id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.712 Rolnummer: A. 146621/XII-4025 Zaak: Arrest 135712 - - 05/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 10:48 Fiche Arrest nr 135.712 van 5 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.712 van 5 oktober 2004 in de zaak A. 146.621/XII-
- In zake : de VZW RADIO VRM, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Schepper, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 31 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- tussenkomende partij : de NV ANTWERPSE RADIO, die woonplaats kiest bij advocaat H. Lamon, kantoor houdende te Hasselt, Leopoldplein
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Radio VRM op 16 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 7 november 2003 houdende erkenning (van de NV Antwerpse Radio) als regionale radio-omroep voor het frequentiepakket van het regionaal net Antwerpen en van de daaruit blijkende “niet erkenning van verzoekster”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4025-1/6 Gelet op de beschikking van 30 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. De Schepper, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. Lamon, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de NV Antwerpse Radio met een verzoekschrift van 4 februari 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij de begunstigde is van het bestreden besluit, zodat er reden is om op dit verzoek in te gaan; Overwegende dat het Vlaams Commissariaat voor de Media bij bericht in de tweede editie van het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2003 verklaart “dat voor de frequenties, bepaald bij en omschreven in het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen, met bijlagen, een aanvraag tot erkenning als regionale radio-omroep kan worden ingediend”; Overwegende dat voor het verzorgingsgebied regionaal net Antwerpen, waarvoor slechts één erkenning kan worden verleend, twee kandidaturen zijn ingediend: een door verzoekende partij en een door tussenkomende partij; Overwegende dat de Vlaamse minister van wonen, media en sport bij het bestreden besluit van 7 november 2003 de tussenkomende partij voor de duur XII-4025-2/6 van negen jaar erkent als regionale radio-omroep voor Antwerpen en haar het enig beschikbare frequentiepakket toekent; Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoekende partij met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde in het inleidend verzoekschrift betoogt : “De erkenning als regionale radio heeft voor gevolg dat de partij die erkend werd, en alleen die partij, een aanvraag kan indienen voor het bekomen van een uitzendlicentie. Start van de uitzendingen is normaal voorzien tegen maart
- Door de bestreden beslissing wordt het verzoekster daarom onmogelijk gemaakt om nog radio te verzorgen en om haar maatschappelijk doel te realiseren. Zo de beslissing tot niet erkenning van verzoekster niet wordt geschorst, kan verzoekster in maart 2004 niet starten met uitzendingen. Indien niet dringend een beslissing wordt genomen, is het voortbestaan van de vzw bedreigd door gebrek aan werkingsmiddelen. Dit nadeel is moeilijk zoniet onmogelijk te herstellen zo geen beslissing wordt genomen op korte termijn. Opgemerkt zij dat de VZW een lokale radio uitbaat, maar door de erkenningsaanvraag als regionale radio niet kon meedingen voor een licentie als lokale radio. Hierdoor zal verzoekster, na het toekennen van de zendvergunningen, geen enkele radio-uitzending meer kunnen verzorgen bij gebrek aan enige erkenning”; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van XII-4025-3/6 de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”; dat uit die bepalingen volgt dat een verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan, dat zij precieze en concrete aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het ingeroepen nadeel en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hierover in beginsel geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat verzoekende partij in haar verzoekschrift zelfs geen begin maakt van enige becijfering van het gevreesde financieel nadeel; dat het evenwel niet vanzelfsprekend is dat de verzoekende partij, die een vereniging zonder winstoogmerk is, in haar voortbestaan bedreigd wordt “door gebrek aan werkingsmiddelen”; dat aan de Raad geen inzicht wordt verschaft in de huidige financiële verplichtingen en in de voor het voortbestaan van die vereniging op korte termijn vereiste “werkingsmiddelen”; dat voorts het in de statuten van de vereniging omschreven maatschappelijk doel niet is beperkt tot alleen het verzorgen van radioprogramma’s als regionale omroep en niet lijkt uit te sluiten dat de vereniging ook uit andere bronnen inkomsten kan verwerven; dat ook daarover aan de Raad geen informatie wordt verschaft; dat, bij uitbreiding, wegens het gebrek aan informatie terzake door de Raad ook niet kan worden beoordeeld of de verzoekende partij het ingeroepen nadeel niet of slechts zeer moeilijk kan ondergaan tot de uitspraak ten gronde zonder in haar voortbestaan te worden bedreigd; Overwegende dat de verzoekende partij ook haar bewering dat zij “door de erkenningsaanvraag als regionale radio niet kon meedingen voor een licentie als lokale radio” geenszins onderbouwt; dat dit aspect van het aangevoerde nadeel, zoals verzoekende partij het zonder meer stelt, niet zozeer verbonden is met de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden erkenning van tussenkomende partij, maar wel voornamelijk het gevolg is van de eigen keuze van verzoekende partij om voortaan een regionale radio-omroep te willen exploiteren; dat die vaststelling nog meer klemt nu overigens de vraag rijst of het standpunt van verzoekende partij wel feitelijke grond heeft; dat immers de rechtspersoon die erkend wil worden (of blijven) als lokale radio-omroep weliswaar luidens artikel 38nonies, 2/, van de gecoördineerde mediadecreten niet meer dan één particuliere radio-omroep mag XII-4025-4/6 exploiteren; dat de vraag echter rijst of dit uitsluit dat meerdere aanvragen worden ingediend; dat het meervermeld bericht van het Vlaams Commissariaat in het Belgisch Staatsblad alleszins niet -door te melden “Indien een kandidaat voor twee of meer verzorgingsgebieden een aanvraag indient, duidt hij het verzorgingsgebied van zijn voorkeur aan”- meerdere aanvragen voor een erkenning als regionale radio uitsluit; dat evengoed verzoekende partij, die op het ogenblik van haar aanvraag nog geen regionale radio-omroep exploiteert, maar slechts beoogt op basis van de gevraagde erkenning er een te mogen exploiteren, niet aantoont waarom zij niet ook een aanvraag tot erkenning als lokale radio-omroep kon indienen, mits daarbij haar voorkeur voor de ene of de andere erkenning te laten weten; dat een meervoudige aanvraag de aanvraagster in voorkomend geval uiteindelijk voor de keuze zal stellen, maar dat de Raad niet onmiddellijk een formele tekst bekend is die prinicpieel verbiedt een aanvraag in te dienen voor erkenning als regionale radio-omroep én een aanvraag houdende erkenning als lokale radio-omroep; Overwegende dat het nadeel zoals het is aangevoerd, niet kan worden gekwalificeerd als ernstig en moeilijk te herstellen; dat niet is voldaan aan een van grondvoorwaarden voor een vordering tot schorsing, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de NV Antwerpse Radio in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-4025-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4025-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.712 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.487 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.