← België

Arrest 135754 - - 05/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.754 Rolnummer: A. 152487/XIV-19777 Zaak: Arrest 135754 - - 05/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 10:51 Fiche Arrest nr 135.754 van 5 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.754 van 5 oktober 2004 in de zaak A. 152.487/XIV-19.777 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 31 mei 1970 en van XXX nationaliteit, op 19 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie; Gelet op de beschikking van 16 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. GOVAERTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.777-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  2. XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikel 2, 4/. 1.
  3. Op 5 oktober 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
  4. Op 10 oktober 2001 heeft de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Overwegende dat verzoeker zijn aanvraag tot regularisatie baseert op art. 2.4 van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; Overwegende dat uit het dossier en het verhoor ter zitting blijkt dat verzoeker (op) in 1995 in Nederland verbleef; dat verzoeker nergens aantoont dat hij slechts tijdelijk in Nederland verbleef; dat hij hiervoor geen eenduidige uitleg verschaft ter zitting; dat verzoeker evenmin kan uitleggen ter zitting waarom hij zich niet aangeboden heeft op de Dienst Vreemdelingen- zaken voor zijn tweede verhoor in 1991; dat zijn uitleg ter zitting dat hij schrik had en onvermogend was niet terzake dienend zijn (is); dat bijgevolg de eenvoudige verklaringen van verzoeker niet volstaan; dat verzoeker niet aantoont dat hij sedert meer dan zes jaar onafgebroken in België verblijft; Overwegende dat verzoeker bovendien blijkt geeft van onvoldoende duurzame bindingen met België; dat verzoeker over een onvoldoende kennis van de Nederlandse taal blijk geeft (beschikt); dat hij weliswaar werkt in de fruitpluk maar nergens aantoont dat hij buiten zijn relatie met landgenoten ook duurzame sociale bindingen heeft met België; dat er geen humanitaire redenen zijn om de toestand van verzoeker te regulariseren; OM DEZE REDENEN NEGATIEF ADVIES (...)”. 1.
  5. Op 2 maart 2004 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de thans bestreden beslissing.
  6. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel machtsoverschrijding aanvoert, evenals de schending van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), de schending van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het XIV-19.777-2/4 verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de bestreden beslissing de bewijskracht miskent van de stukken die de aanwezigheid van verzoeker in het Rijk moeten aantonen; dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd op het vlak van de duurzame sociale bindingen omdat verzoeker in de fruitteelt heeft gewerkt en Nederlands heeft geleerd; dat de Minister niet met kennis van zaken heeft geoordeeld omdat hij niet heeft nagegaan of hij over alle elementen beschikte inzake de aanvraag van verzoeker en dat dit een schending uitmaakt van het beginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet welke artikelen van de Vreemdelingenwet en van de Regularisatiewet hij geschonden acht, en evenmin hoe de bestreden beslissing deze wetten zou schenden; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij zijn onafgebroken verblijf in België van meer dan zes jaar heeft trachten te bewijzen door attesten waarvan de valsheid niet is bewezen en de bewijskracht bijgevolg wordt miskend; dat verzoeker niet aanduidt om welke attesten het gaat; dat bovendien omdat stukken niet vals zijn, dit niet betekent dat zij daarom bewijskrachtig zijn; dat uit het advies, waarvan de Minister de overwegingen onderschrijft en als de zijne overneemt, niet blijkt dat verzoeker enig document in dit verband heeft ingediend; dat dit onderdeel van het middel niet kan worden aangenomen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat duurzame sociale bindingen werden aangetoond omdat hij in de fruitteelt heeft gewerkt en Nederlands heeft geleerd; Overwegende dat in het advies van de Commissie voor Regularisatie wordt overwogen “dat verzoeker over een onvoldoende kennis van de Nederlandse taal (...) (beschikt).”; dat uit het advies van de Commissie voor Regularisatie tevens blijkt dat verzoeker zich tijdens de zitting liet bijstaan door een tolk; dat hieruit volgt dat de Commissie en de bevoegde minister de kennis van het Nederlands van verzoeker op goede gronden gering hebben gevonden en onvoldoende om als element van duurzame sociale binding met België te kunnen gelden; dat over zijn werk in de fruitpluk wordt gesteld dat “hij weliswaar werkt in de fruitpluk maar nergens aantoont dat hij buiten zijn relaties met landgenoten ook duurzame sociale bindingen heeft met België”; dat verzoeker deze vaststelling niet betwist; dat de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken terecht hebben beslist dat verzoeker onvoldoende blijk geeft van duurzame bindingen met België: dat de bestreden beslissing gesteund is op ter zake dienende, pertinente en draagkrachtige motieven; dat het enig middel ongegrond is; XIV-19.777-3/4
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.777-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.