de winst en de investeringen van zijn onderneming en dat hij derhalve enkel kan gissen op welke gegevens het bestreden besluit steunt, maar dat, nu het middel de openbare orde niet aanbelangt, die laattijdig geformuleerde uiteenzetting het middel niet ontvankelijk kan maken, op gevaar af de verdedigingsmogelijkheden van de verwerende partij te beperken; 2.4.3. Overwegende dat het tweede argument van verzoeker niet bijgevallen kan worden; dat immers een beslissing van een orgaan van actief bestuur -zoals het bestreden besluit er een is- vanuit formeel oogpunt voldoende gemotiveerd wordt door de vermelding van de redenen waarom het bestuur tot dat bepaald besluit gekomen is en dat er geen antwoord dient gegeven te worden op de verschillende argumenten die de betrokkene in de voorbereidingsfase naar voren heeft gebracht; 2.4.4. Overwegende dat het eerste middel deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel kritiek uitbrengt op de in het bestreden besluit vermelde overweging dat “de immigratiestop van toepassing blijft”; dat hij betoogt dat de immigratie duidelijk niet behoort tot de bevoegdheid van de minister van Middenstand en dat het hier niet gaat om een probleem van immigratie maar wel over de vraag naar de uitoefening van een zelfstandige activiteit door een vreemdeling; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: de wet van 19 februari 1965 heeft een economisch doel; zij beoogt “de diverse sectoren van de economie veilig te stellen tegen onevenwichten die het gevolg IX-2930-8/15 kunnen zijn van activiteitenstromen van buitenaf” en aldus vormt het systeem van de beroepskaart “een filter voor de zelfstandige projecten die door vreemdelingen in ons land worden overwogen”; in dat kader is aan de Dienst Vreemdelingenzaken om advies gevraagd, temeer daar artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 bepaalt dat een beroepskaart enkel kan afgegeven worden aan een vreemdeling die een vergunning heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen; het advies van de Dienst Vreemdelingenzaken is in deze zaak evenwel niet van doorslaggevende aard geweest en de verwijzing naar de immigratiestop moet in dat “ruimer beleidskader” bekeken worden; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daar tegen inbrengt wat volgt: de wet van 19 februari 1965 mag dan wel bedoeld zijn als een filter voor zelfstandige projecten van vreemdelingen in België, in ieder geval mag zij niet misbruikt worden om andere doeleinden -zoals een immigratiestop- te dienen, want daarmee worden voorwaarden aan de wet, die de uitoefening van een zelfstandige activiteit door vreemdelingen regelt, toegevoegd; 3.4. Overwegende dat de verwerende partij terecht stelt dat het ongunstig advies van de Dienst Vreemdelingenzaken geen decisief gegeven vormt waarom de beroepskaart aan verzoeker is geweigerd; dat de kritiek van verzoeker dan ook slechts tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden in zoverre er voor het bestreden besluit geen ander deugdelijk motief bestaat; dat het middel slechts onderzocht moet worden wanneer de kritiek van verzoeker tegen het motief dat het economisch nut van zijn aanwezigheid in België niet aangetoond is, verworpen wordt; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het “gelijkheidsbeginsel en/of het redelijkheidsbeginsel” doordat het bestuur het economisch nut van zijn aanwezigheid in België ontkent maar dat dit standpunt faalt, aangezien hij door zijn broer en schoonzus uitgenodigd is om samen met hen een druk beklante pita-bar uit te baten, aangezien het economisch nut, zoals dat gedetermineerd wordt door vraag en aanbod, bewezen wordt door de boekhoud- IX-2930-9/15 kundige gegevens van de bvba NEMRUT en aangezien het niet opgaat het economisch nut van pita-bars -die om evidente culinaire en economische redenen best worden uitgebaat door Koerden- in vraag te stellen terwijl dit niet gebeurt voor “frietkoten (die) door Belgen (worden uitgebaat
  2. en)waarvan het economisch nut op elke hoek van een straat of op elk kruispunt niet wordt in vraag gesteld”; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet wat volgt: de Raad voor Economisch Onderzoek moet het economisch nut van de aanvraag onderzoeken en hij mag daarvoor documenten opvragen; het bestuur bezit dezelfde bevoegdheid; in dit geval hebben zowel de Raad als het bestuur op grond van de voorgelegde documenten besloten dat de aang- evraagde activiteit onvoldoende economisch nut vertoonde voor het land en daarom is de aanvraag geweigerd; 4.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat het bestreden besluit zonder meer stelt dat het economisch nut van zijn aanwezigheid in België niet wordt ingezien, maar dat daar tegenover staat dat hij gevraagd is om in een drukbeklante pita-zaak te komen werken, dat de boekhoud- kundige gegevens die hij aan de Raad voor Economisch Onderzoek heeft voorgelegd duidelijk een stijging van de omzet en van de nettowinst van de bvba aantonen en dat de uitbating van frietkoten door Belgen niet op hun economisch nut wordt gecontroleerd; 4.4.1. Overwegende dat het middel gericht is tegen het motief dat de verwerende partij het economisch nut van zijn aanwezigheid in België ontkent, terwijl hij zijn familie kan helpen bij de uitbating van een drukbezochte pita-bar, terwijl het nut van zijn bvba blijkt uit de stijgende omzet en terwijl hij moet aantonen dat zijn pita-bar economisch nuttig is maar dat zulks niet het geval is voor de vele frietkoten die in het land actief zijn; dat hij te dien aanzien de schending van het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel aanvoert; IX-2930-10/15 4.4.2. Overwegende dat de Raad van State op het vlak van de redelijk- heid van een beslissing slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; dat te dezen vastgesteld wordt dat de verwerende partij de mogelijkheid heeft om een aanvraag te weigeren op grond van het resultaat van het economisch onderzoek dat zij vermag uit te voeren; dat te dezen, zoals zij bij haar antwoord op het eerste middel gesteld heeft, de verwerende partij zich op het standpunt heeft geplaatst dat er in de sector van de pita-bars een verzadiging is bereikt; dat dergelijke stelling niet onredelijk is en dat zij ook bevestiging vindt in het advies van de stad Leuven waaruit blijkt dat er op het grondgebied van de stad reeds veel inrichtingen werkzaam zijn in de sector waarin verzoeker actief wil zijn; dat uit de winstcijfers van de pita-bar niet opgemaakt moet worden dat die uitbating economisch nuttig is voor België, noch dat de hulp van verzoeker bij de uitbating noodzakelijk is; dat de verwerende partij het redelijkheidsbeginsel niet geschonden heeft door, met de verzadiging van de sector als uitgangspunt, haar onderzoek toe te spitsen op de vraag of verzoeker concrete gegevens aanvoert die aantonen dat, ondanks die verzadiging, er in zijn geval toch nog sprake is van een economisch nut; dat de verwijzing naar het redelijkheidsbegin- sel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; 4.4.3. Overwegende, wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, dat de ongelijke behandeling die verzoeker ontwaart, haar grondslag vindt in de wet van 19 februari 1965, die voorschrijft dat vreemdelingen over een beroeps- kaart moeten beschikken terwijl Belgen geen dergelijke kaart moeten bezitten; dat het middel ook op dat vlak niet gegrond is; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van de hoorplicht doordat hij bij de voorbereiding van het bestreden besluit en nadat de Raad een ongunstig advies had uitgebracht, niet meer door de minister gehoord is; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat artikel 6 van de wet van 19 februari 1965 de minister ertoe verplicht, wanneer hij een ontvankelijke aanvraag wil afwijzen, het advies van de Raad voor Economisch IX-2930-11/15 Onderzoek in te winnen, dat dezelfde wetsbepaling aan de betrokkene het recht verleent om door die Raad gehoord te worden, desgewenst met bijstand van een advocaat en dat in dit geval verzoeker en zijn raadsman effectief gehoord zijn; 5.3. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord op repliceert dat hij niet werd gehoord door het orgaan dat de bestreden beslissing genomen heeft en hij bijgevolg niet heeft kunnen antwoorden op het ongunstig advies dat de Raad voor Economisch Onderzoek had gegeven; 5.4. Overwegende dat de wet van 19 februari 1965 bepaalt op welke wijze de aanvrager van een beroepskaart bij de voorbereiding van de beslissing betrokken moet worden; dat artikel 6, tweede lid, van die wet aldus bepaalt dat, wanneer de minister een ontvankelijke aanvraag wil verwerpen, hij het advies moet inwinnen van de Raad voor Economisch Onderzoek en dat de aanvrager door de Raad gehoord of tenminste opgeroepen moet worden; dat het beginsel van behoorlijk bestuur met betrekking tot de hoorplicht en het recht om zijn standpunt uiteen te zetten, niet geldt in zoverre er een uitdrukkelijke regeling uitgewerkt is; dat in ieder geval er geen beginsel bestaat dat het bestuursorgaan dat de eindbeslissing neemt ertoe verplicht de betrokkene altijd persoonlijk te horen, ook wanneer hij, als te dezen, in de voorafgaande procedure de mogelijkheid heeft gehad zijn visie ter kennis van het bestuur te brengen; Overwegende dat buiten betwisting staat dat de verwerende partij de rechten van verdediging van verzoeker, zoals die door artikel 6 van de wet van 19 februari 1965 zijn ingesteld, geëerbiedigd heeft; dat het middel niet gegrond is; 6.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit verwijst naar “de verzadigde sector”, terwijl concreet onderzocht had moeten worden of er in het geval van de locatie van de pita-bar die hij wil uitbaten sprake is van een verzadiging, zeker nu zijn handelszaak uiterst gunstig gelegen is; IX-2930-12/15 6.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het gebruik van de “veralgemenende term: verzadigde sector” in het bestreden besluit niets afdoet aan het feit dat elk dossier afzonderlijk onderzocht wordt op zijn economisch nut, rekening houdend met het omzetcijfer en alle andere factoren betreffende de geplande zaak -hier de bvba NEMRUT en niet van verzoeker- die terzake van belang zijn (vraag en aanbod binnen de sector, vraag en aanbod volgens de plaats van vestiging, personeel, winst en verlies, investeringen, export van Belgische producten); 6.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat een zorgvuldige beslissing een concreet onderzoek van de zaak vereist, dat zijn inrichting uiterst gunstig gelegen is -niet in een handelswijk maar in een drukbewoonde wijk dichtbij een aantal instellingen- en dat de stad Leuven een gunstig advies uitgebracht heeft; 6.4.1. Overwegende dat het middel, zoals het in het verzoekschrift wordt toegelicht -met name dat er verwezen wordt naar een verzadiging maar dat er geen onderzoek gevoerd is naar de concrete omstandigheden waarin de onderneming van verzoeker zou uitgebaat worden-, geen betrekking heeft op de schending van het rechtszekerheidsbeginsel, dat inhoudt dat het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, dat de rechtzoekende moet kunnen uitmaken welke gevolgen een bepaalde handeling naar redelijkheid zal hebben en dat de overheid niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken van de beleidslijnen die zij bij de toepassing van de reglementering aanhoudt; 6.4.2. Overwegende dat de verwerende partij niet onzorgvuldig gehandeld heeft door ten aanzien van de problematiek van de aanwezigheid van pita- bars en gelijksoortige inrichtingen die zich op de kleine restauratie richten, een globaal standpunt in te nemen en het economisch nut ervan te ontkennen -standpunt dat verzoeker niet betwist- en door vervolgens, geconfronteerd met een advies van de stad Leuven dat weliswaar “de inplanting verantwoord (acht) maar waarin toch melding wordt gemaakt van het groot aantal zaken die op het grondgebied van de IX-2930-13/15 stad actief zijn, te besluiten dat de concrete inplanting van de inrichting van verzoeker niet past in die globale visie en aldus de specifieke omstandigheden die verzoeker aanvoert om zijn uitbating toch te rechtvaardigen buiten beschouwing te houden; dat het middel niet gegrond is; 7. Overwegende dat verzoeker de onwettigheid niet aantoont van het dragend motief dat het economisch nut van de aanwezigheid van verzoeker in België niet aangetoond is; dat daaruit volgt dat de eventuele onwettigheid van het bijkomend motief waarin verwezen wordt naar de immigratiestop -onwettigheid die in het tweede middel wordt aangevoerd- niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit, zodat dit middel niet nader onderzocht dient te worden, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2930-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2930-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.