← België

Arrest 135861 - - 11/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.861 Rolnummer: A. 90861/IX-2315 Zaak: Arrest 135861 - - 11/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 11:06 Fiche Arrest nr 135.861 van 11 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.861 van 11 oktober 2004 in de zaak A. 90.861/IX-2315. In zake : Richard EGLI, die woonplaats kiest bij advocaat L. MOREAU, kantoor houdende te ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Richard EGLY op 10 april 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Middenstand waarbij geen gunstig gevolg wordt gegeven aan zijn aanvraag om op grond van de artikelen 12 en 13 van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog, gemachtigd te worden om de titel van psycholoog te dragen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2315-1/16 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. MOREAU, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. WINTERS, die loco advocaat J. FRANSEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Krachtens artikel 1 van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog (hierna: de wet van 8 november 1993) mag niemand de titel van psycholoog dragen tenzij hij houder is van een bepaald door de wet zelf aangeduid diploma en hij ingeschreven is op de lijst opgesteld door de Psychologencommissie (hierna: de commissie), een onafhankelijk organisme opgericht door artikel 3 van de wet. Artikel 12 van de wet stelt een overgangsregeling in. Krachtens die bepaling worden “eveneens gemachtigd om de titel van psycholoog te dragen, de personen die, vóór de inwerkingtreding van deze wet, een diploma behaald hebben aan een faculteit of een instituut voor psychologie en pedagogie van een Belgische IX-2315-2/16 universiteit waarvan de gelijkwaardigheid aan de in artikel 1, 1/,

  1. a)en
  2. b)bedoelde diploma’s erkend is door de Minister van Middenstand, na advies van de Commissie, rekening houdend met de aanvullende vorming die, in voorkomend geval, verkregen werd in dezelfde instellingen, zelfs na de bekendmaking van deze wet” en die daartoe een aanvraag indienen vóór 31 december 1996. Luidens artikel 13 van de wet neemt de minister zijn beslissing “binnen de drie maanden na de ontvangst van de aanvraag, na advies van de Commissie” en wordt de aanvrager “op zijn verzoek, gehoord (...) door de Commissie”. 1.2. Verzoeker, geboren op 3 januari 1969, heeft blijkens het dossier de Zwitserse nationaliteit en is sinds 1 januari 1983 ingeschreven in het bevolkings- register te Antwerpen. 1.3. Met een aangetekende brief van 30 december 1996 dient verzoeker bij de minister van Middenstand een aanvraag in om ingeschreven te worden op de lijst bijgehouden door de Psychologencommissie met het oog op de wettelijke erkenning van zijn titel. Hij verwijst in zijn aanvraag naar psychologie-studies aan de Middlesex Polytechnic, - de Middlesex University, Londen -, waar hij in 1991 een diploma bachelor of sciene behaalde en naar de studie "Master in Society, Science & Technology" die hij in 1993/94 met succes volgde aan de Universiteit van Limburg te Maastricht met een thesis over "Human-Computer Interaction", waarin hij de psychologische en cognitieve aspecten behandelde van de interactie tussen gebruikers en systemen van virtuele realiteit. Blijkens de voorgelegde stukken betreft het diploma "Bachelor of Science" een driejarig programma in psychologie en Spaans. Het diploma "Master in Society, Science & Technology" is blijkens de stukken afgegeven door de "European Interuniversity Association on Society, Science and Technology" in het kader van een gezamenlijk eenjarig programma opgezet door 15 Europese universiteiten. IX-2315-3/16 Volgens het verzoekschrift behaalde verzoeker in 1998 aan de University of Maryland (V.S.) na het volgen van een driejarige cyclus, ter afsluiting van zijn "Bachelor of Science", ook een "certificate of undergraduate studies". Alhoewel daar in de aanvraag zelf niet wordt naar verwezen, bevat het dossier inderdaad ook een kopie van het "academic transcript" van "undergraduate studies" van verzoeker aan de University of Maryland University College in de jaren 1995/96, 1996/97, 1997/98 en 1998/99, voor een reeks vakken waaronder, naast algemenere vakken en onder meer handelsrecht, economie, boekhouding, statistiek, algebra, ook "intro clinical psyc", "survey industrial psyc", "creative problem solvg", "stress managament" en "cross cultural psyc", en een document dat vermeldt dat de diploma- aanvraag van verzoeker werd ontvangen en dat hij "graduation candidate" is voor 27 augustus 1999. Verwerende partij heeft de aanvraag van verzoeker behandeld als een aanvraag op basis van artikel 12 van de wet. Verzoekende partij betwist dit niet. 1.4. Met een brief van 21 april 1999 deelt de Psychologencommissie aan verzoeker mee dat de minister over zijn aanvraag pas kan beslissen na haar advies en dat de wet voorziet dat zij verzoeker eerst de kans geeft om gehoord te worden. Verzoeker wordt bijgevolg uitgenodigd op 17 mei 1999 voor de commissie te verschijnen ten einde zijn dossier eventueel te vervolledigen met bijkomende documenten of de reeds voorgelegde informatie verder uit te leggen. Naar eigen zeggen wordt verzoeker op die zitting, totaal onvoorbereid, op een zeer intimi- derende wijze onderworpen aan een spervuur van technische en wetenschappelijke vragen door een commissie van 14 personen. Op 17 mei 1999 geeft de Psychologencommissie een ongunstig advies omdat het diploma - waarbij verwezen wordt naar het diploma "Bachelor of Science" en het diploma "Master of Arts in Society, Science and Technology in Europe" - niet conform de wet van 8 november 1993 is en er geen aanduidingen zijn dat de aanvrager in zijn vorming voldoende psychologische deskundigheid heeft verworven om de titel te kunnen dragen. IX-2315-4/16 1.5. Op 7 februari 2000 beslist de bevoegde minister dat de aanvraag ontvankelijk maar ongegrond is omdat de voorgelegde diploma's "Bachelor of Science" en "Master of Arts in Society, Science and Technology in Europe" niet werden behaald aan een faculteit of instituut voor psychologie of pedagogie van een Belgische universiteit, zoals bedoeld bij artikel 12 van de wet van 8 november 1993. Dit is de bestreden beslissing die als volgt gemotiveerd is : "Gelet op de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog, inzonderheid op de artikelen 12 en 13; Gelet op het verzoek ingediend bij aangetekend schrijven van 30 december 1996 door de heer Richard EGLI (geboren te Mendrisio (CH) op 3 januari 1969 en wonende te 2018 Antwerpen, Albert Grisarstraat 12) om op grond van de artikelen 12 en 13 van deze wet gemachtigd te worden om de titel van psycholoog te dragen; Gelet op het ongunstig advies dd. 17 mei 1999 van de Psychologencommis- sie; Overwegende dat de heer Richard EGLI een voor eensluidend verklaard afschrift van zijn diploma van Master of Arts in Society, Science and Technology in Europe van de Rijksuniversiteit Limburg (NL) en van Bachelor of Science van Middlesex Polytechnic voorlegt; Overwegende dat deze diploma's niet werden behaald aan een faculteit of een instituut voor psychologie en pedagogie van een Belgische Universiteit, zoals bedoeld bij artikel 12 van dezelfde wet; Overwegende dat het verzoek ontvankelijk, doch ongegrond is;" Het besluit wordt met een aangetekende brief van 7 februari 2000 aan verzoeker medegedeeld. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat het beroep laattijdig ingediend is aangezien het bestreden besluit op 7 februari 2000 aan verzoeker betekend is en het verzoekschrift slechts op 11 april 2000 ter griffie van de Raad van State geregistreerd is; 2.2. Overwegende dat verzoeker terecht opmerkt dat het bestreden besluit hem ter kennis gebracht is met een op 7 februari 2000 aangetekend verzonden brief, dat de beroepstermijn derhalve ingegaan is op 8 februari 2000, dat hij normaal verstreek op 8 april 2000 maar dat die dag een zaterdag was zodat, krachtens artikel 84, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, het beroep ook nog op 10 april 2000 ingediend kon worden; dat het voor de tijdigheid van het annulatieberoep geen IX-2315-5/16 belang heeft wanneer het verzoekschrift de griffie van de Raad van State bereikt, maar dat enkel rekening gehouden wordt met de afgifte ter post met het oog op de aangetekende verzending; dat de exceptie niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 1997 tot vaststelling van het reglement van inwendige orde van de Psychologencommissie, opgericht bij artikel 3 van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog (hierna: het koninklijk besluit van 10 november 1997) doordat die bepaling voorschrijft dat de commissie samenkomt telkens het noodzakelijk blijkt en meer bepaald op zodanige wijze dat elk verzoek binnen een termijn van ten hoogste vier maanden wordt behandeld terwijl in dit geval zijn aanvraag dagtekent van 30 december 1996 en hij slechts met een brief van 21 april 1999 door de commissie uitgenodigd is om gehoord te worden; dat hij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 13, § 2, van de wet van 8 november 1993 doordat die bepaling voorschrijft dat de minister een beslissing neemt binnen de drie maanden na de aanvraag, terwijl het bestreden besluit slechts werd ondertekend op 7 februari 2000, dit is meer dan drie jaar na de aanvraag; dat hij in het zesde middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur doordat hij meer dan drie jaar op een beslissing heeft moeten wachten terwijl een administratie binnen een redelijke termijn uitspraak moet doen, doordat de uitnodiging om voor de commissie te verschijnen hem geen zicht gaf op de ondervraging die hij heeft moeten ondergaan en doordat hij ook nooit in kennis gesteld is van het negatief advies van de commissie; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: de Psychologencommissie is opgericht vanaf 1 oktober 1996 maar het is voorstelbaar dat “enige tijd verstreek alvorens zij efficiënt kon werken”, aangezien zij in de beginfase van haar werking over geen werkingsmiddelen beschikte (geen lokaal, geen secretariaat of budget) en het inschrijvingsrecht, dat zij mag opleggen aan personen die op de lijst van psychologen zijn ingeschreven en dat haar “levens- vatbaarheid” moet verzekeren, slechts door het koninklijk besluit van 3 april 1997 IX-2315-6/16 vastgesteld is; dat zij ook betoogt dat de wet niet voorziet in de mededeling van het advies van de Psychologencommissie aan de betrokkene; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de volgende repliek naar voren brengt: de verwerende partij geeft zelf toe dat de commissie in werking gesteld is vanaf 1 oktober 1996; de verwerende partij kan zich niet achter haar eigen stilzitten -ten aanzien van het verlenen van werkingsmiddelen aan de commissie- verschuilen om de inertie van de commissie te verklaren, want zij heeft de verplichting om de wet uit te voeren; het is absurd te stellen dat de commissie slechts na 3 april 1997 effectief kon werken, want hoe kan men inschrijvingsrecht eisen van personen die op de lijst staan wanneer de commissie die over die inschrijving oordeelt nog niet samengesteld is; Overwegende dat verzoeker in het kader van zijn zesde middel bijkomend betoogt dat het advies van de commissie, dat zich in het administratief dossier bevindt, zeer summier gesteld is, dat het derhalve niet afdoende is en dat de commissie daarmee de formele motiveringswet geschonden heeft; dat zij stelt dat zij dit bijkomend middel niet eerder kon inroepen omdat zij geen kennis had van het advies van de commissie; 3.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie uiteenzet dat er bij de lezing van artikel 13 van de wet van 8 november 1993 moet van uitgegaan worden dat bij overschrijding van de daar gestelde termijnen “tot stilzwijgende erkenning kan worden besloten” omdat er anders een discriminatie ontstaat met de overgangsregeling bepaald door artikel 16 van de wet, waarin dergelijke stil- zwijgende erkenning wel voorzien is, hetgeen de wetgever niet gewild kan hebben; dat hij daar aan toevoegt dat, zelfs indien de termijnen van artikel 13 als orde- termijnen worden beschouwd, de verwerende partij op grond van het zorgvuldig- heidsbeginsel haar beslissingen binnen een redelijke termijn dient te treffen, dat de vernietiging van het bestreden besluit op grond van de miskenning van de redelijke termijn tot gevolg zal hebben dat de minister een nieuwe beslissing zal moeten nemen die positief kan zijn voor verzoeker en dat zulke vernietiging de enige manier is om IX-2315-7/16 de burger te beschermen tegen het onzorgvuldig handelen van het bestuur; dat hij tenslotte herhaalt dat hij niet in de mogelijkheid is geweest om het verhoor door de commissie voor te bereiden; 3.5.1.1. Overwegende dat artikel 13, § 2, van de wet van 8 november 1993 bepaalt dat de minister zijn beslissing neemt “binnen drie maanden na de ontvangst van de aanvraag, na advies van de Commissie” en dat de aanvrager, op zijn verzoek, door de commissie wordt gehoord; dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 1997 bepaalt dat de commissie samenkomt na uitnodiging door de voorzitter “telkens het noodzakelijk blijkt een beslissing te nemen en meer bepaald op zodanige wijze dat elk verzoek binnen een termijn van ten hoogste vier maanden wordt behandeld”; Overwegende dat in dit geval verzoeker zijn aanvraag ingediend heeft op 30 december 1996; dat verzoeker met een brief van 21 april 1999 uitgenodigd is op de vergadering van 17 mei 1999 van de commissie, die dezelfde dag haar advies gegeven heeft; dat de minister op 7 februari 2000 het bestreden besluit genomen heeft; dat zowel de Commissie als de minister de hen reglementair toegekende termijnen om een beslissing te nemen miskend ruimschoots overschreden hebben; 3.5.1.2. Overwegende dat de wetgever geen expliciet gevolg verbonden heeft aan het niet naleven, door de commissie en door de minister, van de termijnen bepaald in artikel 13 van de wet en in de besluiten die ter uitvoering van de wet getroffen zijn, zoals het koninklijk besluit van 10 november 1997; dat verzoeker ook niet aantoont dat het onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever geweest is aan het verstrijken van die termijnen enig rechtsgevolg te verbinden hetzij door aan het bestuur zijn beslissingsbevoegdheid te ontnemen, hetzij door er rechten voor de aanvrager aan te verbinden, zoals het stilzwijgend verlenen van de machtiging om de titel van psycholoog te voeren; dat integendeel vastgesteld moet worden dat de wetgever, met betrekking tot een andere overgangsregeling, in artikel 16 wel expliciet een gevolg verbonden heeft aan het verstrijken van de beslissingstermijn van IX-2315-8/16 het bestuur, door er te bepalen dat de “aanvrager er (mag) van uitgaan dat de titel van psycholoog erkend is”; dat die uitdrukkelijke regeling de conclusie verantwoordt dat de wetgever, bij de uitwerking van de overgangsregeling van artikel 12 en 13, de daar ingestelde termijnen heeft opgevat als termijnen van orde en niet als verval- termijnen die voor de aanvrager enig recht doen ontstaan; dat derhalve het overschrijden van deze termijnen op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; 3.5.2.1. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het bestuur niet binnen een redelijke termijn een besluit heeft getroffen; dat de verwerende partij ter zake geen enkel verweer biedt; dat zij niet verantwoordt waarom het tot 21 april 1999 geduurd heeft alvorens de aanvraag van verzoeker -die dagtekent van 30 december 1996- door de Psychologencommissie in onderzoek genomen is en waarom het vervolgens nog tot 7 februari 2000 geduurd heeft alvorens de minister het bestreden besluit getroffen heeft; dat de verwerende partij daarmee, aangenomen dat de in de wet bepaalde termijnen aangeven wat normaal aanvaardbaar is, duidelijk de redelijke termijn om te beslissen overschreden heeft; 3.5.2.2. Overwegende evenwel dat verzoeker, in een geval waarin de overheid moet beslissen over een bij haar ingediende aanvraag als de onderhavige, geen belang heeft bij een vernietiging wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien dergelijke vernietiging niet impliceert dat verzoeker geacht moet worden het aangevraagde voordeel verkregen te hebben, terwijl de overheid ook niet opnieuw over de aanvraag zou kunnen beslissen, aangezien haar besluit precies vernietigd is wegens het overschrijden van de redelijke beslissingstermijn; dat het middel, in zoverre het verwijst naar de schending van de redelijke termijn, niet ontvankelijk is; 3.5.3. Overwegende dat verzoeker voorts een onregelmatigheid ontwaart in het feit dat de uitnodiging die hij ontvangen heeft om voor de commissie te verschijnen hem geen zicht gaf op de ondervraging die hij heeft moeten doorstaan en IX-2315-9/16 die betrekking had op “een spervuur van technische en wetenschappelijke vragen (...) door een college van 14 psychologen”; Overwegende dat, hoewel verzoeker niet de wens had geuit om gehoord te worden, de Commissie hem met een brief van 21 april 1999 toch heeft opgeroepen “teneinde (zijn) dossier eventueel te vervolledigen met bijkomende documenten of de reeds voorliggende informatie te ondersteunen door verdere uitleg”; dat die mededeling kaderde in de -wettelijke- opdracht van de commissie om te onderzoeken of verzoeker gemachtigd kon worden de titel van psycholoog te dragen en dat zij goed begrijpelijk was en een behoorlijke voorbereiding toeliet; Overwegende dat verzoeker aan de commissie verwijt dat zij hem overvallen heeft met een aantal onverwachte vragen maar dat hij ter zake geen enkele verduidelijking geeft die toelaat uit te maken of dat verhoor al dan niet ingepast kan worden in de opdracht die de Commissie te vervullen had; dat hij overigens ook niet aantoont dat de Commissie bij het formuleren van haar advies op enige wijze rekening gehouden heeft met een ondervraging waarvoor zij geen bevoegdheid had; dat het middel niet kan worden aangenomen; 3.5.4. Overwegende dat verzoeker nog een andere onregelmatigheid ziet in het feit dat hij geen kennis gekregen heeft van het advies van de Psychologen- commissie en hij zich daartegen dan ook niet heeft kunnen verdedigen; dat hij in dat verband in een nieuw middel, uiteengezet in zijn memorie van wederantwoord, ook stelt dat dit advies niet afdoende gemotiveerd is; Overwegende dat het bestreden besluit een eigen motivering bevat, te weten de vaststelling dat de twee diploma’s die verzoeker tot staving van zijn aanvraag voorlegt, niet werden behaald aan een faculteit of een instituut voor psychologie en pedagogie van een Belgische universiteit waardoor niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld door artikel 12 van de wet van 8 november 1993; dat derhalve de eventuele onregelmatigheid van het advies van de psychologencommissie niet tot de vernietiging van het bestreden besluit moet leiden; IX-2315-10/16 Overwegende dat niet blijkt dat verzoeker in kennis gesteld is van het advies van de Psychologencommissie en dat hij zich te dien aanzien heeft kunnen verdedigen; dat evenwel de wet dergelijk recht van verdediging niet mogelijk maakt, maar dat zij enkel voorziet in het horen van de betrokkene door de Psychologencom- missie, hetgeen te dezen gebeurd is; dat, aangezien de wetgever zelf de rechten van verdediging van de aanvragen uitdrukkelijk geregeld heeft, er geen toepassing meer kan gemaakt worden van het beginsel van behoorlijk bestuur betreffende de hoorplicht; dat overigens, in ieder geval artikel 12 van de wet voorschrijft dat de aanvrager zijn verzoek tot machtiging moet motiveren -de wet spreekt van “een omstandige aanvraag”- wat veronderstelt dat de betrokkene daarin al zijn argumenten ontwikkelt die de minister in staat stellen de gevraagde machtiging te verlenen; 3.5.5. Overwegende dat het eerste, tweede en zesde middel niet gegrond zijn; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van artikel 12 van de Europese richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger- onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (hierna: de richtlijn 89/48/EEG); dat hij betoogt dat volgens die bepaling de Belgische overheid uiterlijk op 4 januari 1991 de nodige maatregelen diende te treffen voor de uitvoering van de richtlijn maar dat die uitvoering er slechts gekomen is meer dan zes jaar later -bij koninklijk besluit van 24 januari 1997- en dan nog slechts gedeeltelijk aangezien de vereiste, in artikel 12 van de wet, dat de diploma’s afgeleverd moeten zijn door een Belgische universiteit is blijven bestaan, hetgeen strijdig is met de finaliteit van het Europees Verdrag en met de richtlijn; dat hij in het bij dat derde middel aansluitende vierde middel de schending aanvoert van artikel 8 van de richtlijn 89/48/EEG en van de artikelen 49, 57, eerste lid, en 66 van het EG- verdrag, doordat artikel 8 bepaalt dat de procedure voor het onderzoek van een aanvraag om een gereglementeerd beroep uit te oefenen zo snel mogelijk en uiterlijk vier maanden na het indienen van een volledig dossier afgesloten moet worden met een beslissing, terwijl hij meer dan drie jaar heeft moeten wachten op een besluit en IX-2315-11/16 doordat artikel 8 de lidstaten ertoe verplicht de bewijsmiddelen die door andere lidstaten opgesteld zijn met het oog op de toelating tot een beroep te aanvaarden, terwijl in dit geval de diploma’s uitgereikt door de bevoegde instanties van lidstaten vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 november 1993 niet worden aanvaard als bewijsmiddel voor de machtiging tot het dragen van de titel van psycholoog; dat hij in dat verband stelt dat, aangezien de lacune in de wet tot gevolg heeft dat hij op basis van zijn Engels en Nederlands diploma geen enkele kans heeft om in België toegang te krijgen tot de titel van psycholoog, het aangewezen is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen; dat hij in het vijfde middel de schending aanvoert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doordat de wetgever, aangezien hij de richtlijn 89/48/EEG slechts gedeeltelijk heeft uitgevoerd, een ongelijkheid in het leven geroepen heeft tussen de personen die houder zijn van een diploma afgeleverd door een bevoegde instantie van een Europese lidstaat vóór de inwerking- treding van de wet van 8 november 1993 en personen die houder zijn van een diploma afgeleverd na de inwerkingtreding van die wet aangezien de eerstgenoemde categorie op basis van dat diploma geen toelating kan krijgen tot het voeren van de titel van psycholoog en de tweede categorie wel; dat hij voorstelt om te dien aanzien een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt wat volgt: de richtlijn 89/48/EEG is met het koninklijk besluit van 24 januari 1997 omgezet in het Belgisch recht, maar artikel 12 van de wet is daarbij ongewijzigd gelaten omdat die bepaling niet door de richtlijn bedoeld is; de richtlijn is van toepassing op de lidstaten van de Europese Gemeenschap en op de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, dus niet op Zwitserland en bijgevolg kan de richtlijn niet van toepassing zijn op het geval van verzoeker, die een Zwitser is; de artikelen 12 en 13 van de wet verlenen aan de Psychologencommissie een voldoende beoordelingsruimte om de diploma’s die de wetgever mogelijk uit het oog had verloren, toch als gelijkwaardig te aanvaarden; 4.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de volgende repliek formuleert: de omstandigheid dat hij de Zwitserse nationaliteit IX-2315-12/16 heeft belet niet dat België de Europese richtlijnen binnen de gestelde termijnen moet uitvoeren; de richtlijn 89/48/EEG heeft betrekking op de onderlinge erkenning van diploma’s, uitgereikt door de verschillende lidstaten van de Europese Gemeenschap en zijn aanvraag steunt op een Brits en een Nederlands diploma; de vraag of hij al dan niet een EU-burger is, is ter zake niet relevant, enkel de vraag of het land, waar het overgelegd diploma uitgereikt is, een lidstaat van de Europese Gemeenschap is; ware de richtlijn correct uitgevoerd, dan was zijn Brits of Nederlands diploma wel in aanmerking genomen; 4.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt dat voor de toepassing van artikel 39 van het EEG-verdrag -bepaling die mede de rechtsgrond vormt voor de richtlijn- “niet de Belgische nationaliteit relevant is, maar wel het feit dat verzoeker als regelmatig ingezetene van België dient te worden beschouwd (aangezien hij) over een permanente verblijfsvergunning beschikte”; 4.5.1. Overwegende dat de richtlijn 89/48/EEG blijkens haar artikel 2 van toepassing is “op alle onderdanen van een lidstaat, die als zelfstandige of loon- trekkende een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat wil uitoefenen”; dat luidens artikel 1,
  3. b)van de richtlijn onder “een ontvangende lidstaat” wordt verstaan: “een lidstaat waar een onderdaan van een lidstaat een aldaar gereglemen- teerd beroep wil uitoefenen zonder daar zijn diploma te hebben behaald of het betrokken beroep daar voor het eerst te hebben uitgeoefend”; Overwegende dat deze richtlijn gewijzigd is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, ondertekend te Porto en het daarbij gevoegd Protocol; dat deze documenten in het Belgisch recht geïntegreerd zijn door de wet van 22 juli 1993 en dat daarmee de bepalingen van de richtlijn uitgebreid zijn tot de landen die deze overeenkomst ondertekend hebben; dat Zwitserland oorspronkelijk tot die landen behoorde, maar dat dat land uiteindelijk de overeenkomst niet heeft goedgekeurd en dat het vervolgens geschrapt is uit lijst van staten die de bepalingen van de richtlijn aanvaard hebben; IX-2315-13/16 4.5.2. Overwegende dat verzoeker de Zwitserse nationaliteit heeft; dat de richtlijn 89/48 derhalve, omdat verzoeker geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Gemeenschap en ook van een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, op hem niet van toepassing is; dat, volgens de interpretatie die het Hof van Justitie aan de betreffende bepalingen van het EG- verdrag geeft, verzoeker zich als Zwitsers onderdaan ook niet kan beroepen op het vrij verkeer van personen, van diensten en van vestiging die door het EG-verdrag aan de onderdanen van de lidstaten worden gewaarborgd; dat daaruit volgt dat verzoeker de schending van het Gemeenschapsrecht niet relevant bij het geding kan betrekken teneinde er de onregelmatigheid van de Belgische reglementering mee aan te tonen; dat er dienvolgens ook geen reden is om aan het Hof van Justitie enige prejudiciële vraag te stellen; 4.5.3. Overwegende dat de in het vijfde middel aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel volledig steunt op de gebrekkige uitvoering van de richtlijn 89/48 en op het onderscheid dat de wet zou gemaakt hebben tussen personen die in het bezit zijn van een diploma afgeleverd door een andere EG-lidstaat vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 november 1993 en de personen die over een dergelijk diploma beschikken dat afgeleverd is na die inwerkingtreding; dat hierboven is aangegeven dat verzoeker zich niet kan beroepen op de zogenaamd gebrekkige uitvoering van de richtlijn; dat de ongelijkheid die verzoeker ontwaart uitgaat van een verkeerde lezing van de wet van 8 november 1993 aangezien artikel 1, lid 1, 1/ en 2/, waarin een opsomming wordt gegeven van de Belgische diploma’s die het dragen van de titel van psycholoog toelaten, de met die diploma’s gelijkwaardig verklaarde buitenlandse diploma’s op dezelfde wijze toelaat en die bepalingen geen onderscheid maken naar gelang de datum waarop die diploma’s behaald werden; dat, aangezien de aangevoerde discriminatie slechts het gevolg is van een verkeerde lezing van de wet, er geen reden is om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; 4.5.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie insisteert om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen betreffende een mogelijke discriminatie, door artikel 12 van de wet, van de personen die houder zijn van een IX-2315-14/16 diploma van een Belgische universiteit en de personen die houder zijn van een diploma van een buitenlandse universiteit; dat die vraag het gevolg is van een door de auditeur-verslaggever gemaakte opmerking, die evenwel niet het voorwerp uitgemaakt heeft van nader onderzoek om reden dat verzoeker die ongelijkheid als zodanig niet had aangevoerd en het gelijkheidsbeginsel de openbare orde niet raakt; dat te dien aanzien de Raad van State dan ook vaststelt dat verzoeker de ongelijk- heid, met betrekking waartoe hij een prejudiciële vraag gesteld wenst te zien, niet in zijn middelen, geformuleerd in het verzoekschrift, betrokken heeft en dat het middel, gesteund op de schending van het gelijkheidsbeginsel, de openbare orde niet aanbelangt; dat er dan ook geen reden is om de in de laatste memorie geformuleerde vraag aan het Arbitragehof te stellen; 4.5.5. Overwegende dat het derde, vierde en vijfde middel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-2315-15/16 de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2315-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.