← België

Arrest 135751 - - 05/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.751 Rolnummer: A. 128105/XIV-12172 Zaak: Arrest 135751 - - 05/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 10:50 Fiche Arrest nr 135.751 van 5 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.751 van 5 oktober 2004 in de zaak A. 128.105/XIV-12.172 In zake : XXX, handelend in eigen naam en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordig- ster van haar minderjarig kind T., die woonplaats kiest bij Advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 9040 ST.-AMANDSBERG-GENT, Halvemaanstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 februari 1981 en van XXX nationaliteit, op 16 oktober 2002 in eigen naam en in naam van haar minderjarige zoon T., geboren op 28 december 2000, heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2002 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 16 september 2002, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 16 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.172-1/6 Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 juni 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  2. XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  3. Op 26 november 2001 is verzoekster door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. Op de zitting werd de uitbreiding naar artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet gevraagd. 1.
  4. Op 14 december 2001 heeft de derde Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoekster. Dit advies bevat de volgende overwegingen inzake verzoekster: “(...) Uit de gegevens van de bundel blijkt dat de aanvragen die thans het voorwerp van huidige procedure uitmaakt (uitmaken) TIJDIG werd(en) ingediend. Uit de gegevens in de bundel is de identiteit van verzoekers en hun aanverwanten genoegzaam vast komen te staan. Ter zitting vragen de hierboven genoemde personen, bij monde van hun raadsman en bijgestaan door de tolken, de voeging van de bundels, waarvan akte; Het feit dat betrokkenen op 01.10.1999 in het Rijk verbleven staat niet ter discussie. (...) Wat betreft de Tweede, XXX Verzoekster verklaart, samen met haar andere familieleden in november 1998 in het Rijk te zijn aangekomen. Zij voert aan niet terug te kunnen keren en zegt niet te weten waar naartoe. Zij verwerft een inkomen uit een bijstandsuitkering en zegt geen andere inkomsten te hebben. Aan de hand van deze verklaring en van zijn (haar) verklaringen ter zitting stelt de Kamer vast dat Verzoek(st)er dezelfde feiten en motieven voor de regularisatieaanvraag aanvoert die hij (zij) reeds had aangewend in de asielprocedure. Ingevolge artikel 49 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 is uitsluitend de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevoegd om een vreemdeling XIV-12.172-2/6 als vluchteling te erkennen. Luidens artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet is de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij uitsluiting van iedere andere instantie bevoegd om de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen. Betrokkene spreekt noch begrijpt één van de landstalen. Zij wil in België blijven omdat hier geen racisme is en in het belang van haar zoon. Uit de gegevens die ter zitting naar voren worden gebracht en de stukken waarop de Commissie vermag acht te slaan, blijkt niet dat de Verzoekster een duurzame band met België hebben (heeft) ontwikkeld: • Zij beheerst geen der landstalen op voldoende wijze om zich verstaanbaar te maken en in de basisbehoeften te voorzien • Zij heeft geen kennissenkring opgebouwd • Er is geen tewerkstelling (officieel of andere), hoewel dit binnen het kader van de regularisatiecampagne mogelijk was • Er is geen enkel spoor van integratie. (...).”. 1.
  5. Op 25 februari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  6. Op 16 september 2002 werd aan verzoekster het bevel van dezelfde datum ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  7. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  8. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 2/, en 9, 9/, van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat zij aanvoert dat ze niet kan terugkeren naar haar land van herkomst omdat Roma-zigeuners er slecht worden behandeld; dat verzoekster verwijst naar standpunten van internationale instellingen en organisaties om haar grief te ondersteunen; dat zij opmerkt dat ze aan de Commissie voor Regularisatie geen erkenning als vluchteling heeft gevraagd maar de onmogelijkheid tot terugkeer inriep, waarover de Commissie wel degelijk kan oordelen omdat dit valt onder het criterium van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet; Overwegende dat uit de lezing van de eerste bestreden beslissing blijkt dat de Commissie voor Regularisatie, en in navolging daarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, de regularisatieaanvraag aan artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet heeft getoetst; dat de Commissie besluit dat verzoekster geen element aanbrengt dat niet reeds werd onderzocht en beoordeeld in het kader van haar asielaanvraag en dat de beoordeling van de status van vluchteling door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en aan de Vaste Beroepscommis- sie voor Vluchtelingen werd toegewezen; dat artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet niet tot doel heeft de feiten en motieven die de aanvrager heeft aangevoerd om de status van vluchteling te XIV-12.172-3/6 bekomen, opnieuw te laten beoordelen door de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de beoordeling van de status van vluchteling door de Wetgever is toegewezen aan de in de Vreemdelingenwet bepaalde administratieve overheden en administratief rechtscollege; dat bijgevolg de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van een regularisatieaanvraag op grond van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet, het onderzoek van de asielinstanties niet mogen overdoen; dat de bevoegde minister artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet niet schendt wanneer hij de asielmotieven niet in aanmerking neemt die verzoekster aanvoert in het kader van de regularisatieaanvraag, omdat deze motieven reeds werden beoordeeld in het kader van de asielprocedure die definitief is beëindigd en die heeft geleid tot het arrest nr. 87.578 van 25 mei 2000 van deze zetel, dat in kracht van gewijsde is getreden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  9. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, omdat personen die zich in dezelfde situatie bevonden toch werden geregulariseerd; dat zij aanvoert dat er kamers van de Commissie voor Regularisatie zijn met een ruime en met een strakke interpretatie van de wet en van de feiten; Overwegende dat verzoekster zich beperkt tot vage en algemene beweringen die niet met concrete gegevens worden gestaafd en onderbouwd; dat zij niet aantoont dat de adviezen van de Commissie voor Regularisatie, die zij ter staving bij haar verzoekschriften voegt, betrekking hebben op identieke situaties, noch dat deze adviezen gevolgd werden door de Minister van Binnenlandse Zaken; dat een dergelijke grief niet van aard is de motieven van de eerste bestreden beslissing te ontkrachten, omdat elke zaak specifiek is en bijgevolg niet vergelijkbaar is met andere zaken; dat in dit verband de regel geldt van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek naar luid waarvan “De rechters in zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak mogen doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.”; dat de motieven van de eerste bestreden beslissing pertinent, draagkrachtig en afdoende zijn, wat blijkt uit wat voorafgaat; dat de eerste bestreden beslissing het gevolg is van een individueel en specifiek onderzoek; dat het tweede middel ongegrond is; 2.
  10. Overwegende dat verzoekster in een derde middel, dat zowel de eerste als de tweede bestreden beslissing viseert, de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.); dat zij stelt dat haar grootmoeder, haar ouders en haar minderjarige broers en zussen nog legaal in België verblijven omdat de beslissing, wat hen betreft, werd uitgesteld in afwachting van een onderzoek naar de gezondheidstoestand van de grootmoeder van verzoekster; dat zij bijgevolg als enige het grondgebied van het Rijk dient te verlaten en van haar familie wordt gescheiden; XIV-12.172-4/6 Overwegende dat verzoekster met haar minderjarig kind een gezin vormt en dat zij niet van haar minderjarig kind wordt gescheiden; dat het niet vaststaat dat verzoekster nog steeds een gezin vormt met haar grootmoeder, ouders en minderjarige broers en zussen, omdat uit stuk 34 van het administratief dossier blijkt dat verzoekster op 16 juni 2002 verklaarde samen met haar ouders en broers en zussen op één adres te wonen, en dat deze woning onbewoonbaar is verklaard en dat zij bij een vriendin verblijft; dat de Advocaat van verzoekster op de zitting van 16 juni 2004 geen bijkomende gegevens heeft ontwikkeld betreffende de familieleden van verzoekster; dat het derde middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.172-5/6 BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.172-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.