← België

Arrest 135728 - - 05/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.728 Rolnummer: A. 111780/XIV-7005 Zaak: Arrest 135728 - - 05/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 10:50 Fiche Arrest nr 135.728 van 5 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.728 van 5 oktober 2004 in de zaak A. 111.780/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BEERNAERT, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Hugo Verrieststraat 39 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, op 19 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 september 2001 houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 124.942 van 3 november 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-7005-1/7 Gelet op de beschikking van 19 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. COLANGELO, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. XXX verklaart de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Verzoekster wordt op 10 september 2001 door de grenscontrole op de luchthaven te Zaventem aangetroffen zonder documenten. Daarop verklaart zij zich vluchteling. 1.
  6. Op 11 september 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoekster een beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied van het Rijk met terugdrijving. 1.
  7. Op 25 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van toegang tot het grondgebied van het Rijk van 11 september
  8. 1.
  9. Op 24 oktober 2001 dient verzoekster bij de Raad van State een verzoek tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 september
  10. 1.
  11. In het arrest nummer 124.495 van 22 oktober 2003 wordt het beroep tot nietigverklaring verworpen. XIV-7005-2/7 1.
  12. Op 26 september 2001 wordt aan verzoekster een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken houdende een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “REDEN VAN DE BESLISSING : Art. 7 al. 1, 1/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen : Betrokkene verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten.”.
  13. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
  14. Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt; dat ze aanstipt dat de eventuele nietigverklaring van het bevel geen gevolgen heeft voor de verblijfstoestand van verzoekster; 2.1.
  15. Overwegende dat verzoekster het volgende repliceert in haar memorie van wederantwoord: “Wat de memorie van antwoord betreft van de zijde van de verwerende partij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, Dienst Vreemdelingenzaken, wijst verzoekende partij op het feit dat ingevolge de evolutie die zich in haar toestand heeft voorgedaan na de bestreden uitvoeringsmaatregel wel van die aard is dat die gevolgen zal hebben op haar verblijfstoestand. Het belang in hoofde van verzoekende partij is in de loop van de procedure elders komen te liggen dan oorspronkelijk het geval was. Tot onontvankelijkheid kan niet worden besloten zolang de vernietiging van de bestreden beslissing voor de verzoekende partij nog enig persoonlijk, rechtstreeks, actueel en zeker belang vertoont. Verzoekende partij is op 28 juni 2003 voor de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Roeselare in het huwelijk getreden met dhr XXX. Uit hun relatie werd op 7 november 2002 te Roeselare een kind geboren van het mannelijk geslacht dat de naam kreeg van XXX en ingeschreven staat in het huwelijksboekje van de gehuwden. Haar echtgenoot is ingeschreven in het Vreemdelingenregister te Roeselare op 30 juni 2003 met onbeperkt verblijf ingevolge regularisatie overeenkomstig de wet van 22.12.
  16. Aldus valt verzoekende partij en haar kind onder toepassing van art. 10,4/ van, de Vreemdelingenwet. Dat de echtgenoot van verzoekende partij op grond van art. 8 EVRM het recht heeft op eerbiediging van het gezinsleven, zonder inmenging van enig openbaar gezag met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen Uit niets blijkt dat verzoekende partij en haar kind een gevaar in die zin uitmaken. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet een maatregel van de overheid die een weerslag heeft op het gezinsleven in verhouding staan tot het beoogde doel. (EHRM, Mostaquin 18 februari 1991, Publ Hof, serie A, Vol. 193; EHRM, Beldjoudi, 26 maart 1992, Mubl. Hof Serie A, Vol. 234 A; EHRM, Lamguindaz; 28 juni 1996, Publ. Hof, Serie A, Vol. 258 C). Dat in casu het nadeel voor verzoekende partij en haar kind en haar echtgenoot door de maatregel niet in verhouding staat tot het voordeel van de Belgische Staat. De vaststelling dat de omstandigheden in rechte en ook in feit dermate zijn gewijzigd volstaat om te concluderen dat het belang van verzoekende partij voorhanden is. Derhalve is haar verzoek ontvankelijk te verklaren.”; XIV-7005-3/7 XIV-7005-4/7 2.1.
  17. Overwegende dat in tegenstelling tot wat de tweede verwerende partij voorhoudt, de thans bestreden beslissing niet kan worden afgedaan als een loutere uitvoeringsmaatregel, die de verblijfstoestand van verzoekster niet zou wijzigen; dat het thans bestreden bevel werd gegeven op grond van artikel 7, eerste lid, 1 van de Vreemdelingenwet en in het geheel niet spreekt over de weigering van verblijf omdat de asielaanvraag niet ontvankelijk was; dat de Minister van Binnenlandse Zaken op 11 september 2001 besliste tot weigering van toegang met terugdrijving; dat verzoekster inmiddels echter op het grondgebied van het Rijk blijkt te verblijven; dat het thans bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten derhalve wel degelijk een beslissing is die rechtsgevolgen beoogt met betrekking tot verzoeksters situatie; dat de exceptie van onontvankelijkheid niet kan worden aangenomen; 2.2.
  18. Overwegende dat de eerste verwerende partij de mening is toegedaan dat zij geen verwerende partij dient te zijn in deze zaak, daar de procedure de beslissing van 26 september 2001 genomen door de Minister en niet door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreft; dat de procedure voor de Raad van State tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 september 2001 volledig werd afgesloten met het arrest nummer 124.495 van 22 oktober 2003; 2.2.
  19. Overwegende dat verzoekster het volgende antwoordt in haar memorie van wederantwoord: “Wat de memorie van antwoord betreft van de zijde van de verwerende partij de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, kan verzoekende partij instemmen met de stelling die daar wordt in voorgehouden.”; 2.2.
  20. Overwegende dat verzoekster op 24 oktober 2001 een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing indiende van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 september 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 september 2001 tot weigering van toegang met terugdrijving; dat bij ‘s Raads arrest nummer 124.495 van 22 oktober 2003 de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring werden verworpen; dat aldus de procedure tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen definitief is afgehandeld; dat, aangezien de beslissing van 26 september 2001 werd genomen door de Minister en huidig beroep hiertegen is gericht de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verkeerdelijk aangewezen werd als verwerende partij; XIV-7005-5/7
  21. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  22. Overwegende dat verzoekster een enig middel uiteenzet dat luidt als volgt: “Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de artikelen 9, 23 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De beslissing verklaarde de asielaanvraag ongegrond omdat de aangehaalde feiten bezwaarlijk kunnen worden geïnterpreteerd als zijnde een geïndividualiseerde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. De vervolgingen moeten niet noodzakelijk van de nationale overheid uitgaan. Het volstaat dat zij de overheid niet in staat is om een doeltreffende bescherming te bieden. In casu heeft men zich blijkbaar niet afgevraagd hoe verzoekster door de Sierraleoons overheid kon worden beschermd. De Sierra Leoonse binnenlandse context laat toe te stellen dat er in hoofde van verzoekster een vrees voor vervolging is in de zin van art. 1 A

(2)Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Zelfs kan de bescherming door de Guineese overheid niet worden verzekerd. Dit klemt des te meer daar in de getroffen beslissing wordt gesteld dat het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is verzoekster naar haar land van oorsprong of Guinee en Liberia terug te leiden. Als tweede motief werd gesteld dat het asielrelaas voor het Commissariaat-Generaal vage en weinig aannemelijke verklaringen bevat Het gemis aan onderlegdheid en de jaren durende vlucht plots beëindigd met een mogelijkheid om naar België te worden gebracht waar reeds andere familieleden van haar vertoeven, brengt mede dat de preciesheid in de gegevens is vervaagd maar daarom niet minder getuigen van een lijdensweg die verzoekster en haar zuster hebben beleefd. Het relaas blijft niettemin samenhangend om de aangevoerde feiten als een aanwijzing aanzien te kunnen worden voor haar vrees voor vervolging. ”; 3.
  1. Overwegende dat de tweede verwerende partij het volgende repliceert op het middel: “Verzoekster ontwikkelt geen middelen die in verband staan met de bestreden uitvoeringsmaatregel.”; 3.
  2. Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord verzoekster niet antwoordt op hetgeen de tweede verwerende partij uiteenzet in zijn memorie van antwoord; 3.
  3. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de formele motiveringsplicht en van de artikelen 9, 23 en 62 van de Vreemdelingenwet; 3.
  4. Overwegende dat het middel volledig gericht is tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 september 2001; dat het middel dan ook niet kan leiden tot de nietigverklaring van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 26 september 2001; dat het middel niet dienstig kan worden aangevoerd, XIV-7005-6/7 BESLUIT: Artikel
  5. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober tweeduizend en vier, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-7005-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.728 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.