← België

Arrest 135848 - - 08/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.848 Rolnummer: A. 155039/XII-4240 Zaak: Arrest 135848 - - 08/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 11:04 Fiche Arrest nr 135.848 van 8 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.848 van 8 oktober 2004 in de zaak A. 155.039/XII-

  1. In zake : de BVBA ROYAL CROWN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Stijns, kantoor houdende te Leuven, Philipssite 5 tegen :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
  3. de KANSSPELCOMMISSIE bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat BVBA Royal Crown op 5 oktober 2004 heeft ingediend om te vorderen dat bij wege van uiterst dringende voorlopige maatregel de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen van de beslissing van 30 juni 2004 van de kansspelcommissie waarbij geweigerd wordt een vergunning klasse B uit te reiken voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II, totdat de Raad van State uitspraak zal hebben gedaan over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 oktober 2004, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Verhaeghe, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partijen; XII-4240-1/5 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat verzoekster een speelautomatenhal uitbaat te Diest, Grote Markt 30; dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een door de kansspelcommissie voorafgaandelijk uit te reiken schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat zij moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; dat verzoekster aan de verwerende partij vraagt een convenant te sluiten; dat de gemeenteraad van Diest op 28 april 2003 weigert op dat verzoek in te gaan omdat de kansspelinrichting onverenigbaar is met de onmiddellijke nabijheid van een aantal instellingen die “een hoge concentratie aan beschermingswaardige minderjarigen en sociaal en/of geestelijk zwakkeren impliceren”; dat de Raad van State verzoeksters vordering tot schorsing van de gemeenteraadsbeslissing bij gemis van ernstige middelen verwerpt met arrest nr. 127.616 van 30 januari 2004, verbeterd bij arrest nr. 128.548 van 26 februari 2004; Overwegende dat op 30 juni 2004 de kansspelcommissie besluit verzoekster geen vergunning klasse B te verlenen; dat wordt gemotiveerd dat de stad Diest beslist heeft geen convenant te sluiten, dat de Raad van State de vordering tot schorsing van die beslissing verworpen heeft en dat het sluiten van een convenant tussen de gemeente en de exploitant van een kansspelinrichting krachtens artikel 36, 5, van de kansspelwet een volstrekt noodzakelijk element is voor de afgifte van een vergunning klasse B; dat verzoekster op 25 augustus 2004 aan de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging vraagt van de beslissing van de kansspelcommissie;
  6. Overwegende dat artikel 18, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt : “Wanneer bij de Raad van State overeenkomstig artikel 17 een vordering tot schorsing van een akte of een reglement aanhangig wordt gemaakt, kan hij als enige, bij voorraad en onder de in artikel 17, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen XII-4240-2/5 of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten”;
  7. Overwegende dat verzoekster op 25 augustus 2004 bij de Raad van State een vordering tot schorsing van de beslissing van 30 juni 2004 van de kansspelcommissie aanhangig heeft gemaakt; dat luidens het voormeld artikel 17, § 2, eerste lid, de schorsing van de tenuitvoerlegging alleen kan worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  8. Overwegende, met betrekking tot de eerste van die twee voorwaarden, dat verzoekster twee middelen aanvoert; dat een eerste middel is afgeleid uit de “[s]chending van de artikelen 4, 21, 34, 35 en 36, 4/ en 5/ van de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en van artikel 159 van de Grondwet”; dat wordt uiteengezet dat de beslissing van de kansspelcommissie uitsluitend gesteund is op de weigering van 28 april 2003 van de gemeenteraad van Diest om met verzoekster een convenant te sluiten vanwege de onmiddellijke nabijheid van een aantal instellingen, dat de weigering onwettig is in essentie omdat, ten eerste, de gemeenteraad niet bevoegd is overwe- gingen van maatschappelijke, sociale of esthetische aard te hanteren en omdat, ten tweede, de nabijheid van de instellingen onvoldoende concreet gemotiveerd is “in het licht van een gemeentelijke bevoegdheid zoals het handhaven van de openbare orde”; Overwegende dat een tweede middel de kansspelcommissie verwijt onzorgvuldig te zijn geweest omdat zij in gebreke is gebleven na te gaan of de weigering van het convenant “wel rechtsgeldig is en niet genomen werd met bevoegdheidsoverschrijding en schending van de wet”; 4.
  9. Overwegende dat verzoeksters wettigheidskritiek tegen de beslissing van 28 april 2003 van de gemeenteraad niet nieuw is; dat verzoekster, zoals zij ter terechtzitting uitdrukkelijk bevestigt, dezelfde bezwaren ook al rechtstreeks tegen de beslissing van de gemeenteraad inbracht (zaak met nr. A.139.189/XII- 3902); dat de Raad van State ze in zijn arrest nr. 127.616 van 30 januari 2004 over de vordering tot schorsing van de gemeenteraadsbeslissing niet is bijgevallen; XII-4240-3/5 Overwegende dat hij in het arrest voorlopig oordeelde dat niet was aangetoond dat de gemeente haar bevoegdheid heeft overschreden, dat immers uit het artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en de parlementaire voorbereiding ervan, kan worden opgemaakt dat haar bevoegdheid om al dan niet een convenant te sluiten ook op de vestigingsplaats van de kansspelinrichting slaat, en dat niet blijkt dat de gemeente ten onrechte heeft besloten tot de voor verzoeksters kansspelinrichting prohibitieve nabijheid van de instellingen en plaatsen die de gemeenteraadsbeslissing vermeldt; Overwegende dat de Raad van State vooralsnog bij die beoordeling blijft; dat de gemeenteraadsbeslissing een eerste wettigheidstoets dus doorstaat; dat hieruit volgt, eensdeels, dat er geen reden is de beslissing van de kansspelcommissie aangetast te achten omdat zij op een onwettige weigering van een convenant zou zijn gesteund en, anderdeels, dat het hoe dan ook niet lijkt op te gaan dat de kansspel- commissie onzorgvuldig is geweest door zich op het gemeenteraadsbesluit te hebben gesteund; dat de aangevoerde middelen niet ernstig zijn;
  10. Overwegende dat niet is voldaan aan tenminste de eerste van de in artikel 17, § 2, bepaalde voorwaarden waaronder de Raad van State alle nodige maatregelen kan bevelen om de belangen van de verzoekster veilig te stellen; dat deze vaststelling volstaat om de besproken vordering te verwerpen, BESLUIT: Enig artikel. De vordering tot het bevelen van een voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XII-4240-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht oktober 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4240-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.848 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.801 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.