id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.663 Rolnummer: Zaak: Arrest 135663 - - 04/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 10:37 Fiche Arrest nr 135.663 van 4 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.663 van 4 oktober 2004 in de zaken A. 83.516/IX-
- A. 86.519/IX-
- A. 86.520/IX-
- In zake : André BEERTS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André BEERTS op 14 april 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de "akte van 8 februari 1999" waarbij hij wordt afgezet en teruggeplaatst als soldaat (de zaak A. 83.516/IX-1776); Gezien het verzoekschrift dat André BEERTS op 3 september 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit nr. 2365 van 13 juni 1999 waarbij hij van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen (de zaak A. 86.519/IX-2026); Gezien het verzoekschrift dat André BEERTS op 3 september 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit nr. 2366 van 13 juni 1999 houdende intrekking van het koninklijk besluit van 3 maart 1999 waarbij zijn op 26 oktober 1998 aangeboden ontslag uit het kader van de beroepsofficieren met ingang van 1 januari 1999 wordt aanvaard (de zaak A. 86.520/IX-2027); IX-1776-1/17 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 14 juni 2002 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 14 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-1776-2/17 1.
- André Beerts, geboren op 8 april 1968, neemt op 8 april 1984 dienst als leerling van de Koninklijke Kadettenschool. Hij vervolgt in 1987 zijn studies in de Koninklijke Militaire School, afdeling Alle Wapens. Op 26 september 1991 wordt hij benoemd in de graad van onderluitenant, met anciënniteit op 26 september 1989 en wordt hij opgenomen in het kader der beroepsofficieren, korps van de officieren van de pantsertroepen. Op 26 september 1993 wordt verzoeker benoemd tot de graad van luitenant. In 1994 is hij pelotonscommandant van het peloton valschermspringen in het Trainingscentrum voor parachutisten te Schaffen. 1.
- Op 10 november 1994 vraagt verzoeker te kunnen genieten van een "tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden" (hierna : TAPA). Hij verwijst in zijn aanvraag naar een aanbod dat hij van de Kredietbank heeft gekregen om vanaf 2 januari 1995 een vacature van kantoorhouder in te vullen. Op 9 januari 1995 beslist de minister van Landsverdediging de aanvraag te weigeren. Hij motiveert de beslissing als volgt : "Rendementsperiode pas vervuld op 01 Sep 97". 1.
- Op 13 januari 1995 doet verzoeker een nieuwe TAPA-aanvraag. Hij motiveert zijn aanvraag als volgt : "Naar aanleiding van de brief van 3 januari 1995 (...) van Lt-Kol JADOT, vraag ik hiermee opnieuw non-activiteit aan vanaf 1 april 1995, voor de duur van 1 jaar. Mijn mogelijk nieuwe werkgever - de Kredietbank - heeft uitzonderlijk aanvaard om mijn effectieve indiensttreding te laten ingaan op ten laatste 1 april
- (...)"; Op 23 januari 1995 adviseert de korpscommandant de aanvraag "ongunstig" met de motivering : IX-1776-3/17 "Amper 1 jaar en 1 maand in de eenheid. Zie ook advies Minister van Landsverdediging op vorige aanvraag"; 1.
- Bij brief van 18 juli 1996 deelt de griffie van het Militair Gerechtshof aan de Generale Staf van de Krijgsmacht mee dat het Militair Gerechtshof verzoeker op 26 juni 1996 veroordeeld heeft tot twee keer 20 dagen zwaar arrest wegens desertie in vredestijd en insubordinatie, -feiten gepleegd op 14 februari 1995- maar dat verzoeker tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld heeft. 1.
- Op 24 oktober 1996 dient verzoeker opnieuw een aanvraag voor TAPA in. Hij stelt in zijn "uiteenzetting" wat volgt : "Ondergetekende Lt BEERTS André wenst Tijdelijke Ambtsontheffing voor Persoonlijke Aangelegenheden (TAPA) te nemen vanaf 1 december 1996, voor de duur van 1 jaar. Indien de ingangsdatum van 1 december 1996 niet haalbaar is, wens ik in tweede instantie, de TAPA te laten aanvangen zo vroeg mogelijk, hetzij op 1 januari 1997, hetzij op 1 februari
- Mijn huidige situatie in de Strijdkrachten is psychologisch onhoudbaar geworden. Na 1,5 jaar psychiatrische behandeling is verder functioneren een ondraaglijke last geworden. Om persoonlijke redenen wens ik 1 jaar Tijdelijke Ambtsontheffing"; De korpscommandant van verzoeker adviseert de aanvraag "ongunstig". Hij stelt : "Toegekomen in de eenheid op 5 augustus
- Op die datum heeft hij verlof gekregen tot 2 september
- Vanaf deze datum is hij zonder onderbreking afwezig geweest. Heeft dus nog niets gepresteerd"; De Stafchef van de Landmacht daarentegen geeft een gunstig advies. Op 11 december 1996 beslist de minister van Landsverdediging de aangevraagde tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden toe te staan voor de duur van 12 maanden met ingang van 1 december
- IX-1776-4/17 1.
- Op 21 mei 1997 veroordeelt het Militair Gerechtshof verzoeker tot de afzetting omdat hij als officier, in vredestijd, zich gedurende meer dan vijftien dagen van zijn korps of van zijn verblijfplaats verwijderd heeft, namelijk van 8 oktober 1996 tot 24 oktober
- Verzoeker tekent tegen dat arrest cassatieberoep aan. 1.
- Op 22 oktober 1997 doet verzoeker een aanvraag tot ontslag uit het kader der beroepsofficieren met ingang van 1 januari
- Op 19 januari 1998 beslist de minister van Landsverdediging dat ontslag te weigeren. Hij motiveert zijn beslissing als volgt : "Voldoet niet aan de rendementsvoorwaarden. Mag 12 maanden verlenging TAPA aanvragen". 1.
- Op 26 februari 1998 vraagt verzoeker om verlenging van zijn TAPA voor de duur van twaalf maanden op datum van 1 januari
- Op 28 april 1998 staat de minister van Landsverdediging de TAPA toe voor de duur van 12 maanden met ingang van 1 januari
- 1.
- Op 7 augustus 1998 stelt de korpscommandant van verzoeker voor om hem te laten verschijnen voor de onderzoeksraad met het oog op zijn ontslag van ambtswege. Hij geeft de volgende "uiteenzetting" : "Betrokkene werd door de krijgsraad te BRUSSEL veroordeeld uit hoofde van desertie en insubordinatie. Lt BEERTS tekende beroep aan bij het Militair Gerechtshof waar hij in juni veroordeeld werd tot tweemaal twintig dagen zwaar arrest. In toepassing van Reg A16 - B1 - Art 23 stel ik voor betrokkene te laten verschijnen voor de onderzoeksraad met het oog op zijn ontslag van ambtswege gezien de feiten onverenigbaar zijn met de staat van officier"; Op 20 september 1998 beslist de minister van Landsverdediging dat verzoeker voor de onderzoeksraad moet verschijnen. IX-1776-5/17 1.
- Op 26 oktober 1998 vraagt verzoeker zijn ontslag uit het kader der beroepsofficieren op datum van 1 januari
- De korpscommandant van verzoeker adviseert de aanvraag "gunstig". De stafchef van de Landmacht adviseert ongunstig. Hij motiveert zijn advies als volgt : "Voldoet niet aan de rendementsvoorwaarden en het max. van 12 maand TAPA werd reeds overschreden Reg. A12/1 (Hfst. IV Par 18). Tekort aan Offr Sub LM, de enkadreringsgraad Off Sub is minder dan 80%"; 1.
- Bij brieven van 26 januari 1999 deelt de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof aan de Divisie Personeel mee dat het arrest van het Militair Gerechtshof van 21 mei 1997 op 12 januari 1999 in kracht van gewijsde is getreden nadat het cassatieberoep is verworpen en dat het gerechtelijk onderzoek van deze zaak heeft uitgewezen dat betrokkene onwettig afwezig was op 8 oktober 1996, dat de toepasselijke respijttermijn vijftien dagen bedroeg, dat betrokkene als deserteur werd beschouwd op 24 oktober 1996 en dat de desertie een einde nam op 24 oktober
- 1.
- Op 5 februari 1999 zendt de Chef van de Generale Staf het dossier met betrekking tot de sub 1.
- vermelde aanvraag tot ontslag uit het kader der beroepsofficieren van verzoeker voor beslissing aan de minister van Landsverdediging. Hij adviseert ongunstig met de volgende motivering : "Betrokken Offr voldoet niet aan de rendementsvoorwaarden en behoort tot een categorie met een encadreringstekort"; 1.
- Op 8 februari 1999 ondertekent de Chef van de Generale Staf een nota aan verschillende diensten van de krijgsmacht waarin wordt gesteld dat het Militair Gerechtshof bij arrest van 21 mei 1997 de afzetting bepaald in artikel 6 van IX-1776-6/17 het Militair Strafwetboek heeft uitgesproken en dat, aangezien dit arrest in kracht van gewijsde is getreden op 12 januari 1999, de afzetting definitief ingaat op 12 januari 1999, dat verzoeker werd teruggeplaatst in de graad van soldaat en dat het hem wordt verboden om de kentekens en het uniform van officier te dragen. Dit is de bestreden akte in de zaak A. 83.516/IX-
- 1.
- Op 12 februari 1999 adviseert de onderzoeksraad met betrekking tot het voorgestelde ontslag van ambtswege. In het "proces-verbaal van de uitspraak en de adviezen" wordt eenparig geoordeeld dat de feiten bewezen zijn, dat de feiten ernstig zijn en dat de feiten onverenigbaar zijn met de staat van officier. De motivering van het advies luidt als volgt : "a. Ernst der feiten Een desertie op vredesvoet, met een poging achteraf deze te willen te niet doen met al of niet gerechtvaardigde doktersattesten, en zeker de insubordinatie, zijn binnen een strakke hiërarchische militair kader altijd als zeer ernstig te bestempelen. b. Onverenigbaarheid met de staat van officier Uit hetgeen voorafgaat is het dan ook duidelijk dat deze feiten absoluut niet stroken met de staat van een officier. c. Advies over de strafmaat Gezien het feit dat aan de hand van het verhoor duidelijk is gebleken dat belanghebbende een totale demotivatie vertoont t.o.v. het militair gebeuren en rekening houdend met het omstandigheidsreglement dat belanghebbende ondertussen veroordeeld werd door het Militair Hof op 21 Mei 97 voor een bijkomende desertie op 26 Okt 96 (zie dossier Par 16), bevestigt de onderzoeksraad unaniem de door de Korpscommandant voorgestelde statutaire maatregelen"; De onderzoeksraad stelt het ontslag van ambtswege voor. 1.
- Op 15 februari 1999 ondertekent verzoeker de sub 1.
- vermelde nota van 8 februari 1999 voor kennisneming en ontvangst. 1.
- Bij koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999 wordt het ontslag uit het ambt bij het kader der beroepsofficieren van de landmacht dat luitenant Beerts IX-1776-7/17 heeft aangeboden, aangenomen op 1 januari
- Op deze datum gaat verzoeker met zijn graad en zijn anciënniteit over naar het kader der reserveofficieren van de landmacht, korps van de pantsertroepen. 1.
- Met een nota van 5 maart 1999 zendt de Chef van de Generale Staf het dossier met betrekking tot de procedure van definitieve ambtsontheffing betreffende soldaat (ex-luitenant) Beerts voor beslissing aan de minister. Hij geeft een beknopte analyse van het dossier waarin hij erop wijst dat verzoeker voor de onderzoeksraad is verschenen, dat de onderzoeksraad het ontslag van ambtswege adviseert met éénparigheid van stemmen, en dat betrokkene geen verweer liet gelden. Hij adviseert het ontslag van ambtswege. 1.
- Op 19 maart 1999 zendt de Chef van de Generale Staf aan de korpscommandant van verzoeker een afschrift van het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999 in verband met het ontslag van verzoeker uit het kader der beroepsofficieren. 1.19.
- Op 20 april 1999 zendt de Chef van de Generale Staf een dossier aan de minister met betrekking tot de vernietiging van het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart
- Hij geeft een beknopte analyse van het dossier en stelt dat betrokkene door het Militair Gerechtshof op 21 mei 1997 werd veroordeeld tot de afzetting, dat de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden op 12 januari 1999, dat de minister op 20 september 1998 heeft beslist betrokkene voor een onderzoeksraad te laten verschijnen met het oog op zijn ontslag van ambtswege, dat de onderzoeksraad op 20 januari 1999 zijn besluiten heeft genomen en het ontslag van ambtswege heeft voorgesteld, dat inmiddels betrokkene op 3 november 1998 een model B heeft ingediend waarin hij zijn ontslag vroeg met ingang van 1 januari 1999, dat het model B naar de minister werd gezonden op 2 februari 1999, dat het ontslag werd aangenomen door de Koning op 3 maart 1999 en uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1999, dat dit koninklijk besluit onwettig is daar de aanvraag tot ontslag IX-1776-8/17 onontvankelijk was aangezien de Koning het ontslag van luitenant Beerts aanvaardde terwijl deze op het ogenblik van de beslissing soldaat was. Hij verleent gunstig advies met betrekking tot de intrekking van het aangenomen ontslag van 3 maart 1999 en met betrekking tot het ontslag van ambtswege. 1.19.
- Bij koninklijk besluit nr. 2366 van 13 juni 1999 wordt artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999 ingetrokken. In de aanhef van het koninklijk besluit wordt verwezen, ten eerste, naar de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, inzonderheid naar de artikelen 20, 21, 35 en 55, ten tweede, naar het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering der beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid naar artikel 20, en ten derde naar het koninklijk besluit van 25 september 1959 betreffende het statuut der reserveofficieren, inzonderheid naar de artikelen 2 en
- Verder wordt in de aanhef de volgende motivering gegeven : "Gelet op het feit dat het besluit van het ontslag onontvankelijk was (op het moment dat de Koning het ontslag van Lt Beerts aanvaardde was betrokkene soldaat); Overwegende dat het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999 moet bestempeld worden als een onbestaande handeling die steeds kan worden ingetrokken"; Dit is de bestreden akte in de zaak A. 86.520/IX-
- 1.19.
- Bij koninklijk besluit nr. 2365 van 13 juni 1999 wordt soldaat (ex-luitenant) Beerts van ambtswege uit zijn ambt ontslagen. De motivering van dit koninklijk besluit luidt als volgt : "Gelet op de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst en de reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, inzonderheid op artikel 23; Gelet op de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht; IX-1776-9/17 Gelet op het koninklijk besluit van 7 april [1959] betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid op de artikelen 30bis en 42; Gelet op het met redenen omkleed verslag van Onze Minister van Landsverdediging; Overwegende dat betrokkene op ernstige wijze aan zijn ambtsverplichtingen verzuimd heeft door onder meer zich te bezondigen aan desertie en insubordinatie; Overwegende dat betrokkene voor deze feiten diende te verschijnen voor een onderzoeksraad; Dat deze raad met unanimiteit der stemmen besloten heeft dat de feiten bewezen, ernstig en onverenigbaar zijn met de staat van militair; Dat desertie en insubordinatie moeten aanzien worden als duidelijk zwaarwichtige feiten; Dat deze feiten niet mogen getolereerd worden in hoofde van eender welke militair; Overwegende dat desertie niet enkel een desorganisatie van de eenheid tot gevolg heeft, maar tevens een nadelige invloed heeft op de noodzakelijke tucht en de operationaliteit van de krijgsmacht; Dat dit gedrag nadelig is voor zowel de werkomgeving, de collega's als de krijgsmacht; Dat het vertrouwen in betrokkene is geschokt; Dat betrokkene door een arrest van het Militair Gerechtshof op 12 januari 1999 veroordeeld werd tot de afzetting; Dat betrokkene een totale demotivatie vertoonde ten opzichte van het militaire gebeuren tijdens de zitting van de onderzoeksraad; Overwegende dat hierdoor de band met betrokkene dient verbroken te worden; Dat dit niet bereikt wordt met een tijdelijke maatregel; Dat dit enkel bereikt kan worden met een definitieve ambtsontheffing"; Dit is de bestreden akte in de zaak A. 86.519/IX-
- 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 29 juli 1999 wordt het koninklijk besluit nr. 2366 van 13 juni 1999, waarbij de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999 worden ingetrokken, bij uittreksel bekendgemaakt. Op 9 augustus 1999 neemt verzoeker kennis van de koninklijke besluiten nr. 2365 en
- Het ambtshalve ontslag gaat in op 10 augustus
- IX-1776-10/17
- De zaak A. 83.516/IX-
- 2.
- Overwegende dat de verwerende partij het beroep niet ontvankelijk acht, aangezien de bestreden akte geen wijzigingen aanbrengt in de rechtsorde; dat zij uiteenzet dat verzoeker door het Militair Gerechtshof veroordeeld is tot de afzetting en dat dit arrest tot "inherent gevolg" heeft dat de betrokkene teruggeplaatst wordt in de graad van soldaat zodat de bestreden mededeling van de Chef van de Generale Staf niets anders is dan een mededeling over de rechtstoestand van verzoeker na het arrest van het Militair Gerechtshof; dat zij daaraan toevoegt dat de omstandigheid dat de nota melding maakt van de mogelijkheid om een annulatieberoep in te dienen, de onontvankelijkheid van het beroep niet kan goedmaken; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat hij met het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999 met ingang op 1 januari 1999 ontslag gekregen heeft uit het kader van de beroepsofficieren en opgenomen is in het kader van de reserveofficieren, zodat het bestreden besluit van 8 februari 1999 niet rechtsgeldig uitgevaardigd kon worden; 2.
- Overwegende dat, luidens artikel 6 van het Militair Strafwetboek, de straf van de afzetting tot gevolg heeft dat de veroordeelde beroofd wordt van zijn graad en van het recht om er de kentekens en het uniform van te dragen; dat te dezen verzoeker bij arrest van 21 mei 1997 van het Militair Gerechtshof afgezet is en dat dit arrest op 12 januari 1999 in kracht van gewijsde is gegaan; dat verzoeker daarmee van zijn graad van officier beroofd is geworden zodat de nota van 8 februari 1999 niets méér bevat dan een vaststelling betreffende de rechtstoestand waarin verzoeker zich na het arrest bevindt, zonder dat zij zelf rechtsgevolgen doet ontstaan; dat het beroep niet ontvankelijk is; dat in de omstandigheid dat de nota vermeldde dat een annulatieberoep ingediend kon worden wel een reden wordt gevonden om, zoals verzoeker in zijn laatste memorie vraagt, de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen; IX-1776-11/17
- De zaak A. 86.520/IX-
- 3.
- Overwegende dat verzoeker in deze zaak -het beroep tegen het koninklijk besluit nr. 2366 van 13 juni 1999 tot intrekking van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 2228 van 3 maart 1999, houdende de aanvaarding van zijn ontslag uit het beroepskader met ingang op 1 januari 1999- een enig middel aanvoert, waarin hij stelt dat het besluit vertrekt van de verkeerde veronderstelling dat de afzetting uitgevoerd werd door de "akte van 8 februari 1999" -de nota die het voorwerp uitmaakt van het eerste beroep- terwijl hij sinds 1 januari 1999 geen beroepsofficier meer was en hij dan ook niet kon afgezet kon worden en dat op 13 juni 1999 de termijn voor de intrekking van het besluit van 3 maart 1999 verstreken was, zodat hij zich op "verworven rechten" kan beroepen, verleend door een volstrekt regelmatig besluit; dat hij met betrekking tot laatstvermeld argument uiteenzet dat het besluit nr. 2228 zeker niet kennelijk onwettig is aangezien "eenieder" hem altijd als beroepsofficier of als reserveofficier heeft beschouwd, ook de verwerende partij, aangezien zij hem op 29 maart 1999 nog het besluit heeft medegedeeld waarbij zijn ontslagaanvraag uit het beroepskader werd ingewilligd; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar onder meer op antwoordt dat het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 12 januari 1999 van het Militair Gerechtshof, waarbij verzoeker werd afgezet, tot gevolg had dat er vanaf dat ogenblik geen "luitenant Beerts" meer bestond maar nog enkel een "soldaat Beerts" en dat elke akte die na 12 januari 1999 verzoeker nog de graad van luitenant of de staat van officier toedicht (...) het gezag van gewijsde van het arrest van de strafrechter op flagrante wijze miskent zodat het een manifest illegale en dus onbestaande handeling is"; dat zij van oordeel is dat, rekening houdend met die gegevens, de Koning op 3 maart 1999 niet meer vermocht te stellen dat verzoeker als luitenant ontslagen werd, dat het voor verzoeker evenzeer "evident diende te zijn (...) dat hij soldaat was vanaf 12 januari 1999 (zodat hij) de beslissing waarbij hij na zijn afzetting reserveofficier werd niet ernstig (kon) nemen", zodat het ontslagbesluit van 3 maart 1999 onbetwistbaar een onbestaande handeling is die ook na 60 dagen nog kon ingetrokken worden; IX-1776-12/17 3.3.
- Overwegende dat de intrekking van een administratieve beslissing die rechten toekent slechts mogelijk is op voorwaarde dat zij onregelmatig is en dat de intrekking gebeurt binnen de termijn waarbinnen zij met een annulatieberoep bestreden kan worden; dat evenwel de laatstvermelde voorwaarde niet geldt wanneer, onder meer, de intrekking een onbestaande handeling betreft; dat de verwerende partij zich te dezen beroept op het feit dat het ontslag uit de graad van luitenant werd toegestaan op het ogenblik dat verzoeker soldaat was, hetgeen volgens haar een onbestaande handeling uitmaakt zodat de intrekking niet hoefde te gebeuren binnen de termijn voor het indienen van een annulatieberoep; 3.3.
- Overwegende dat voor de beoordeling van het middel de volgende chronologie van belang is: op 21 mei 1997 wordt verzoeker door het Militair Gerechtshof strafrechtelijk veroordeeld tot de afzetting wegens desertie in oktober 1996; tegen die afzetting, welke tot gevolg heeft dat hij zijn graad van luitenant en zijn hoedanigheid van officier verliest en de hoedanigheid van soldaat verkrijgt, tekent verzoeker op 3 juni 1997 cassatieberoep aan; op 26 oktober 1998 vraagt verzoeker zijn ontslag vanaf 1 januari 1999 aan uit het kader der beroepsofficieren; op 26 januari 1999 deelt het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof aan de Chef van de Generale Staf van de krijgsmacht mee dat het arrest van 21 mei 1997 op 12 januari 1999 kracht van gewijsde verkregen heeft door de verwerping van het cassatieberoep van verzoeker; op 15 februari 1999 krijgt hij kennis van de nota van 8 februari 1999 waarin de Generale Staf van de krijgsmacht aan de betrokken diensten meldt dat verzoeker door het Militair Gerechtshof afgezet is en dat die afzetting definitief geworden is op 12 januari 1999; op 3 maart 1999 wordt met het koninklijk besluit nr. 2228 het aangevraagde ontslag van verzoeker uit het kader van de beroepsofficieren met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 ingewilligd en wordt hij naar het kader van de reserveofficieren overgeplaatst; verzoeker neemt naar eigen zeggen kennis van dat besluit op 30 maart 1999; Overwegende dat de partijen niet betwisten dat het arrest van 21 mei 1997 van het Militair Gerechtshof, na de verwerping van het ertegen ingestelde cassatieberoep, op 12 januari 1999 kracht van gewijsde heeft verkregen; IX-1776-13/17 dat op dat ogenblik definitief vast is komen te staan dat verzoeker op grond van een beslissing van de strafrechter geen officier meer was en dat de verwerende partij niet meer de mogelijkheid had om, zonder het gezag van het arrest van het Militair Hof te miskennen, verzoekers aanvraag tot ontslag uit het beroepskader toch nog in te willigen en hem als officier naar het reservekader over te plaatsen; dat, door toch dergelijke beslissing te nemen, de verwerende partij de rechtstoestand van verzoeker, zoals die door de strafrechter erga omnes was vastgesteld, miskend heeft; dat de omstandigheid dat het koninklijk besluit van 3 maart 1999 retroageert tot 1 januari 1999 -datum waarop het arrest van het Militair Gerechtshof nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen- aan die vaststelling niets afdoet, aangezien een administratieve beslissing de uitwerking van een rechterlijke uitspraak niet kan verhinderen; dat in die zin het koninklijk besluit van 3 maart 1999 onregelmatig is en dat, inzonderheid omdat administratieve beslissingen in alle evidentie de uitwerking van een rechterlijke uitspraak niet kunnen tenietdoen, er in dit geval sprake is van een zo grove onregelmatigheid dat het besluit voor onbestaande gehouden moet worden; dat daaruit volgt dat het bestuur dat besluit te allen tijde kon intrekken; dat noch de omstandigheid dat verzoeker bij de kennisneming van het koninklijk besluit van 3 maart 1999 mogelijk geen zicht had op de onregelmatigheid van dat besluit -wat overigens te betwijfelen valt aangezien hem op 8 februari 1999 was medegedeeld dat hij door de strafrechter teruggezet was tot soldaat-, noch het feit dat hij ook na het definitief worden van het arrest van het Militair Hof door het bestuur nog voort als officier en als luitenant aangesproken zou zijn, van aard zijn om, in een geval als het onderhavige, het grove karakter van de begane onwettigheid anders te beoordelen; dat het middel niet gegrond is;
- De zaak A. 86.519/IX-
- 4.
- Overwegende dat verzoeker in de zaak A. 86.519/IX-2026 -het beroep tegen het koninklijk besluit nr. 2365 van 13 juni 1999 waarbij hij overeenkomstig artikel 23 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de krijgsmacht van ambtswege wordt ontslagen- een enig middel aanvoert, waarin hij stelt -eerste onderdeel- dat hij met het koninklijk besluit IX-1776-14/17 nr. 2228 van 3 maart 1999 "volkomen terecht" vanaf 1 januari 1999 opgenomen is in het kader van de reserveofficieren, dat hij bijgevolg op 13 juni 1999 niet als soldaat van het actief kader beschouwd kon worden en hij op dat ogenblik dan ook niet als soldaat ontslagen kon worden, zodat het bestreden besluit op onwettige motieven steunt en -tweede onderdeel- dat hij, als soldaat, had moeten verschijnen voor de onderzoeksraad van de soldaten, zoals bepaald in artikel 18bis van de wet van 12 juli 1973 houdende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht -dus niet voor de onderzoeksraad van de beroepsofficieren- en dat, overeenkomstig artikel 17 van dezelfde wet, het niet aan de Koning, maar aan de minister toekwam om hem als soldaat te ontslaan; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker zijn tuchtrechtelijke afzetting als soldaat onwettig vindt omdat hij vanaf 1 januari 1999 naar het reserve- officierenkader was overgegaan en dat hij bijgevolg nadien niet als soldaat ontslagen kon worden, omdat hij -als soldaat- had moeten verschijnen voor de onderzoeksraad van de soldaten en dat de minister -niet de Koning- het ontslagbesluit had moeten treffen; 4.2.
- Overwegende dat sub 3.3.
- vastgesteld is dat verzoeker door een definitief arrest van het Militair Gerechtshof van zijn hoedanigheid van officier beroofd is, dat de verwerende partij die rechterlijke uitspraak miskend heeft door verzoeker met ingang van 1 januari 1999 van het beroeps- naar het reservekader te laten overgaan en dat die beslissing zo grof onwettig is dat zij op 13 juni 1999 nog ingetrokken kon worden; dat daaruit volgt dat de verwerende partij verzoeker op 13 juni 1999 terecht als een tot soldaat teruggezet officier tuchtrechtelijk uit het leger kon verwijderen; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verwerende partij bij het voeren van de tuchtprocedure wel de wettelijk voorgeschreven procedure diende te volgen; dat verzoeker te dien aanzien wel voorhoudt dat hij, als soldaat, voor een verkeerde onderzoeksraad is verschenen en dat het de minister was die hem tuchtrechtelijk had moeten ontslaan, maar dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord IX-1776-15/17 tegenover stelt dat artikel 30bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst bepaalt dat een officier die veroordeeld is tot de afzetting teruggesteld wordt in de graad van soldaat van het beroepskader, dat de Koning hem op grond van artikel 23 van de wet van 1 maart 1958 van ambtswege uit zijn ambt kan ontzetten en dat "voor de toepassing van dat artikel de officier geacht (wordt) zijn graad te hebben behouden"; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de -terechte- uiteenzetting van de verwerende partij niet meer betwist heeft; dat ook het tweede onderdeel van het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij (A. 83.516/IX-1776). De kosten van de beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekers (A. 86.519/IX-2026 en A. 86.520/IX-2027). IX-1776-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1776-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.