← België

Arrest 135862 - - 11/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.862 Rolnummer: A. 127876/XIV-12083 Zaak: Arrest 135862 - - 11/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 11:06 Fiche Arrest nr 135.862 van 11 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.862 van 11 oktober 2004 in de zaak A. 127.876/XIV-12.083 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. DE GROOTE, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 juni 1968 en van XXX nationaliteit, op 9 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 november 2001 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, van 9 september 2002, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 9 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.083-1/9 Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 juni 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. DE GROOTE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  2. XXX heeft op 10 januari 2000 in eigen naam, voor zijn echtgenote A. en voor hun minderjarige kinderen een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. 1.
  3. Op 21 augustus 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
  4. Op 11 september 2001 heeft de tweede Kamer van de Commissie voor regularisatie een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Uit de nota van het Onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend en dat de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld. De aanvraag werd ingediend op grond van de artikelen 2,1/, en 2,4/, van de regularisatiewet. Om proceseconomische redenen beperkt de Commissie haar onderzoek tot artikel 2,4/. De aanvrager heeft op 11 juni 1999 asiel gevraagd. Hij werd toegelaten tot de procedure ten gronde, zodat hij een wettig verblijf in de zin van artikel 9, 9/, van de regularisatiewet kan doen gelden. De aanvrager spreekt behoorlijk Nederlands. Hij kan regelmatige legale tewerkstellingen als seizoenarbeider aantonen. Thans heeft hij een tewerkstelling door middel van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Schriftelijke getuigenverklaringen wijzen op integratie in de Belgische samenleving. De Commissie besluit, in aansluiting met de ter zitting neergelegde nota van betrokkenes raadsman, dat humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen voorhanden zijn. Betrokkene kan bijaldien geregulariseerd worden met toepassing van artikel 2,4/, van de regularisatiewet. OM DEZE REDENEN Geeft de 2de Kamer van de Commissie voor Regularisatie aan de Minister van Binnenland- se Zaken een gunstig advies betreffende de aanvraag tot regularisatie van XXX. (...)” XIV-12.083-2/9 1.
  5. Op 14 november 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de eerste bestreden beslissing. “(...) Overwegende dat de 2e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk een gunstig advies voor beslissing inzake Uw aanvraag tot regularisatie heeft verstrekt, door U ingediend bij de Burgemeester te HASSELT, op 10/01/2000 en dat het nummer 35002000011000013 draagt; Overwegende dat Mijnheer XXX zich bij zijn regularisatieverzoek beriep op het criterium van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat hij om redenen onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar het land of de landen waar hij vóór aankomst in België gewoonlijk verbleven heeft, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft; eveneens beriep hij zich op het criterium 2, 4/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat hij humanitaire redenen meent te kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land zou hebben ontwikkeld; Overwegende dat het verzoek eveneens werd ingediend voor zijn echtgenote, Mevrouw A., en hun kinderen S., R. en H.; Overwegende dat wat het criterium van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreft, verzoeker een verklaring toevoegt in de zin van artikel 9, 7/, van genoemde wet met de reden waarom hij niet kan terugkeren naar XXX, het land waarvan hij de nationaliteit heeft; Overwegende dat verzoeker zich baseert op het verhaal dat als basis diende voor zijn asielverzoek van 11 juni 1999, en dat dit de redenen geeft waarom hij onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar XXX; Overwegende dat deze elementen grondig werden bestudeerd zowel door het Commissari- aat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in de beslissing van 22 maart 2000 als door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in de beslissing van 29 juni 2000; Overwegende dat zowel het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen als de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in hun beslissing stellen dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers relaas wegens de belangrijke contradicties in het relaas van verzoeker en zijn echtgenote; Overwegende dat een verhaal, dat grondig bestudeerd werd door genoemde asielinstanties, moeilijk geloofwaardig kan worden in het kader van de wet van 22 december 1999; dat verzoekers bovendien geen nieuwe elementen toevoegen die hun relaas meer geloofwaardigheid kan (kunnen) schenken, dat de stukken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland en het vonnis van de Arrondissementsrechtbank van 's-Gravenhage geen enkel element bijbrengt (bijbrengen) dat het relaas van verzoekers geloofwaardiger maakt; Overwegende dat verzoeker en zijn echtgenote derhalve geen overtuigende elementen voorleggen om te kunnen besluiten dat zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999; Overwegende dat volgens artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 verzoeker die zich beroept op artikel 2, 4/ van dezelfde wet van 22 december 1999 dient aan te tonen dat zijn of haar aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat verzoeker wettig in België verbleven heeft en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat verzoeker in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten; Overwegende dat er sprake is van 2 minderjarige kinderen die op het ogenblik van het regularisatieverzoek, te weten 10/01/2000, de leeftijd hebben om naar school te gaan, en op 1 oktober 1999 in België verbleven; Overwegende dat Mijnheer XXX derhalve dient aan te tonen dat op het ogenblik van de aanvraag zijn aanwezigheid in België derhalve teruggaat tot meer dan vijf jaar, - dat verzoeker verklaart op 11 juni in België te zijn gearriveerd: dat hij derhalve niet kan aantonen op het ogenblik van de aanvraag, te weten op 10/01/2000, meer dan vijf jaar in België te hebben verbleven; Overwegende dat de Heer XXX geen schriftelijke verklaring heeft toegevoegd dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een bevel gekregen heeft om het land te verlaten ; dat indien dit geschiedde betrokkene evenwel nog niet voldoet aan de vereiste in onderhavige situatie eveneens vijf jaar in België te verblijven; Overwegende dat de Heer XXX op het ogenblik van de aanvraag, te weten op 10/01/2000 een wettig verblijf bezat, namelijk een attest van immatriculatie nadat het asielverzoek op 13 september 1999 ontvankelijk verklaard werd; Overwegende dat artikel 9, 9/ derde lid van de wet van 22 december 1999 echter bepaalt dat om te oordelen of een wettig verblijf relevant is ook rekening moet worden gehouden met XIV-12.083-3/9 het criterium van artikel 2, 4/, te weten de aanwezigheid van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in het land; Overwegende dat de Commissie voor Regularisatie stelt dat de Heer XXX elementen voorlegt die zouden wijzen op humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in het land, zoals dat hij regelmatig tewerkgesteld was en dat er getuigenverklaringen zijn die wijzen op de integratie van het gezin; Overwegende dat de ingeroepen redenen voor het regularisatieverzoek die zowel door de Commissie voor Regularisatie als door de Minister worden geëvalueerd dienen te gelden op het ogenblik van de aanvraag, in het geval van verzoeker is dit 10/01/2000; Overwegende dat verzoeker bewijsstukken voorlegt dat hij tewerkgesteld is geweest, dat deze stukken echter allemaal dateren uit de periode na het indienen van het regularisatiever- zoek; dat geen enkel element uit het administratief dossier erop wijst dat verzoeker in de periode voorafgaand aan of tijdens het verzoek tewerkgesteld is geweest ; dat een attest van het OCMW Fexhe-le-Haut-Clocher dd. 19/01/2000 zelfs stelt dat het gezin financiële steun ontvangt; Overwegende dat 2 kinderen de leeftijd hebben (om) naar school te gaan, en er ook bewijzen zijn dat zij naar school gaan, en dat de Heer XXX taallessen Nederlands heeft gevolgd; Overwegende dat er stukken zijn die (erop) wijzen dat verzoekers zekere administratieve handelingen hebben verricht tijdens hun verblijf in België (huurovereenkomst, aansluiting mutualiteit, verrichten betalingen van facturen, ... ); dat deze stukken evenwel niet wijzen op duurzame sociale bindingen of humanitaire redenen; Overwegende dat er getuigenissen worden voorgelegd van mensen die erop wijzen dat verzoekers pogen zich te integreren, tijdig rekeningen betalen of goed hun werk doen; dat dit evenwel onvoldoende is om te wijzen op humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen; Overwegende echter dat deze voorgelegde elementen en stukken op zich niet wijzen op duurzame sociale bindingen in België en humanitaire redenen op het ogenblik van de aanvraag, namelijk op 10/01/2000; dat met de notie « duurzaam » de wetgever duidelijk heeft aangegeven dat de aangehaalde sociale bindingen gedurende een lange periode worden aangehouden; Dat verzoeker in België arriveerde op 11 juni 1999; dat op het ogenblik van het regularisatieverzoek betrokkene 7 maanden in België verbleef, dat men moeilijk kan zeggen dat in deze periode duurzame banden kunnen ontstaan; dat de voorgelegde elementen gezien deze korte periode van verblijf in België moeilijk (kunnen) worden aanvaard als duurzaam of als bijzondere humanitaire redenen, BESLUIT: De regularisatieaanvraag nr. 35002000011000013, ingediend door de Heer XXX op 10/01/2000 bij de Burgemeester van HASSELT wordt afgewezen, ondanks het gunstig advies van de Commissie voor Regularisatie. (...)” 1.
  6. Op 9 september 2002 werd aan verzoeker kennis gegeven van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  7. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van het beginsel van de fair play, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel in samenhang met een schending van het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de gewekte verwachtingen, evenals de schending van de artikelen 2 en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), en machtsoverschrijding; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat in de tweede bestreden beslissing, met name het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet vermeld wordt XIV-12.083-4/9 wie deze beslissing heeft genomen en ondertekend en door wie de betrokken ambtenaar werd gemachtigd , en dat de vermelding “asielprocedure definitief afgesloten” niet geheel correct is omdat er nog een procedure bij de Raad van State hangende was; Overwegende dat verzoeker in verband met de eerste bestreden beslissing, met name de weigering van regularisatie, aanvoert dat het niet opgaat om een aanvrager de toepassing van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet te ontzeggen wanneer voorheen zijn asielaanvraag werd afgewezen; dat de onmogelijkheid tot terugkeer opnieuw moet worden onderzocht in het licht van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet; dat een verwijzing naar de asielprocedure niet volstaat; dat de eigen overweging van de Minister in dit verband onvoldoende is en dat dit een schending inhoudt van de motiveringsplicht; dat in deze context tevens het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-play-beginsel geschonden zijn omdat in gelijkaardige dossiers de onmogelijkheid tot terugkeer wel werd aanvaard, zelfs al was de asielprocedure nog niet beëindigd of was de asielaanvraag afgewezen; dat er hierdoor tevens sprake is van machtsoverschrijding; dat verzoeker in verband met de eerste bestreden beslissing tevens aanvoert dat de Minister niet juist heeft geoordeeld over het vierde criterium vermeld in artikel 2 van de Regularisatiewet, omdat de Minister ervan uitgaat dat de humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen moeten gelden op het ogenblik van de aanvraag, terwijl verzoeker en zijn echtgenote enerzijds wel duurzame en sociale bindingen hadden in de periode van hun binnenkomst in juni 1999 tot de datum van de aanvraag in januari 2000, en anderzijds dat het indruist tegen de rechtspraak van de kamers van de Commissie voor Regularisatie om geen rekening te houden met gegevens in dit verband van na de regularisatieaanvraag, rechtspraak waarvan verzoeker voorbeelden bijvoegt; dat bovendien de Commissie voor Regularisatie in haar advies ten aanzien van verzoeker eveneens rekening heeft gehouden met gegevens van na de regularisatie- aanvraag; dat een schrijven van de Minister van 8 juni 2001 waarin vermeld werd dat het regularisatiepercentage op 1 mei 2001 91% bedroeg, verwachtingen heeft opgewekt bij verzoeker en zijn familie, dat zij in die periode legaal verbleven in het Rijk, dat de betekening van een negatieve beslissing tien maanden nadat ze werd genomen, getuigt van onredelijkheid en onzorgvuldigheid, te meer daar de Advocaat van verzoeker in die periode twee maal schriftelijk geïnformeerd heeft naar de stand van zaken; Overwegende dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten vermeldt dat dit wordt gegeven “in uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken genomen op 13

(14)/11/2001" en is ondertekend door de gemachtigde ambtenaar van de Stad Hasselt, zonder dat de naam van deze gemachtigde ambtenaar wordt vermeld; dat een eventueel gebrek dat kleeft aan de betekening van een bevel geen invloed heeft op het rechtmatig karakter van de genomen onderliggende beslissing; dat het motief dat “de asielaanvraag ingediend door betrokkene definitief werd afgesloten” een overtollig motief uitmaakt, omdat het bevel tevens gesteund is op de overweging dat de regularisatieaanvraag van verzoeker werd verworpen; dat dit laatste motief het bestreden bevel op afdoende wijze XIV-12.083-5/9 schraagt; dat het onderdeel van het enig middel dat gericht is tegen het bestreden bevel ongegrond is; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken een onderzoek heeft gevoerd naar de onmogelijkheid tot terugkeer van verzoeker, en dat hij hierbij heeft verwezen naar de beslissingen van de asielinstanties; dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overwegen dat er geen geloof kan worden gehecht aan het asielrelaas van verzoeker; dat verzoeker bij zijn regularisatieaanvraag dezelfde feiten inroept als bij zijn asielaanvraag; dat de Minister dezelfde feiten beoordeelt als de asielinstanties en overweegt dat verzoeker geen nieuwe elementen doet gelden die zijn relaas geloofwaardig maken en “dat de stukken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland en het vonnis van de Arrondissementsrecht- bank van ‘s-Gravenhage geen enkel element bijbrengt (bijbrengen) dat het relaas van verzoekers geloofwaardiger maakt”; dat verzoeker niet aantoont dat de eerste bestreden beslissing hem de toepassing van artikel 2,2/, van de Regularisatiewet ontzegt; dat hij evenmin aantoont dat de verwijzing naar het oordeel van de asielinstanties en de eigen motivering van de Minister onjuist of onredelijk zijn; dat de verwijzing naar de adviezen en beslissingen waarin de onmogelijkheid tot terugkeer wel werd aanvaard, zelfs al was de asielprocedure nog niet beëindigd of was de asielaanvraag afgewezen, niet van aard is om de motieven van de eerste bestreden beslissing te ontkrachten, omdat elke zaak haar bijzondere kenmerken en eigenheden heeft en per definitie praktisch niet vergelijkbaar is met andere zaken; dat in dit verband artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek van overeen-komstige toepassing is; dat uit het administratief dossier immers blijkt dat de eerste bestreden beslissing het gevolg is van een individueel en specifiek onderzoek van de feiten en gegevens, eigen aan de zaak van verzoeker; Overwegende dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van artikel 2, 4/, en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs moet leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de eerste bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan vijf jaar (voor gezinnen met minderjarige kinderen, zoals in casu het geval is), vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat de eerste bestreden beslissing op goede gronden vaststelt dat verzoeker verklaarde op 11 juni 1999 in België te zijn aangekomen; dat uit het administratief dossier en uit de verzoekschriften blijkt dat hij niet kan aantonen dat hij op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag op 10 januari 2000 meer dan vijf jaar in België XIV-12.083-6/9 verbleef; dat de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet bijgevolg niet werden geschonden; dat artikel 9, 9/, derde lid, van de Regularisatiewet bepaalt dat, om te oordelen of een wettig verblijf relevant is, ook rekening moet worden gehouden met het criterium van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, te weten de aanwezigheid van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in het land; dat de Regularisatiewet bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken de ingeroepen redenen van de regularisatieaanvraag evalueert op het ogenblik van de aanvraag, zijnde op 10 januari 2000; dat de schending van het gelijkheidsbe- ginsel niet wordt aangenomen, omdat de adviezen en beslissingen waarnaar verzoeker verwijst en waarin wel rekening zou zijn gehouden met elementen van integratie na de datum van de aanvraag, niet een gelijkaardige situatie betreffen als die van verzoeker; dat in deze gevallen ofwel sprake is van een langer verblijf in het Rijk, ofwel sprake is van een relatie met een persoon die op legale wijze in België verblijft; dat elke zaak haar bijzondere kenmerken en eigenheden vertoont; dat uit het administratief dossier blijkt dat aan de eerste bestreden beslissing een grondig individueel en specifiek onderzoek van de feiten voorafging, rekening houdend met alle relevante gegevens van de zaak; dat de eerste bestreden beslissing op goede gronden overweegt dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker voorafgaand aan, of op het ogenblik van de regularisatieaanvraag tewerkgesteld was, en dat uit een attest van het OCMW Fexhe-le-Haut-Clocher dd. 19/01/2000 blijkt dat het gezin financiële steun ontving; dat de eerste bestreden beslissing bijgevolg op goede gronden vaststelt dat de voorgelegde elementen en stukken niet wijzen op duurzame sociale bindingen in België of humanitaire redenen op het ogenblik van de aanvraag, namelijk op 10 januari 2000; dat met de notie ‘duurzaam’ de wetgever duidelijk heeft aangegeven dat de aangehaalde sociale bindingen gedurende een lange periode worden aangehouden; dat verzoeker op het ogenblik van de regularisatieaanvraag ongeveer zeven maanden in België verbleef, zodat in deze periode geen “duurzame banden” kunnen ontstaan; dat de Minister van Binnenlandse Zaken derhalve op goede gronden overweegt dat de voorgelegde elementen en stukken, gezien deze korte periode van verblijf in België, op zich niet wijzen op humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker voorbijgaat aan het cumulatief effect van de voorwaarden van de artikelen 2, 4/, en 9 van de Regularisatiewet, door er van uit te gaan dat niet moet zijn voldaan aan de voorwaarde van langdurig verblijf (in casu vijf jaar), en de aanwezigheid van humanitaire redenen en sociale bindingen op het ogenblik van het indienen van de regularisatieaanvraag, in casu op 10 januari 2000; dat verzoeker in zijn verzoekschriften noch de continuïteit van zijn verblijf, noch duurzame sociale bindingen heeft aangetoond op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag; dat hetzelfde geldt voor wat de humanitaire redenen betreft; dat bijgevolg geen van de ingeroepen bepalingen werden geschonden; Overwegende dat verzoeker evenmin aantoont dat het rechtszekerheidsbe- ginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden; dat er weliswaar een bepaalde periode XIV-12.083-7/9 is verstreken tussen het nemen van de eerste bestreden beslissing en de betekening ervan, maar dat verzoeker in deze periode in het Rijk kon verblijven en dat het tijdstip van de betekening geen afbreuk doet aan de wettigheid van de eerste bestreden beslissing; dat de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 juni 2001 enkel een informatief karakter heeft en geen beslissing inhoudt over de verblijfssituatie van verzoeker; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.083-8/9 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.083-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.862 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.