id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.826 Rolnummer: A. 156062/XIV-20732 Zaak: Arrest 135826 - - 07/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 10:59 Fiche Arrest nr 135.826 van 7 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.826 van 7 oktober 2004 in de zaak A. 156.062/XIV-20.732 In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 maart 1975 en van XXX nationaliteit, op 29 september 2004 per fax en op 30 september 2004 per aangetekend schrijven heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde, van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 september 2004, aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-20.732-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIÈRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, feitelijk vaststaat dat verzoeker alert en diligent heeft gehandeld, vermits het bestreden bevel dateert van 24 september 2004, dat op dezelfde datum werd ter kennis gebracht van verzoeker en verzoeker op 29 september 2004 per fax een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient, omdat hij wordt vastgehouden met het oog op zijn eventuele repatriëring; dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier en uit de debatten blijkt dat verzoeker op dit ogenblik illegaal op het Belgisch grondgebied verblijft, zodat het eerste motief van het bestreden bevel, met name dat verzoeker in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de vereiste documenten, hij is immers niet in het bezit van een paspoort met een geldig visum, op het eerste gezicht draagkrachtig en afdoende is om de bestreden beslissing te dragen en in feite en in rechte te motiveren; dat de overige onderdelen van het enig middel aangevoerd door verzoeker, waarvoor wordt verwezen naar de bladzijden 4 tot 5 van het verzoekschrift ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet kunnen leiden tot de schorsing van het bestreden bevel, gelet op wat voorafgaat; dat bijgevolg niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, § § 1 en 2; XIV-20.732-2/4 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker het volgende uiteenzet: “
- Een repatriëring naar XXX zou betekenen dat de gezinsband die de verzoekende partij heeft ten aanzien van zijn zoontje voor een niet vooraf in te schatten tijd zou worden verbroken.
- Ook met zijn moeder, bij wie de verzoekende partij inwoont, zou elk contact worden verbroken.
- De verschillende procedures die de verzoekende partij heeft ingeleid voor de Raad van State, zouden dienen opgegeven te worden, zodat de verzoekende partij niet meer over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikt voor wat zijn asielprocedure betreft, maar ook niet wat betreft zijn vraag om in België geregulariseerd te worden op grond van de familiale banden met zijn zoon en moeder.
- Dit is strijdig met art. 8 en 13 E.V.R.M. dat het gezinsleven waarborgt en tevens een daadwerkelijk rechtsmiddel garandeert. Op te merken valt dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kon aangewend worden, noch in de asielprocedure, noch in de regulariseringsprocedure, daar het vaste rechtspraak is van de Raad van State, dat deze procedure slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangewend, met name indien er een onmiddellijke bedreiging bestaat met repatriëring, hetgeen uiteraard niet het geval was op het ogenblik dat de verzoekschriften werden neergelegd.”; Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), omdat zijn gezinsband met zijn zoon en zijn moeder verbroken wordt en omdat hij niet over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikt voor wat de lopende procedures voor de Raad van State betreft; Overwegende dat het bestreden bevel steunt op het feit dat verzoeker België is binnengekomen zonder vereiste binnenkomstdocumenten; dat hij een kind heeft erkend tijdens een precair verblijf op het grondgebied; dat een dergelijke erkenning verzoeker niet vrijstelt van de verplichting van een wettige binnenkomst; dat bijgevolg het beweerde nadeel onlosmakelijk is verbonden met de keuze van verzoeker om op zulk ogenblik een kind te erkennen zonder in het bezit te zijn van de vereiste documenten; dat de afgifte van binnenkomstdocumenten tot doel heeft controle uit te oefenen over de identiteit, de burgerlijke staat, en het strafrechtelijk verleden van de vreemdeling die het Europees grondgebied wenst te betreden; dat deze controle, mede gelet op de gekende veiligheidsproblematiek, niet dermate zwaarwichtig is dat daardoor het contact met de zoon van verzoeker in zulke mate wordt verhinderd dat artikel 8 van het E.V.R.M. zou geschonden zijn; dat het louter privé-belang hier moet wijken voor het algemeen belang en voor de internationale en nationale veiligheid van de E.U.-landen; dat de eventuele en mogelijke tijdelijke scheiding van het kind, dat verzoeker verwekt heeft bij een minderjarige, op het eerste gezicht geen schending uitmaakt van artikel 8 van het E.V.R.M., temeer daar verzoeker de mogelijkheid heeft om terug te keren naar België, nadat hij in het bezit zal zijn gesteld van de vereiste binnenkomstdocumenten; dat verzoeker tevens contact kan houden met zijn moeder; XIV-20.732-3/4 Overwegende dat een eventuele verwijdering van het Belgisch grondgebied, verzoeker niet belet zijn verdediging te laten waarnemen door een Advocaat van zijn keuze, vermits verzoeker niet in persoon moet verschijnen voor de Raad van State en zich kan en mag laten vertegenwoordigen; dat bijgevolg niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-20.732-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div