← België

Arrest 135869 - - 11/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.869 Rolnummer: Zaak: Arrest 135869 - - 11/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 11:09 Fiche Arrest nr 135.869 van 11 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.869 van 11 oktober 2004 in de zaken A. 77.238/IX-3330 77.239/IX-

  1. In zake : I. de VZW Humanistisch Vrijzinnige Dienst, II.de VZW Liga voor Mensenrechten, die woonplaats kiezen bij advocaat K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : I. + II. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Humanistisch Vrijzinnige Dienst op 23 januari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de zogenaamde nota ter uitvoering van het dienstendecreet-nieuwe richtlijnen, van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van de administratie Sociaal-Cultureel Werk van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ondertekend door G. VAN HOUTVEN, afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken, op 24 november 1997; IX-3330-1/24 Gezien het verzoekschrift dat de VZW Liga voor Mensenrechten eveneens op 23 januari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde nota; Gelet op de arresten nrs. 74.025 en 74.026 van 2 juni 1998 waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden nota worden verworpen; Gezien de verzoeken tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 18 juni 1998 en 8 juli 1998 respectievelijk door de tweede en de eerste verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag over de zaken opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-3330-2/24 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CRAUWELS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat I. VANDEN BON, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Het decreet van 19 april 1995 houdende een subsidieregeling voor diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen en houdende een wijziging van het decreet van 2 januari 1976 tot erkenning en subsidiëring van de Nederlandstalige koepelorganisaties voor beleidsvoorbereidend overleg in de sector van het sociaal-cultureel werk voor volwassenen - hierna genoemd: “het dienstendecreet” - strekt ertoe een nieuwe en aangepaste regelgeving uit te werken voor de talrijke organisaties in het volksontwikkelingswerk die om verscheidene redenen niet thuishoren onder de reglementering op de verenigingen en instellingen. Het bevat een subsidieregeling ten behoeve van erkende diensten voor sociaal- cultureel werk voor volwassenen. Hoofdstuk II ervan regelt die erkenning. 1.
  5. Het dienstendecreet werd uitgevoerd door het besluit van 10 mei 1995 van de Vlaamse Regering betreffende de subsidieregeling van diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen, hierna genoemd: “het uitvoeringsbesluit”. 1.
  6. Met een brief van 24 november 1997 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van de administratie Sociaal-Cultureel Werk van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de erkende diensten voor sociaal-cultureel werk IX-3330-3/24 en de organisaties die toegang hebben tot het dienstendecreet een nota mee in verband met de toepassing van het dienstendecreet. Dit is de bestreden nota “nieuwe richtlijnen - uitvoering van het dienstendecreet”, hierna : “nota nieuwe richtlijnen”. Blijkens de brief werd deze nota voor akkoord verklaard door de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, vervangt zij een vroegere nota van 10 mei 1996 en zijn “vanaf heden (...) dan ook uitsluitend van toepassing : het decreet van 19 april 1995, het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995 en bijgaande nota”. De nota nieuwe richtlijnen bevat richtlijnen inzake de doelgroep van het dienstendecreet (I), de statuten (II), de werking (III), in het bijzonder inzake de activiteiten documentatiecentrum (A), tijdschrift (B), educatieve publicaties - audiovisuele producties (AVM) (C), educatief materiaal - technisch materiaal (D), begeleiding, ondersteuning, advisering (BOA) (E), eigen educatieve activiteiten (F) en informatiecampagne, happening, onderzoek, tentoonstelling (G), nieuwe media (IV) en het landelijk karakter (V). 1.
  7. Uit het dossier van de verzoekende partijen blijkt dat de nieuwe richtlijnen reeds ten opzichte van hen worden toegepast. In een brief van 19 december 1997 wijst het bestuur de verzoekende partijen er aldus op dat de in referte vermelde aankondigingen van activiteiten niet aanvaard kunnen worden omdat “volgens de nieuwe richtlijnen van 24.11.97 (...) deze activiteiten niet meer in aanmerking (komen) voor BOA”. 1.
  8. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat sinds het instellen van de onderhavige beroepen het dienstendecreet nog werd gewijzigd bij de decreten van 22 december 1999 en 22 december 2000, en dat het werd opgeheven bij decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 1.
  9. Het advies van de Hoge Raad voor de volksontwikkeling bij de nota nieuwe richtlijnen, waarnaar de verzoekende partijen in het eerste middel verwijzen, werd na het schorsingsverslag medegedeeld door beide partijen. Dit advies van 16 december 1997 stelt dat een aantal punten te restrictief zijn en ingaan tegen IX-3330-4/24 of toevoegen aan het dienstendecreet en dringt er dan ook op aan de nota nieuwe richtlijnen in te trekken. 2.1.
  10. Overwegende dat in beide zaken de verwerende partij opwerpt dat zowel volgens artikel 13 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend als volgens de betrokken statuten de verzoekende partijen in rechte vertegenwoordigd dienen te worden door de raad van bestuur, doch ter zake niet is aangegeven door welk orgaan de verzoekende partijen vertegenwoordigd worden en dat daarbij niet volstaat dat het verzoekschrift ondertekend is door een op het tableau ingeschreven advocaat; dat zij ten aanzien van de verzoekende partij in de zaak A. 77.239/IX-3329 nog opwerpt dat de beslissing om het geding in te stellen door een onregelmatig samengestelde raad van bestuur werd genomen, inzonderheid doordat slechts drie van de zestien bestuurders daarbij aanwezig waren; 2.1.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in de zaak A. 77.238/IX-3330 een afschrift voorlegt van de door de voorzitter, de onder- voorzitter, de secretaris, de penningmeester en twee bestuurders op 14 januari 1998 voor waar en eensluidend ondertekende notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 13 januari 1998 waaruit blijkt dat de raad van bestuur, onder het agendapunt "Inleiding verzoek tot de Raad van State tot het nietig verklaren (...) van de omzendbrief van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, d.d. 24 november 1997 inzake de uitvoering van het dienstendecreet (van 19 april 1995) - nieuwe richtlijnen, en de bijhorende 'Nota bij het dienstendecreet'" besliste om "zich aan te sluiten bij de klacht van de BVV0, als advocaat voor deze materie aan te stellen Mr. Wilfried RAUWS (...), de voorzitter te machtigen om namens de vereniging op te treden en alle daden te stellen in alle aangelegenheden die deze materie betreffen"; dat daarbij acht van de dan dertien bestuurders aanwezig waren; dat wat de voornoemde verzoekende partij betreft de exceptie hoe dan ook niet opgaat; IX-3330-5/24 2.1.2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in de zaak A. 77.239/IX-3329 een afschrift voorlegt van de door de voorzitter, de secretaris en de penningmeester ondertekende notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 22 januari 1998 waaruit blijkt dat deze raad van bestuur besloten heeft om een annulatieberoep in te stellen; dat weliswaar slechts drie van de zestien bestuurders daarbij aanwezig waren; dat artikel 18 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt dat de raad van bestuur vergadert op bijeenroeping van de voorzitter of van twee bestuurders telkens de belangen van de vereniging het vereisen en dat de beslissingen genomen worden bij meerderheid van stemmen der aanwezige leden; dat echter noch de voornoemde wet van 27 juni 1921 noch de statuten bepalen dat de beslissingen enkel geldig kunnen worden genomen indien de meerderheid van de leden van de raad van bestuur aanwezig is; dat ter zake ook een afschrift van de oproepingsbrief aan de leden van de raad van bestuur wordt voorgelegd en niet blijkt dat die oproeping niet regelmatig is gedaan; dat ook ten aanzien van de verzoekende partij in de zaak A. 77.239/IX-3329 de exceptie niet opgaat; 2.2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog opwerpt dat de VZW Liga voor Mensenrechten geen erkenning meer aanvroeg op basis van het dienstendecreet, dat zij thans op basis van de bij decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001 projectsubsidies geniet en dus geen actueel belang meer heeft; 2.2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij niet verduidelijkt waarom precies uit de door haar aangebrachte gegevens zou volgen dat de VZW Liga voor Mensenrechten geen belang meer zou hebben; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.3.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in de beide zaken opwerpt dat de bestreden nota bij het zogenaamde dienstendecreet van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van de administratie Sociaal-Cultureel Werk van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, geen voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling uitmaakt; IX-3330-6/24 dat de bestreden nota enkel aangeeft hoe het dienstendecreet, vanaf het werkingsjaar 1998, wordt geïnterpreteerd en toegepast op het vlak van de erkenningsvoorwaarden, doch er geen nieuwe worden gecreëerd; dat zij, op basis van de inspectievergaderingen met betrekking tot de toepassing van het decreet -waarbij een louter formalistische invulling van de erkenningsvoorwaarden waargenomen werd- een duidelijker interpretatie op punt stelt, die beter aansluit bij de geest van het dienstendecreet, namelijk waarbij de diensten zich duidelijk moeten profileren en onderscheiden ten aanzien van de instellingen en verenigingen, waarbij vooral de kwaliteitsvolle werking van de diensten ten opzichte van de andere organisaties voor sociaal-cultureel werk voor ogen stond; dat volgens de verwerende partij het derhalve gaat om een nota van de administratie die puur interpretatief is en die volgens de rechtspraak van de Raad van State geen aanvechtbare bestuurshandeling uitmaakt; 2.3.2.
  16. Overwegende dat opdat een annulatieberoep ontvankelijk zou zijn met toepassing van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het een eenzijdige administratieve rechtshandeling van een administratieve overheid tot voorwerp moet hebben; dat te dezen de bestreden circulaire uitgaat van de administratie Sociaal-Cultureel Werk van het departement Welzijn, Volks- gezondheid en Cultuur van het ministerie van Vlaamse Gemeenschap, die een administratieve overheid is; dat circulaires van een bevoegde overheid, die nieuwe regels aan de bestaande toevoegen waarvan het bovendien de bedoeling is ze verbindend te maken voor die bevoegde overheden en waarvan de naleving afdwingbaar is, omzendbrieven zijn met verordenend karakter die in beginsel vernietigbaar zijn; dat te dezen de vraag rijst of de bestreden nota regels en voorwaarden vaststelt die niet voorkomen in de bestaande wetgeving maar die de bestaande wetgeving aanvullen; 2.3.2.
  17. Overwegende dat de bestreden richtlijnen zijn opgesteld door het bestuur belast met de toepassing van het dienstendecreet en zij voor akkoord werden ondertekend door de bevoegde minister; dat zij in algemene bewoordingen gesteld zijn en uit die formulering zelf alsmede uit de begeleidende brief, inzonderheid uit de IX-3330-7/24 woorden "vanaf heden zijn dan ook uitsluitend van toepassing: het decreet van 19 april 1995, het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995 en bijgaande nota" blijkt dat het de bedoeling is die richtlijnen dwingend op te leggen aan de betrokken diensten; dat via de subsidiërings- en erkenningscommissie het bestuur tevens beschikt over de mogelijkheid deze richtlijnen af te dwingen, van welke mogelijkheid het reeds gebruik gemaakt heeft door bepaalde aankondigingen van BOA af te wijzen als strijdig met de richtlijnen; dat in de mate dat de bestreden nota naast nieuwe richtlijnen ook nieuwe regels bevat, welk probleem samenvalt met het eerste middel, het bijgevolg gaat om een verordenende omzendbrief; dat de vraag van de ontvankelijkheid samenhangt met de grond van de zaak; dat de exceptie moet worden afgewezen; 3.1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen in beide zaken als eerste middel aanvoeren dat de bestreden richtlijn strijdig is met het dienstendecreet van 19 april 1995 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 1995; 3.1.1.
  19. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste onderdeel als volgt uiteenzetten : “Strijdigheid van de inhoud en de interpretatie in de Richtlijn III Werking, afdeling E, Begeleiding, Ondersteuning, Advisering met het Decreet, o.m. art. 8, § 2, 6° en met het Besluit, o.m. art. 9, § 2 van het Besluit, zoals trouwens opgemerkt in het advies van de Hoge Raad voor de Volksontwikkeling. Volgens de Richtlijn komen activiteiten die georganiseerd worden door verzoekster als dienst zelf voor derden niet in aanmerking voor het wettelijke criterium van de begeleiding, ondersteuning en advisering maar komen integendeel enkel in aanmerking de activiteiten die georganiseerd worden door een derde organisatie. Dit standpunt in de Richtlijn is strijdig met het Decreet en het Besluit vermits op basis van deze wettelijke normen elke ondersteuning, advisering en/of begeleiding vanuit de specialiteit van verzoekster als dienst op vraag van derden als subsidieerbare uren in aanmerking moet worden genomen. De in de Richtlijn opgelegde interpretatie ervan heeft als gevolg dat alleen het aspect van de advisering, zoals genoemd in artikel 8 § 2 van het Decreet, wordt gehonoreerd, hetgeen strijdig is met de wetgeving en een engere interpretatie inhoudt dan door de decreetgever is bedoeld. Bovendien introduceert de richtlijn nieuwe begrippen en legt ze nieuwe vereisten op zoals 'een proces met fases : voorbereiding, uitvoering en evaluatie' en 'projecten' , ... die op grond van het Decreet en het Uitvoeringsbesluit, niet IX-3330-8/24 kunnen worden opgelegd. Dit komt de facto neer op het - onwettig - toevoegen van nieuwe erkenningscriteria.”; 3.1.1.
  20. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel van het middel antwoordt dat de BOA-dienstverlening volgens artikel 8, § 1, 2/, van het dienstendecreet de essentiële functie van de dienst is, die steeds moet worden in- gevuld en dat, aangezien educatieve uren kunstmatig werden omgevormd tot BOA- uren, ervoor werd geopteerd de organisatie zelf te definiëren als klant van BOA waarbij de vertegenwoordigers van de organisatie participeren in de BOA-activiteiten van de dienst en de individuele deelnemer slechts de niet-directe gebruiker ervan is; dat wanneer gewerkt wordt met individuele deelnemers, het volgens haar gaat om educatieve activiteiten; dat de verwerende partij voorts stelt dat nergens uit de nota nieuwe richtlijnen blijkt dat het dienstendecreet verengd wordt tot advisering en zij erop wijst dat de arresten nrs. 74.025 en 74.026 van 2 juni 1998 erkennen dat de stelling verdedigbaar is dat één zaak is het ondersteunen, begeleiden en adviseren van activiteiten georganiseerd door een derde organisatie en een andere zaak het zelf organiseren van een activiteit; dat het vereiste project- en procesmatig werken geen erkenningsvoorwaarden zou toevoegen aan het decreet maar inherent zijn aan de door het decreet vereiste kwaliteitsvolle werking, waarbij evident is dat een vragende organisatie een bepaald project op het oog heeft wanneer zij beroep doet op een dienst; dat de verwerende partij aanvoert dat ook punt III, Werking, E, BOA, b, 2, van de nota nieuwe richtlijnen, waarin wordt gesteld dat activiteiten of projecten die plaatsvinden met individuele deelnemers geen aan-leiding geven tot BOA-uren, geen toevoeging behelst aan het dienstendecreet; dat artikel 6, 5/, van het dienstendecreet, dat ook verwijst naar dienstverlening aan andere dan erkende organisaties uit de sociale sector van volksontwikkeling, zoals individuele belangstellenden, immers enkel een algemene omschrijving zou geven van de dienstverlening die een dienst moet realiseren, terwijl de concrete inhoud van de verplichte BOA-activiteit wordt bepaald in artikel 8, § 2, 6/, van het diensten-decreet, hetwelk verwijst naar erkende organisaties; dat ook punt III, Werking, E, BOA, c, 3, van de nota nieuwe richtlijnen, waarin wordt gesteld dat in het jaar-verslag geen BOA-contacten kunnen worden opgenomen van meer dan twee uur tenzij zij vooraf werden aangekondigd, geen IX-3330-9/24 toevoeging zou zijn aan het diensten-decreet of het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995, aangezien artikel 8, § 2, 6/, van het dienstendecreet dit expliciet als vereiste vermeldt; 3.1.1.
  21. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat punt III, Werking, E, BOA van de nota nieuwe richtlijnen wel degelijk strijdig is met het dienstendecreet, onder meer artikel 8, § 2, 6/, en met artikel 6, § 2, van het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995, aangezien volgens die teksten elke BOA vanuit de specialiteit van de betrokken dienst als dienst op vraag van derden als subsi- dieerbare uren in aanmerking komt terwijl uit de nota volgt dat activiteiten die de dienst zelf voor derden organiseert niet meer in aanmerking komen als basisfunctie maar enkel activiteiten georganiseerd door derden; dat volgens hen de onjuiste bewering dat educatieve uren kunstmatig worden omgevormd in BOA-uren en het introduceren van begrippen als klant, vertegenwoordigers van vragende organisaties en niet-directe gebruikers enkel proberen zonder rechtsgrond een verstrenging van het dienstendecreet via de nota te rechtvaardigen; dat uit het dienstendecreet immers enkel zou volgen dat BOA moet gebeuren op vraag van een andere organisatie terwijl de eigen educatieve activiteiten zoals blijkt uit de term zelf door de dienst zelf moeten worden georganiseerd; dat in antwoord op het argument gebaseerd op de arresten nrs. 74.025 en 74.026 van 2 juni 1998, de verzoekende partijen nog stellen dat niet ingezien kan worden waarom het organiseren van een activiteit voor een derde organisatie op haar vraag niet beantwoordt aan het begrip BOA in artikel 8, § 2, 6/, van het dienstendecreet en de voorwaarden van artikel 9, § 2, van het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995, aangezien dit een zeer ernstige vorm van ondersteuning en begeleiding van een derde organisatie is en dat, door dit uit te sluiten, het dienstendecreet in de nota nieuwe richtlijnen verengd zou worden tot advisering, zoals ook opgemerkt door de Hoge Raad voor de volksontwikkeling in zijn advies van 16 december 1997; dat verwijzend naar het auditoraatsverslag over de schorsing de verzoekende partijen voor het eerst in de memorie van wederantwoord stellen dat punt III, Werking, E, BOA, b, 2, toevoegt aan het dienstendecreet door te bepalen dat activiteiten of projecten die plaatsvinden met individuele deelnemers in de fase van uitvoering geen aanleiding kunnen geven tot IX-3330-10/24 BOA-uren, terwijl artikel 6, 5/, van het dienstendecreet dienstverlening aan individuele deelnemers niet uitsluit en artikel 9, § 2, 1/ van het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995 bepaalt dat de uren moeten plaatsvinden in het kader van bijeen- komsten waarin zowel groepsbegeleiding als individuele begeleiding voorkomt; dat uit artikel 8, § 2, 6/, van het dienstendecreet volgens hen het tegendeel niet zou volgen, aangezien dit enkel minimumnormen bevat en dus niet uitsluit dat activiteiten of projecten met individuele deelnemers aanleiding geven tot BOA-uren; dat dit ook het geval zou zijn voor punt III, Werking, E, BOA, c, 3, hetwelk bepaalt dat in het jaarverslag geen BOA-contacten van meer dan twee uren kunnen worden opgenomen tenzij zij vooraf zijn aangekondigd, nu deze beperking niet blijkt uit het dienstendecreet of het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995; dat artikel 9 van het dienstendecreet integendeel bepaalt dat niet aangekondigde uren met de nodige bewijsstukken in het werkingsverslag moeten worden opgenomen; 3.1.1.4.
  22. Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van dit middel een tweevoudige wettigheidskritiek uiten, vooreerst het concrete bezwaar dat volgens het dienstendecreet en het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995 elke ondersteuning, advisering en begeleiding (BOA) vanuit de specialiteit van de betrokken dienst als dienst op vraag van derden als subsidieerbare uren in aanmerking dient te worden genomen, terwijl de interpretatie in de nota nieuwe richtlijnen inhoudt dat activiteiten die de dienst zelf organiseert niet meer in aanmerking komen als basisfunctie BOA, maar alleen activiteiten georganiseerd door derden, zodat enkel het aspect advisering nog relevant zou zijn; dat zij vervolgens stellen, maar dan in algemene bewoordingen, dat ook de nieuwe vereisten inzake het proces in fasen onwettige toevoegingen zijn aan het diensten-decreet en het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995; 3.1.1.4.
  23. Overwegende wat dat laatste betreft dat, zoals kan worden vast- gesteld bij de lezing van de laatste alinea van het eerste onderdeel van dit middel hiervoor weergegeven onder 3.1.1.1., de verzoekende partijen in hun verzoekschrift tot nietigverklaring niet aangeven welke bepalingen van het dienstendecreet of van het uitvoeringsbesluit geschonden zouden zijn door de nota nieuwe richtlijnen of -wijl IX-3330-11/24 het om toevoegingen zou gaan- met welke bepalingen ervan deze in verband gebracht kunnen worden; dat zij evenmin preciseren in welke punten en onderdelen van punten van de voormelde nota die toevoegingen te vinden zijn en wat zij precies inhouden; dat een zo vaag geformuleerd middel niet ontvankelijk is; dat de verzoekende partijen weliswaar in hun memorie van wederantwoord, en dit naar aanleiding van de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag aangaande de vordering tot schorsing, op bepaalde precieze punten nader ingaan; dat het niet is omdat de verwerende partij en het auditoraat tot een meer gedetailleerde analyse zijn overgegaan dan die waartoe de verzoekende partijen zich getroost hebben, dat een wegens vaagheid onontvankelijk middel ontvankelijk wordt; dat het terzake niet gaat om een bevoegdheidskwestie die de openbare orde raakt, maar om de vraag of een ratione materiae bevoegde overheid haar macht heeft overschreden; dat de Raad van State er dan ook niet toe gehouden is de hele bestreden nota nieuwe richtlijnen, het dienstendecreet en het uitvoeringsbesluit te analyseren teneinde na te gaan of -onder andere- zij geen nieuwe erkenningscriteria opleggen die strijdig zijn met enige hogere rechtsregel; dat hierna bijgevolg enkel het eerste aspect van het eerste onderdeel van het eerste middel zal worden behandeld; 3.1.1.4.
  24. Overwegende dat punt III, Werking, E, BOA, a, 1, van de nota nieuwe richtlijnen elke activiteit georganiseerd door de dienst zelf voor derden uitsluit; dat aldus begeleiding wordt uitgesloten die erin bestaat voor een derde organisatie, op haar vraag, een activiteit te organiseren; dat de arresten nrs. 74.025 en 74.026 van 2 juni 1998 terzake overwegen : “Overwegende dat het boven geciteerde punt III, E, a),
  25. van de bestreden nota inderdaad elke activiteit georganiseerd door de dienst voor derden uitsluit; dat aldus begeleiding wordt uitgesloten die erin bestaat voor een derde organisatie op haar vraag een activiteit te organiseren; dat prima facie die uitsluiting steun vindt in het decretale begrip 'begeleiding, ondersteuning en advisering' zelf; dat verdedigbaar immers de stelling is dat één zaak is een activiteit georganiseerd door een derde organisatie begeleiden, ondersteunen of adviseren, een andere zelf, zij het dan ten behoeve van een derde organisatie, een activiteit organiseren; dat die stelling ook steun vindt in de doelstelling van het dienstendecreet de dienstverlening af te scheiden van het socio-cultureel werk zelf; IX-3330-12/24 Overwegende dat in punt III, E, a),
  26. van de bestreden nota zelf het leveren van sprekers niet wordt aangemerkt als het organiseren van een activiteit voor derden; dat de vraag of dat leveren die kwalificatie rechtmatig kan krijgen -of steeds kan krijgen- dus geen vraag is omtrent de wettigheid van de nota, maar een vraag omtrent de concrete toepassing van die nota; Overwegende dat uit het bovenstaande volgt dat verzoekster er niet toe gekomen is met de vereiste ernst de wettigheid te betwisten van de enige bepaling uit de bestreden nota die in aanmerking komt als mogelijke bron van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zoals het door haar is bepleit”; 3.1.1.4.
  27. Overwegende dat de bestreden nota aldus niet verder blijkt te gaan dan een interpretatie van het begrip begeleiding en ondersteuning in het dienstendecreet; dat de verzoekende partijen immers niet aantonen waarom het strijdig zou zijn met het dienstendecreet om een onderscheid te maken tussen een dienst die erin bestaat een activiteit georganiseerd door een derde organisatie te begeleiden, ondersteunen en adviseren en een dienst die erin bestaat zelf, zelfs ten behoeve en op vraag van een derde organisatie, een activiteit te organiseren, inzonderheid met artikel 8, § 2, 6/, dat als volgt luidt : "§
  28. De basisfuncties die een dienst of een samenwerkingsverband kan vervullen op basis van de hiernavolgende activiteiten, moeten aan volgende voorwaarden voldoen: (...) 6/ jaarlijks minstens honderdvijfentwintig uur ondersteuning, advisering en/of begeleiding verstrekken aan erkende organisaties van sociaal-cultureel werk en aan andere sociale, educatieve of culturele organisaties; voor deze activiteit wordt een forfaitaire duur van twee uur per begeleidingsmoment in rekening gebracht; de activiteiten waarvan de reële duur deze forfaitaire duur overschrijden, worden voor de reële duur in aanmerking genomen mits ze minstens twee weken vooraf met vermelding van plaats, datum en opgave van begin en einduur aan de administratie werden gemeld; hoogstens 35 percent van deze uren kan bij eenzelfde organisatie gerealiseerd worden"; 3.1.1.4.
  29. Overwegende dat niet alleen dat alles niet verder gaat dan wat letterlijk gezien beschouwd kan worden als “begeleiding en ondersteuning”, hetgeen immers een eigen activiteit van de begeleide of ondersteunde organisatie vereist en waarbij het niet onredelijk is dit te interpreteren als meer dan een vraag; dat bovendien rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van de decreetgever om de dienstverlening in het kader van het dienstendecreet af te splitsen van het eigenlijke sociaal-cultureel werk -in de decreten “instellingen” en IX-3330-13/24 “verenigingen” genoemd; dat die lezing ook bevestigd wordt in artikel 2, 2/, van het dienstendecreet zelf, dat een dienst omschrijft als “een gespecialiseerde organisatie die begeleiding en ondersteuning geeft aan het sociaal-cultureel werk op basis van haar doelstellingen en door middel van het ter beschikking stellen van deskundigen, informatie, advies, documentatie, educatieve programma’s en produkten, publikaties, materialen, technieken of uitrusting”; dat daardoor het dienstendecreet evenmin verengd wordt tot advisering, enkel verduidelijkt wordt hoe BOA onderscheiden moet worden van eigen educatieve activiteiten die, zoals de verzoekende partijen zelf erkennen, uiteraard zelf worden georganiseerd; dat de verzoekende partijen voorts niet aantonen hoe dit onverenigbaar zou zijn met artikel 9, § 2, van het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995, luidens welk de uren ondersteuning, advisering en/of begeleiding moeten voldoen aan een aantal voorwaarden; dat het feit dat de nota nieuwe richtlijnen onder punt III, Werking, E, BOA, a, 3, bepaalt dat BOA bestaat uit een proces dat noodzakelijkerwijze een voorbereidings-, uitvoerings- en evaluatiefase bevat een loutere invulling en interpretatie vormt van het begrip, met het oog op een eenvormige toepassing, dan ook niet kan worden beschouwd als een onwettige toevoeging aan het dienstendecreet of het uitvoeringsbesluit; 3.1.1.4.
  30. Overwegende dat in zoverre punt III, Werking, E, BOA, a, 2 van de bestreden nota nieuwe richtlijnen bepaalt dat BOA altijd gebeurt op vraag van een derde organisatie, daarin geen strijdigheid kan worden ontwaard met het dienstendecreet, te meer daar artikel 6, 5/, ervan uitdrukkelijk bepaalt dat de dienst, om erkend te worden “zijn begeleiding en ondersteuning ter beschikking (moet) stellen van alle erkende organisaties van sociaal-cultureel werk die erom vragen, zonder een dienstverlening aan andere sociale, educatieve en culturele organisaties of individuele belangstellenden uit te sluiten”; dat het eerste onderdeel van het middel niet kan worden aangenomen; 3.1.2.
  31. Overwegende dat de verzoekende partijen het tweede onderdeel van het middel als volgt formuleren : IX-3330-14/24 “Strijdigheid van art. III Werking, E Begeleiding, Ondersteuning, Advi- sering, punt 4 met het Decreet en het Besluit o.m. art. 9, § 2 van het Besluit. Overeenkomstig de Richtlijn dient de dienst jaarlijks voor 15/10 een lijst op te stellen van de deskundigen die voor de dienst Begeleiding-, Ondersteuning-, en Adviseringsuren of BOA-uren kunnen realiseren, waarbij deze lijst beperkt is tot 10 namen per schijf van 125 BOA-uren. De deskundigheid van de betrokkenen dient te worden omschreven. Men kan als deskundige bovendien geen BOA-uren realiseren in een organisatie waarin de deskundige een verantwoordelijke functie bekleedt. De Richtlijn behelst door de beperking tot 10 namen van het aantal deskundigen en de restricties m.b.t. de kwalificatievoorwaarden van de deskundige op dit punt manifest een verstrenging ten aanzien van de in het Decreet en het Besluit vastgestelde normen.”; 3.1.2.
  32. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verplichting om tien namen van deskundigen per schijf van 125 uren BOA op te geven, kadert in de visie dat de diensten meer kwaliteitsvol werk zouden moeten leveren, aangezien deskundigen pas deskundig zijn als zij binnen een dienst frequent dienstverlening verschaffen en een dienst die uitstraling in zijn specialiteit nastreeft logischerwijze zijn specialisten moet beperken; dat als tien specialisten per 125 uur niet volstaan, de specialiteit volgens haar te breed is opgevat; dat zij ook stelt dat het constant verloop van deskundigen dat voorheen werd vastgesteld, wijst op een manke werking en dat deskundigen van een dienst met uitstraling vooraf gekend moeten kunnen zijn aangezien dit te maken heeft met individuele bekwaamheden en specialisaties; dat dit volgens de verwerende partij ook recuperatie van activiteiten van bevriende organisaties zou vermijden waarbij de begeleider van de bevriende organisatie als deskundige van de eigen dienst wordt opgegeven, hetgeen leidt tot dubbele subsidiëring zonder enige meerwaarde voor de dienstverlening; dat wat betreft de bepaling dat een deskundige geen BOA-uren kan realiseren in een organisatie waarin hij een verantwoordelijke functie bekleedt, de verwerende partij stelt dat het gaat om een evidente vereiste voor de goede werking van een dienst en de pure interpretatie van kwaliteitselementen; 3.1.2.
  33. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat noch het dienstendecreet noch het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995, die nochtans gedetailleerde rapporteringsverplichtingen in de artikelen 8 en 9 van het IX-3330-15/24 dienstendecreet en artikel 5 van het uitvoeringsbesluit bevatten, de verplichting opleggen om jaarlijks een lijst van deskundigen voor te leggen; dat enkel in het werkingsverslag achteraf dient te worden verwezen naar BOA-uren en dat het feit dat deze verplichting zou kaderen in een streven naar meer kwaliteitsvol werk niet belet dat het gaat om een toevoeging aan de reeds gedetailleerd in het diensten- decreet en het uitvoeringsbesluit geregelde erkenningsvoorwaarden; dat volgens hen voorts de stelling van de verwerende partij als zou er sprake zijn van recuperatie van activiteiten van bevriende organisaties en het verloop van deskundigen op een manke werking wijst, betwistbaar is, aangezien dit verloop allerlei oorzaken heeft; dat de verplichting vooraf een lijst van deskundigen mede te delen integendeel afbreuk zou kunnen doen aan de kwaliteit omdat vooraanstaande deskundigen zich vaak moeilijk lang op voorhand kunnen vrijmaken; 3.1.2.4.
  34. Overwegende dat noch het dienstendecreet noch het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995 de verplichting opleggen om jaarlijks een lijst met deskundigen mede te delen; dat de artikelen 8 en 9 van het decreet nochtans gedetailleerde rapporteringsverplichtingen bevatten, onder andere inzake BOA-uren; dat ook artikel 5 van het uitvoeringsbesluit rapporteringsverplichtingen bevat, waaronder de mededeling, vóór 15 oktober, van de begroting van het volgend kalenderjaar, het werkingsprogramma en de lijst der personeelsleden, maar niet deze opgenomen in punt III, Werking, E, BOA, a, 4, van de nota nieuwe richtlijnen; dat enkel in het werkingsverslag achteraf verwezen dient te worden naar het aantal BOA- uren (artikel 5, § 1, B, 2, a, van het uitvoeringsbesluit); dat de bestreden nota dan ook een rapporteringsverplichting toevoegt aan het decreet en uitvoeringsbesluit door een dergelijke voorafgaande lijst te vereisen en deze te beperken tot tien namen per schijf van 125 uren, zoals trouwens ook werd vastgesteld in het advies van 16 december 1997 van de Hoge Raad voor de volksontwikkeling; dat het verweer als zou die verplichting kaderen in de visie dat de diensten aldus meer kwaliteitsvol werk afleveren niet belet dat het gaat om een nieuwe regel waardoor het dienstendecreet en het uitvoeringsbesluit, die ter zake reeds gedetailleerd zijn, worden verstrengd; dat het tweede onderdeel op dit punt dan ook gegrond is; IX-3330-16/24 3.1.2.4.
  35. Overwegende dat de bepaling volgens welke een deskundige geen BOA-uren kan realiseren in een organisatie waarin hij een verantwoordelijke functie bekleedt, evenmin uitdrukkelijk opgenomen is in het dienstendecreet of in het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995; dat in hun memorie van wederantwoord de verzoekende partijen niet uitdrukkelijk de stelling van de verwerende partij betwisten dat deze vereiste inherent is aan de goede werking van een dienst; dat die beperking geacht kan worden te passen in het onderscheid dat de decreetgever wou maken tussen diensten en andere organisaties van sociaal-cultureel werk; dat wat dat betreft het tweede onderdeel niet gegrond is; 3.1.3.
  36. Overwegende dat het derde onderdeel van het eerste middel als volgt wordt geformuleerd : “Strijdigheid van de Richtlijn onder III, B Tijdschrift, d, met het Decreet en het Besluit. Conform de Richtlijn komen voor de basisfunctie enkel in aanmerking het eigen tijdschrift zoals aangeschaft door het aantal van de betalende abonnees, wat controleerbaar moet zijn via de boekhouding. Dit is met name strijdig met het Decreet en het Besluit omdat in het Decreet, o.m. art. 8, § 2 enkel sprake is van een kwartaaltijdschrift op 100 exemplaren en met minstens 100 redactionele bladzijden per jaargang. Met andere woorden, de Richtlijn bevat een toevoeging, nl. 'niet betalende abonnees' die niet in het Decreet voorkomt. Bovendien gaat de Richtlijn kennelijk ten onrechte uit van het standpunt dat enkel betalingen in geld voor het tijdschrift in aanmerking komen, omwille van het feit dat de Richtlijn uitdrukkelijk verwijst naar de boekhouding. Hierbij moet worden gewezen op het argument dat, indien toch de maatstaf van het abonnement wordt gehanteerd, op grond van het Decreet en het Besluit eveneens rekening moet worden gehouden met de ruilabonnementen, wat eveneens een betaling is, maar dan in natura die niet noodzakelijk in de boekhouding voorkomt.”; 3.1.3.
  37. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat ruilabonnementen aanvaard kunnen worden als aangetoond is dat zij relevant zijn voor de werking van de dienst, dat wil zeggen te maken hebben met de specialiteit van hun werking, maar dat het gratis verspreiden van tijdschriften geen dienstverlening op vraag is; dat dit immers zou inhouden dat de dienstverlening beantwoordt aan een behoefte, en betaling intrinsiek betekent dat men het in het bezit hebben van het tijdschrift op prijs stelt; IX-3330-17/24 3.1.3.
  38. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat de verwijzing in de nota nieuwe richtlijnen naar betalende abonnees ruilabonnementen niet dekt en dat de omstandigheid dat het gratis rondsturen van tijdschriften aan organisaties en individuen die er niet om vragen geen dienstverlening op vraag is, niet inhoudt dat enkel met verkopen tegen betaling van een prijs rekening kan worden gehouden, nu dit niet als voorwaarde is opgenomen in het dienstendecreet of uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995, dat niet verwijst naar verkoop of verkoop-cijfers, maar naar het aantal publicaties, en nu ook het toezenden van een tijdschrift op aanvraag beantwoordt aan een daadwerkelijke behoefte; dat inzake het standpunt van de verwerende partij dat ook ruilabonnementen in aanmerking komen op voor- waarde dat het tijdschrift te maken heeft met de specialiteit van de werking, zij stellen dat ook dat begrip onaanvaardbaar verengd wordt, aangezien ook andere tijdschriften, bijvoorbeeld inzake hulpwetenschappen of inzake de situatie van beoogde doelgroepen, relevant kunnen zijn; 3.1.3.
  39. Overwegende dat volgens punt III, Werking, B, d, van de nota nieuwe richtlijnen, het criterium voor het bepalen van het aantal nummers het aantal betalende abonnees is, dat controleerbaar moet zijn via de boekhouding; dat artikel 8, § 2, 2/, van het dienstendecreet enkel verwijst naar het uitgeven van een eigen kwartaaltijdschrift op honderd exemplaren met minstens honderd redactionele bladzijden per jaargang; dat inzake het verweer dat ruilabonnementen aanvaard kunnen worden als aangetoond is dat zij relevant zijn voor de werking van de dienst, dat wil zeggen te maken hebben met de specialiteit van hun werking, maar dat het gratis verspreiden van tijdschriften geen dienstverlening op vraag is, vooreerst vastgesteld moet worden dat de bestreden nota verwijst naar betalende abonnees, hetgeen in de gebruikelijke betekenis van het woord geen ruilabonnementen dekt; dat ook het verweer dat deze voorwaarde tot doel heeft te verzekeren dat het gaat om een dienstverlening op vraag die beantwoordt aan een behoefte, de vaststelling niet weerlegt dat deze voorwaarde niet uitdrukkelijk is opgenomen in het dienstendecreet hetwelk in artikel 8, § 2, 2/, enkel verwijst naar de “uitgifte” van een tijdschrift op honderd exemplaren en niet naar een verkoopcijfer; dat ook in artikel 10 van het uitvoeringsbesluit van 10 mei 1995 verwezen wordt naar het aantal publicaties en IX-3330-18/24 niet naar de verkoop; dat artikel 6, 5/, van het dienstendecreet wel verwijst naar begeleiding en ondersteuning op aanvraag, hetgeen inhoudt dat de dienstverlening moet beantwoorden aan een behoefte; dat volgens de nieuwe richtlijnen die behoefte wordt afgeleid uit het feit van de betaling; dat, ook al kan worden aangenomen dat dit een gegeven is waaruit men kan afleiden dat de publicatie beantwoordt aan een behoefte, samen met de verzoekende partijen dient te worden erkend dat ook het gratis verspreiden van tijdschriften op vraag van instellingen of diensten aan een behoefte kan beantwoorden en dat door zulks uit te sluiten de nieuwe richtlijnen het dienstendecreet en het uitvoeringsbesluit beperken, hetgeen trouwens ook werd vastgesteld in het advies van 16 december 1997 van de Hoge Raad voor de volksontwikkeling; dat het derde onderdeel gegrond is; 3.1.4.
  40. Overwegende dat de verzoekende partijen als volgt het vierde onderdeel van het middel uiteenzetten : “Strijdigheid in de Richtlijn van het bepaalde onder V, Landelijk karakter, met het Decreet en het Besluit. Uit alinea A van punt V van de Richtlijn volgt dat inzake het vereiste landelijk karakter de diensten bij wie meer dan de helft van de goedgekeurde basisfuncties, elk afzonderlijk genomen, voor meer dan 50 % kunnen gesitueerd worden binnen 1 provincie niet in aanmerking kunnen worden genomen. Dit betekent dat de BOA-uren of educatieve uren telkens opgesplitst worden in schijven van 250 om per schijf na te gaan of de 50 %-norm per provincie niet is overschreden. Het bepaalde sub V van de Richtlijn komt niet voor in het Decreet (vgl. art. 6 van het Decreet, noch in het Besluit). De Richtlijn komt derhalve op dit punt voor als een onwettige verstrenging van het Decreet en het Besluit.”; 3.1.4.
  41. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 6, 3/, van het dienstendecreet een landelijke werking vereist en dat de bestreden nota enkel aangeeft hoe deze landelijke werking wordt beoordeeld, hetgeen enkel de rechts-zekerheid en gelijke beoordeling van de diensten bevordert, enerzijds door dit nog slechts voor de helft van de activiteiten te vereisen, anderzijds door te bepalen dat de landelijke werking van een functie niet wordt aanvaard indien zij zich voor meer dan de helft in één provincie situeert; IX-3330-19/24 3.1.4.
  42. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat de landelijke werking globaal dient te worden beoordeeld en dat door dit niet te doen de erkenningsnormen verzwaard worden; 3.1.4.
  43. Overwegende dat de verwerende partij er terecht op wijst dat artikel 6, 3/, van het dienstendecreet een landelijke werking vereist, namelijk door een werking te realiseren in ten minste vier provincies, hetzij deelnemers te betrekken uit ten minste vier provincies; dat de bestreden nota aangeeft hoe deze landelijke werking wordt beoordeeld, enerzijds door dit nog slechts voor de helft van de activiteiten te vereisen, anderzijds door te bepalen dat de landelijke werking van een functie niet wordt aanvaard indien zij zich voor meer dan de helft in één provincie situeert; dat volgens de verzoekende partijen echter de landelijke werking globaal dient te worden beoordeeld en dat door dit niet te doen de erkenningsnormen verzwaard worden; dat de nota echter niet uitsluit dat een landelijke werking vereist is doch enkel bepaalt hoe dit wordt nagegaan; dat het derhalve gaat om de inter- pretatie van een decretaal begrip; dat niet blijkt dat die interpretatie de draagwijdte van het decreet schendt, aangezien ook hier de evaluatie globaal gebeurt; dat de verzoekende partijen voorts niet verduidelijken hoe de bestreden nota op dit punt tot een opsplitsing van het aantal BOA-uren zou leiden; dat het vierde onderdeel van het middel dan ook niet gegrond is; 3.2.
  44. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel aanvoeren : “Strijdigheid van de Richtlijn met het gelijkheidsbeginsel en met artikel 30 van het Decreet en artikel 14 van het Besluit. Conform artikel 30 van het Decreet en artikel 14 van het Besluit krijgen organisaties die onder toepassing vielen van de door deze teksten opgeheven reglementering een overgangstermijn van drie jaren, ingaande op 1.1.1995 om zich te conformeren aan de nieuwe reglementering. De Richtlijn voert echter een dermate fundamentele wijziging in dat verzoekster haar activiteiten volledig zal moeten reorganiseren teneinde zich aan de nieuwe criteria voor erkenning aan te passen. Derhalve dringt zich een onwettige verkorting op van de overgangsreglementering, die manifest strijdig is met de teksten van het Decreet en het Besluit. IX-3330-20/24 Bovendien wordt aldus eveneens een ongeoorloofde discriminatie opgedrongen tussen de organisaties die eveneens onder toepassing vallen van de overgangsreglementering en zgn. 'toegang kregen tot het Decreet' die bvb. ab initio wel hun beleid hebben georiënteerd op de activiteiten georganiseerd door derden tegenover de organisaties zoals verzoekster die vnl. activiteiten 'voor derden' ontplooien en de organisaties die ondertussen al erkend zijn.”; 3.2.
  45. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de overgangsperiode bij decreten van 20 december 1996 en 19 december 1997 werd verlengd, uiteindelijk tot eind 2000, waarbij uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 19 december 1997 blijkt dat die wijziging werd goedgekeurd met het oog op de nieuwe richtlijnen; dat zij voorts stelt dat ook de reeds op basis van het decreet van 19 april 1995 erkende diensten zich moeten conformeren aan de nota nieuwe richtlijnen; 3.2.
  46. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat het strenger maken van de erkenningscriteria in de nota nieuwe richtlijnen de wettelijke overgangsperiode in wezen verkort, hetgeen volgens hen strijdig is met het wezen van een overgangsperiode die de betrokken rechtssubjecten in staat moet stellen geleidelijk over te gaan van de bestaande naar de nieuwe toestand; dat de verwijzing naar het programmadecreet van 19 december 1997 volgens hen niet relevant is aangezien dit werd goedgekeurd na de mededeling, op 24 november 1997, van de nota nieuwe richtlijnen aan de betrokkenen met vermelding dat deze onmiddellijk inging; dat inzake de aangevoerde discriminatie de verzoekende partijen benadrukken dat de toepassing van de begeleidingsuren door diensten verzorgd op vraag van derden zonder meer aanvaard werd en als basis diende voor een erken-ning, terwijl dit plots niet meer geldt, zonder rekening te houden met diensten gesubsidieerd onder vroegere regels en waarvoor het dienstendecreet bedoeld was als opvangmogelijkheid; 3.2.4.
  47. Overwegende dat in zoverre de verzoekende partijen stellen dat de nota nieuwe richtlijnen een onwettige verkorting inhoudt van de overgangsperiode van drie jaar bepaald in artikel 30 van het dienstendecreet en artikel 14 van het uitvoeringsbesluit, volstaan kan worden met de vaststelling dat de nota de decretale IX-3330-21/24 overgangsperiode van drie jaar die afliep op 31 december 1997 maar uiteindelijk bij decreten van 20 december 1996 en 19 december 1997 werd verlengd eerst tot 31 december 1998 en dan tot 1 januari 2000, niet verkort; dat de overgangsperiode onverminderd gehandhaafd blijft; dat de verstrenging van de regels hoogstens de aanpassing zou kunnen bemoeilijken, hetgeen echter geen wijziging ervan is en daarbij rekening moet worden gehouden met de verlenging van de overgangsperiode bij het decreet van 19 december 1997, blijkens de voorbereidende werken juist teneinde de aanpassing aan de nieuwe richtlijnen mogelijk te maken; 3.2.4.
  48. Overwegende dat in zoverre de discriminatie wordt aangeklaagd ten voordele van organisaties die toegang kregen tot het dienstendecreet, de verzoekende partijen niet duidelijk aantonen wie gediscrimineerd wordt ten opzichte van wie; dat in de mate dat zij vergelijken met organisaties die vallen onder de overgangsregeling die hun werking reeds heroriënteerden op activiteiten georganiseerd door derden en organisaties die dit nog niet deden, niet blijkt hoe dit onderscheid gecreëerd wordt door de bestreden nota; dat in de mate dat zij vergelijken tussen beide voornoemde categorieën organisaties en diensten die reeds erkend zijn, het niet gaat om vergelijkbare gevallen; dat verder ook de erkende diensten aan de nieuwe richtlijnen moeten voldoen; dat evenmin blijkt dat organisaties zoals de verzoekende partijen, voor wie het dienstendecreet een opvangregeling zou zijn, door deze richtlijnen, niet meer erkend konden worden, zeker niet rekening houdende met de verlenging van de overgangsperiode; dat het middel niet gegrond is; 3.3.
  49. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie een nieuw middel aanvoeren dat volgens hen van openbare orde is; dat zij betogen dat, wijl de bestreden nota nieuwe richtlijnen wel degelijk een verordening uitmaakt, de afdeling wetgeving van de Raad van State er vooraf advies had dienen over te verlenen, wat ter zake niet is gebeurd; dat volgens de verzoekende partijen het ook in het belang van een goede rechtsbedeling past de nota integraal te vernietigen; IX-3330-22/24 3.3.
  50. Overwegende, daargelaten de vraag of de raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State de openbare orde raakt, dat, zoals hiervoor onder 2.3.2.
  51. is uiteengezet, de vraag of de bestreden nota meer is dan een interpretatieve omzendbrief en met name ook nieuwe regels bevat, samenhangt met de grond van de zaak; dat in zoverre de verzoekende partijen op ontvankelijke wijze aangetoond hebben dat dit voor sommige punten van de nota het geval is, de Raad van State tot de nietigverklaring van die onderdelen overgaat en een nietigverklaring op grond van de niet-raadpleging van de afdeling wetgeving daaraan niets toevoegt; dat in zoverre de verzoekende partijen niet of op niet-ontvankelijke wijze aangetoond hebben dat de bestreden nota aan het dienstendecreet of zijn uitvoeringsbesluit regels toevoegt, het niet tot de taak van de Raad van State behoort om ambtshalve de hele nota aan het decreet en het uitvoeringsbesluit te toetsen; dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken hoe het belang van een goede rechtsbedeling, wat op zichzelf geen rechtsregel is, vereist dat de bestreden nota integraal wordt vernietigd; dat het middel hoe dan ook niet kan worden aangenomen, BESLUIT: Artikel
  52. Vernietigd wordt punt III, Werking, B, d, en E, a, 4, tweede lid, van de nota ter uitvoering van het dienstendecreet-nieuwe richtlijnen, van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van de administratie Sociaal-Cultureel Werk van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, gedateerd 24 november
  53. Artikel
  54. De beroepen worden voor het overige verworpen. IX-3330-23/24 Artikel
  55. Dit arrest zal bij uittreksel worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde nota. Artikel
  56. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de Vlaamse Gemeenschap. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-3330-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.869 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.