id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.662 Rolnummer: A. 93840/IX-2475 Zaak: Arrest 135662 - - 04/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 10:37 Fiche Arrest nr 135.662 van 4 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.662 van 4 oktober 2004 in de zaak A. 93.840/IX-
- In zake : Jacques MBIYE, wonende te HOFSTADE, Tervuursesteenweg 203 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid, vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacques MBIYE op 20 juli 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de hem op 14 maart 2000 ter kennis gebrachte beslissing van SELOR waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard in het mondeling gedeelte van het examen voor de werving van attachés voor internationale samenwerking voor het ministerie van Buitenlandse Zaken; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-2475-1/7 Gelet op de beschikking van 7 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE HERTOGH, die loco advocaat G. VAN DEYCK verschijnt voor verzoeker, en van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, die deel uitmaakt van de samenwerkingssectie op de Belgische ambassade te Ouagadougou (Burkina Faso), schrijft zich op 5 augustus 1999 in voor het door Selor ingerichte examen nr. ANG 99808 voor de bijzondere werving van attachés voor internationale samenwerking (rang 10) voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel in Internationale Samenwerking, dat georganiseerd wordt in toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel. Het examen bestaat uit een mondeling en een psychotechnisch gedeelte, waarop de kandidaten telkens 60 punten op 100 moeten behalen. Het mondeling gedeelte heeft betrekking op de “evaluatie van de belangstelling van de kandidaat voor de problemen van de internationale samenwerking en de multidisciplinaire geschiktheid”. IX-2475-2/7 1.2 Verzoeker neemt op 25 februari 2000 deel aan het mondeling gedeelte van de proef. Hij behaalt 50 punten op
- Deze beslissing vormt het voorwerp van het onderhavige beroep. 1.
- Bij brief van 14 maart 2000 wordt aan verzoeker medegedeeld dat hij 50 punten op 100 heeft behaald terwijl het vereiste minimum 60 punten bedroeg en dat hij derhalve niet geslaagd is. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij het beroep laattijdig ingediend acht, aangezien het dagtekent van meer dan zestig dagen na de notificatiebrief van 14 maart 2000 die verzonden werd naar het adres dat verzoeker zelf had opgegeven en waarvan verzoeker ook de ontvangst erkent; 2.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat de beroepstermijn voor personen die buiten Europa verblijven met 90 dagen verlengd wordt, en dat hij, zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken geattesteerd heeft, in Burkina Faso werkt en woonachtig is; dat hij daaraan toevoegt dat het ministerie van Binnenlandse Zaken alle ambtenaren die drager zijn van een speciaal paspoort, verplicht zich in te schrijven in een gemeente in België; 2.
- Overwegende dat luidens artikel 89 van het algemeen procedurereglement de gewone beroepstermijn van zestig dagen, bepaald in artikel 4, met negentig dagen verlengd wordt ten behoeve van de verzoeker die zijn woon- plaats buiten Europa heeft; dat die bepaling van toepassing is wanneer de verzoeker bewijst dat hij langdurig in een land buiten Europa verblijft; dat de omstandigheid dat de betrokkene nog een domicilie in België heeft of dat hij nog over een contactadres in het land beschikt, de toepassing van die bepaling niet uitsluit; dat te dezen verzoeker met een op 9 maart 2000 afgeleverd attest van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aantoont dat hij sinds 1 juli 1998 in dienst is in Burkina Faso; dat voor hem dan ook de beroepstermijn met 90 dagen verlengd is; dat de exceptie verworpen wordt; IX-2475-3/7 3.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel put uit “de administratieve positie van de heer Louis CALLEWAERT”, lid van de examencommissie en diensthoofd van de dienst Noord- en West-Afrika op het ministerie -het Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking- te Brussel; dat hij betoogt dat, voor sommige uitgaven van de “sectie Ouagadougou”, L. CALLEWAERT optreedt als ordonnateur en dat hijzelf die opdracht dan als rekenplichtige van de sectie, na verificatie, moet uitvoeren, dat hij als rekenplichtige “streng toezicht” moet houden op de betalingsopdrachten gegeven door L. CALLEWAERT, dat hij hem eventueel om bijkomende uitleg moet vragen en desnoods de opdracht niet mag uitvoeren en dat hij ook, bij het uitvoeren van een zending ter plaatse, moet toezien op de kosten die hij maakt; dat volgens hem die omstandigheden tot gevolg hebben dat L. CALLEWAERT geen deel kan uitmaken van een selectiecommissie in een procedure waarin zijn eigen rekenplichtige kandidaat is; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij het middel niet ontvankelijk acht omdat verzoeker enkel een uiteenzetting geeft van de administratieve positie waarin L. CALLEWAERT verkeert, zonder een rechtsmiddel te formuleren; dat zij zich ten gronde niet verdedigt; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat, rekening houdend met de positie die L. CALLEWAERT te zijnen opzichte bezit, zijn neutraliteit niet gegarandeerd was en dat hij niet dezelfde kansen gekregen heeft als de overige kandidaten, aangezien de examenjury zich moet uitspreken over de beroepservaring van de kandidaten; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie zijn uiteenzet- ting over de bijzondere verhouding tussen een ordonnateur en een rekenplichtige herneemt en zich daarbij de vraag stelt of een rekenplichtige die door zijn ordonna- teur wordt beoordeeld in een mondelinge proef wel dezelfde kansen op een onpartijdige behandeling geniet als de andere kandidaten; dat hij daar nu aan toevoegt dat hij als enige kandidaat te maken had met een jury waarin zijn ordonnateur zitting IX-2475-4/7 had -waardoor hij niet dezelfde slaagkansen had als de andere kandidaten en het examen dus niet “vergelijkend” is geweest-, dat het examen afweek van het gewone stramien om ieder examen te beginnen met een schriftelijk en anoniem gedeelte - waardoor hem de mogelijkheid is ontnomen om zijn resultaat in dergelijke anonieme proef aan te wenden als het bewijsmiddel om de objectiviteit van de mondelinge proef te betwisten-, dat de afgenomen proef ook niet openbaar is gebeurd maar “achter gesloten deuren met de kandidaat, de jury en één vakbondsafgevaardigde” en dat de vakbondsafgevaardigde een schriftelijk bezwaar heeft gemaakt bij de omstandigheid dat verzoeker beoordeeld werd door een ordonnateur van een administratie waarin verzoeker als rekenplichtige fungeert; 3.
- Overwegende dat de uiteenzetting in het verzoekschrift duidelijk betrekking heeft op de onregelmatige samenstelling van de examenjury doordat de ordonnateur van sommige uitgaven, waarvoor hij als rekenplichtige verantwoordelijk was, deel uitmaakte van de commissie; dat verzoeker daarmee een rechtsmiddel formuleert; dat de ontvankelijkheidsexceptie wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat verzoeker niet aanvoert dat een lid van de examencommissie zich tegenover hem partijdig opgesteld heeft; dat hij evenmin aanvoert dat de verrichtingen waarvoor hij samen met L. CALLEWAERT is moeten optreden aanleiding gegeven hebben tot enige onenigheid en dat die onenigheden zouden kunnen doen vermoeden dat L. CALLEWAERT zich bij het examen misschien niet geheel onbevooroordeeld opgesteld zou hebben; dat hij zich enkel in het algemeen beklaagt over de schijn van partijdigheid omdat hij, wegens de structuur van het departement, als rekenplichtige binnen een diplomatieke post in het buitenland mede beoordeeld is door de ambtenaar die op het centraal bestuur verantwoordelijk is voor de ordonnancering van de uitgaven en die twee functies soms tegengestelde belangen hebben; dat evenwel de verplichting van onpartijdig- heid, zoals die als beginsel van behoorlijk bestuur geldt voor de organen van het actief bestuur, niet zover reikt dat het bestuur, bij de samenstelling van examen- commissies, in het algemeen de personen zou moeten weren die, zoals in dit geval, IX-2475-5/7 slechts sporadisch een werkverhouding met een examinandus hebben; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie een aantal nieuwe argumenten ontwikkelt; dat die argumenten evenwel het bewijs niet bevatten van de partijdige opstelling die L. CALLEWAERT te zijnen opzichte heeft ingenomen; dat voor het overige zij betrekking hebben op nieuwe middelen die niet van openbare orde zijn en die verzoeker in zijn verzoekschrift of -voor zover zij slechts na inzage van het administratief dossier konden blijken- in zijn memorie van wederantwoord had kunnen formuleren, zodat zij niet ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2475-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2475-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.662 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.