id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.849 Rolnummer: A. 156210/IX-4671 Zaak: Arrest 135849 - - 11/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-14 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 11:04 Fiche Arrest nr 135.849 van 11 oktober 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.849 van 11 oktober 2004 in de zaak A. 156.210/IX-
- In zake : Luc VAN DE MOORTELE, die woonplaats kiest bij advocaat C. STRUYVEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Opperstraat 95 tegen : de burgemeester van de gemeente DILBEEK, die woonplaats kiest bij advocaat A. VANDAM, kantoor houdende te DILBEEK, Bacon R. de Vironlaan 60/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc VAN DE MOORTELE op 5 oktober 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 28 september 2004 van de burgemeester van de gemeente Dilbeek waarbij hij tuchtrechtelijk geschorst wordt voor de duur van een maand; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het administratief dossier; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 oktober 2004, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. STRUYVEN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. VANDAM, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4671-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de burgemeester van Dilbeek met het bestreden besluit aan verzoeker, inspecteur van politie bij de lokale politie te Dilbeek, de zware tuchtstraf van een maand schorsing opgelegd heeft;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; 3.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert “van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging, van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, doordat de verwerende partij een stuk -met name het stuk 1 van het strafdossier dat zij van het parket in mededeling had gekregen en dat het oorspronkelijk verhoor van de slachtoffers bevatte- uit het tuchtdossier verwijderd heeft, terwijl hij om de vertaling van die stukken had gevraagd en terwijl het tuchtdossier alle stukken moet bevatten; dat hij in het kader van dit middel laat gelden wat volgt: toen hij op 28 mei 2004 een afschrift van het tuchtdossier ontving, bevatte dat dossier het in het Frans opgestelde aanvankelijk proces-verbaal, met bijlagen, dat met betrekking tot de door verzoeker gepleegde feiten was opgesteld; hij heeft in zijn verweerschrift van 8 juni 2004 formeel gevraagd dat -met het oog op zijn verdediging, maar ook omdat de bestuurstaal in Dilbeek het Nederlands is en de verwerende partij de wetgeving in bestuurszaken moet naleven- van die stukken een beëdigde vertaling in het Nederlands bij het dossier zou gevoegd worden en daarmee heeft hij aangegeven dat hij de betreffende stukken van essentieel belang vond voor zijn verdediging; op zijn IX-4671-2/6 vraag tot vertaling is niet ingegaan en de verwerende partij heeft, integendeel, de in het Frans gestelde stukken uit het tuchtdossier verwijderd; het recht van verdediging houdt in dat niets wat medebepalend kan zijn voor de beslissing aan het tegen- sprekelijk debat onttrokken wordt en het komt het bestuur niet toe om te beslissen welke stukken wel en welke niet bij het tuchtdossier worden gevoegd; door het verwijderen van de stukken uit het tuchtdossier heeft de verdediging niet langer de mogelijkheid zich te beroepen op gegevens die uitsluitend in die stukken terug te vinden zijn; de verwerende partij kan niet verwijzen naar de beperkte termijn waarbinnen de tuchtprocedure gevoerd moest worden, aangezien zij voor een vertaling van de betrokken stukken had kunnen zorgen alvorens zij het inleidend verslag aan verzoeker liet betekenen; 3.2.
- Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de korpschef van de lokale politie te Dilbeek op 24 november 2003 aan de Procureur- Generaal om inzage en afschrift gevraagd heeft van het strafdossier, dat met betrekking tot de door verzoeker gepleegde feiten was samengesteld; dat de Procureur-Generaal op 5 februari 2004 de toelating heeft verleend en dat vervolgens een kopie van het strafdossier aan de verwerende partij overgemaakt is; dat stuk 1 van het strafdossier een aanvankelijk proces-verbaal nr. BR 45.L3.052229/2003 van 19 november 2003 betrof, in het Frans gesteld, met daarin het relaas van de eerste vaststellingen en verklaringen die de politie van de zone Brussel-Zuid heeft genoteerd met betrekking tot de echtelijke ruzie die verzoeker had veroorzaakt en de bedreigingen die hij tegen een politieman van deze zone had uitgebracht; dat in dat proces-verbaal in het Frans gestelde verklaringen opgenomen zijn van bij die feiten betrokken personen; Overwegende dat de hogere tuchtoverheid, die inmiddels ook in kennis was gesteld van het vonnis van 28 februari 2004 van de correctionele rechtbank te Brussel waarbij aan verzoeker de opschorting van de uitspraak werd toegekend, op 12 mei 2004 het inleidend verslag opgesteld heeft en dat zij daarbij het gehele strafdossier voor zich had; dat evenwel, nadat de raadsvrouw van verzoeker in haar verweerschrift tegen dat inleidend verslag aan de burgemeester gevraagd heeft van de “stukken in de Franse taal (die zich) in het tuchtdossier bevinden -bijlagen aan stuk 9- een beëdigde vertaling in het Nederlands (...) bij het bundel te voegen en hem opnieuw een termijn van 30 dagen, nadat hij heeft kunnen kennis nemen van de vertaalde stukken, toe te kennen om zijn verdediging voor te bereiden”, de burgemeester in zijn uiteindelijk strafvoorstel van 24 juni 2004 gesteld heeft “dat IX-4671-3/6 geen gebruik gemaakt werd van het betrokken stuk bij het bepalen van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten” en dat “stuk 1 van de strafrechtsple- ging als bijlage aan stuk 9 uit het tuchtdossier verwijderd wordt”; dat de raadsvrouw van verzoeker de problematiek voor de tuchtraad opnieuw heeft aangebracht; dat de tuchtraad de zaak heeft afgehandeld zonder rekening te houden met “de litigieuze documenten” -het aanvankelijk proces-verbaal was inmiddels materieel uit het tuchtdossier verwijderd-, maar dat hij er wel bij vastgesteld heeft dat, wegens het ontbreken van het aanvankelijk proces-verbaal, “de kennisname en de inschatting van de feiten gedeeltelijk wordt gereduceerd, hetgeen ook de juiste beoordeling van het tuchtrechtelijk laakbaar karakter bemoeilijkt (en dat) door het verwijderen van de litigieuze stukken de hogere tuchtoverheid het gevaar (loopt) dat zij de verdediging niet langer de mogelijkheid biedt zich te beroepen op de gegevens die uitsluitend zouden terug te vinden zijn in deze stukken. Het niet-vertalen van deze stukken (die bij de consultatie van het dossier hiervan deel uitmaakten) zou in die optiek kunnen worden beschouwd als een miskennen van de rechten van de verdediging”; dat de burgemeester in het bestreden eindbesluit overwogen heeft dat de termijn voorzien in artikel 38quater van de tuchtwet te beperkt was om op de vraag van verzoeker in te gaan, dat er “geen gebruik gemaakt werd van de betrokken stukken bij het bepalen van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten” en dat stuk 1 van het strafdossier “uit het tuchtdossier verwijderd werd”; 3.2.
- Overwegende dat, naar luid van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, het tuchtdossier “alle stukken (moet omvatten) die betrekking hebben op de kennisneming en het onderzoek van de ten laste gelegde feiten, alsmede alle stukken die gedurende het verder verloop van de tuchtprocedure worden opgesteld”; dat die bepaling -die aansluit bij de verplichting die op elke tuchtoverheid rusten om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen en om de betrokkene in staat te stellen zijn verdediging deugdelijk op te bouwen- belet dat het bestuur een selectie maakt van de stukken die het bij het tuchtdossier voegt; dat het tuchtdossier immers de grenzen bepaalt waarbinnen de besluitvorming gebeurt en waarbinnen de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich moet kunnen verdedigen; 3.2.
- Overwegende dat niet betwist kan worden dat de verklaring van de verschillende personen die betrokken waren bij de feiten die de eerste tenlaste- legging vormen, een wezenlijk gegeven van het strafdossier zijn; dat dit strafdossier IX-4671-4/6 door de verwerende partij opgevraagd is en dat de burgemeester mede op grond daarvan het inleidend verslag opgesteld heeft; dat het aanvankelijk proces-verbaal samen met het gehele strafdossier aldus tot het tuchtdossier is gaan behoren; dat de burgemeester niet zonder artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 en de wapengelijkheid van de partijen te miskennen dat stuk nadien uit het dossier heeft kunnen verwijderen; dat hij immers zelf de mogelijkheid heeft gehad zijn standpunt mede te laten bepalen door het betrokken proces-verbaal om vervolgens aan verzoeker de mogelijkheid te ontnemen datzelfde proces-verbaal in zijn voordeel te gebruiken; Overwegende dat de omstandigheid dat het aanvankelijk proces- verbaal en de erin opgenomen verklaringen in het Frans waren gesteld geen wettig motief konden vormen voor het verwijderen van het stuk; dat integendeel verzoeker er recht op had dat zijn tuchtdossier, middels vertaling van de stukken, volledig in het Nederlands was samengesteld; dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt dat die vertaling haar op enige wijze in tijdnood zou hebben kunnen gebracht; Overwegende dat de verwerende partij, door een stuk uit het tuchtdossier te verwijderen om reden dat er geen Nederlandse vertaling van bestaat, het koninklijk besluit van 26 november 2001 en de rechten van verdediging van verzoeker miskend heeft; dat het eerste middel ernstig is; 4.
- Overwegende, wat de tweede en de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker onder meer betoogt dat hij sinds 1 maart 2004 de opleiding voor een bevordering tot de graad van hoofdinspecteur volgt, dat die opleiding nog loopt tot november 2004, maar dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing betekent dat hij de opleiding niet zal kunnen afwerken; dat die uiteenzetting, die door de verwerende partij niet wordt betwist, volstaat om tot het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te besluiten en de zaak volgens de procedure van de hoogdringendheid af te doen, IX-4671-5/6 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 28 september 2004 van de burgemeester van de gemeente Dilbeek waarbij Luc VAN DE MOORTELE tuchtrechtelijk geschorst wordt voor de duur van een maand. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4671-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.849 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.