← België

Arrest 135776 - - 06/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.776 Rolnummer: A. 115672/VII-25532 Zaak: Arrest 135776 - - 06/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 10:55 Fiche Arrest nr 135.776 van 6 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.776 van 6 oktober 2004 in de zaak A. 115.672/VII-25.532 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN DE SIJPE, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Prinses Josephine Charlottelaan 71 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 16 januari 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 december 2001 tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 5 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier en gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; VII-25.532-1/4 Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die, loco advocaat K. VAN DE SIJPE, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 7 augustus 2001 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 10 augustus 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 28 september 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
  5. Op 13 december 2001 heeft de verzoekende partij zich opnieuw vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 17 december 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. "(...) Overwegende dat betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 07/08/2001 en dat betrokkene een negatieve beslissing kreeg op 10/08/2001 van de Dienst vreemdelingenzaken en een negatieve beslissing kreeg op 28/09/2001 van het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen Staatlozen. Overwegende dat betrokkene haar asielaanvraag baseert op de elementen verstrekt in haar eerste interview en niet terug is gegaan naar het land van herkomst. Overwegende dat betrokkene op 13/12/2001 een tweede asielaanvraag indiende en geen nieuwe elementen aanbrengt bij haar tweede asielaanvraag wordt de asielaanvraag van betrokkene niet in overweging genomen. VII-25.532-2/4 (...).". Dit is de bestreden beslissing.
  7. Overwegende dat artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) luidt als volgt: "De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195
  8. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die Ach hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld."; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr.61/94 van 14 juli 1994 heeft geoordeeld dat nieuwe gegevens in de zin van voormelde wetsbepaling gegevens zijn die “betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen”; Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing betreffende het ontbreken van “nieuwe gegevens” niet worden tegengesproken door de stukken uit het administratief dossier; dat bijgevolg de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schorsing; dat weliswaar de verzoekende partij in haar eerste middel beweert dat het feit dat haar broer en zijn vriend op 23 maart 2001 bij de politie werden geconvoceerd met de vraag waar de verzoekende partij zich ophield, een nieuw gegeven uitmaakt, maar dat dit gegeven eigenlijk aansluit bij de verklaringen die de verzoekende partij in haar eerste asielprocedure aflegde omtrent de moeilijkheden die zij toen gekend heeft in haar land van herkomst; dat dit feit overigens plaatsvond voor de eerste asielaanvraag in België; dat de vordering dus niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  10. VII-25.532-3/4 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-25.532-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.