← België

Arrest 135717 - - 05/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.717 Rolnummer: A. 129551/VII-33224 Zaak: Arrest 135717 - - 05/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 10:49 Fiche Arrest nr 135.717 van 5 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.717 van 5 oktober 2004 in de zaak A. 129.551/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. COPINSCHI, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 20 november 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 oktober 2002 houdende de weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffen- de de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV-12.657-1/6 2 Gelet op de beschikking van 18 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. SRAN die, loco Advocaat S. COPINSCHI verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, komt op 19 oktober 2001 in België binnen waar zij zich op dezelfde dag voor de eerste maal vluchteling verklaart. 1.
  4. De Minister van Binnenlandse Zaken neemt op 19 november 2001 een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 27 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 november 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 8 maart 2002 dient de echtgenoot van verzoekster via het Rode Kruis Vlaanderen een aanvraag in tot verlenging van zijn bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten omwille van ernstige medische redenen. 1.
  7. Op 27 mei 2002 beslist de Dienst Vreemdelingenzaken dat aan de aanvraag van de echtgenoot van verzoekster voor verblijfsverlenging wegens medische redenen geen gunstig gevolg kan worden verleend. XIV-12.657-2/6 3 1.
  8. Op 28 juni 2002 dienen verzoekster en haar echtgenoot een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
  9. Op 17 oktober 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  10. Op 22 augustus 2002 dient verzoekster een tweede asielaanvraag in. 1.
  11. De Minister van Binnenlandse Zaken beslist op 22 oktober 2002 tot de weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Overwegende dat de betrokkene op 19 oktober 2001 een eerste asielaanvraag indiende en er voor haar een beslissing tot weigering van verblijf genomen werd vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken die op 27 februari 2002 bevestigd werd door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Overwegende dat de betrokkene op 22 augustus 2002 een tweede asielaanvraag indiende waarbij zij opnieuw vertelt waarom ze haar land van herkomst heeft verlaten. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de betrokkene ze had kunnen naar voren brengen. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. (...).”.
  12. Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat een beslissing houdende een weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring alleen maar vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring; dat bijgevolg de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is; 2.2.
  14. Overwegende dat artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: XIV-12.657-3/6 4 “De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  15. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld.”; 2.2.
  16. Overwegende dat de bestreden beslissing van weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring de volgende overweging inhoudt: “Overwegende dat de betrokkene op 19 oktober 2001 een eerste asielaanvraag indiende en er voor haar een beslissing tot weigering van verblijf genomen werd vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken die op 27 februari 2002 bevestigd werd door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Overwegende dat de betrokkene op 22 augustus 2002 een tweede asielaanvraag indiende waarbij zij opnieuw vertelt waarom ze haar land van herkomst heeft verlaten. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de betrokkene ze had kunnen naar voren brengen. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen.”; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoekster niet aantoont dat zij bij haar tweede asielaanvraag nieuwe gegevens heeft aangevoerd, die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin zij die gegevens had kunnen aanbrengen en die aantonen dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, gelet op artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schorsing; dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  18. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  19. XIV-12.657-4/6 5 De kosten worden voorbehouden. XIV-12.657-5/6 6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober tweeduizend en vier, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-12.657-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.