← België

Arrest 135870 - - 11/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.870 Rolnummer: A. 150219/XII-4934 Zaak: Arrest 135870 - - 11/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 11:09 Fiche Arrest nr 135.870 van 11 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.870 van 11 oktober 2004 in de zaak A. 150.219/IX-

  1. In zake : Patsy SLABBAERT, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel- Hoofdstad, gevestigd te BRUSSEL, Kruidtuinlaan
  2. tussenkomende partij : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van SINT-JOOST-TEN-NODE, dat woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en J. GORIS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patsy SLABBAERT op 31 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 9 maart 2004 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, waarbij goedkeuring wordt verleend aan het besluit van 29 januari 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Joost-ten-Node om haar bij wege van tuchtsanctie van ambtswege te ontslaan als ontvanger van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node, met ingang van 29 januari 2004; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien het administratief dossier; IX-4477-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoekster, van advocaat L. HOSTE, die loco advocaat J. BOURTEMBOURG verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BOUCKAERT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak zijn samengevat in het arrest nr. 132.385, SLABBAERT, van 14 juni 2004, houdende verwerping van de vordering tot schorsing welke verzoekster had ingesteld tegen de beslissing goedgekeurd door het besluit waartegen zij thans opkomt;
  5. Overwegende dat het OCMW van Sint-Joost-ten-Node met een verzoekschrift van 13 mei 2004 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat geen gegeven zich tegen het inwilligen van dat verzoek verzet;
  6. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4477-2/9 4.
  7. Overwegende dat verzoekster het nadeel dat zij verklaart te zullen ondergaan ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing omschrijft als volgt : “
  8. In elk geval ondergaat verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het goedkeuringsbesluit van de tuchtsanctie van ontslag van ambtswege maakt een evident moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Verzoekende partij is werkzaam binnen de Politiezone die institutionele banden heeft met zowel de Gemeente als het OCMW. Waar aan de negatieve appreciatie door het OCMW vanaf de maand februari ruchtbaarheid werd gegeven in de Politiezone, zal verzoekende partij voor een tweede maal zo’n schadelijke verdachtmakingen moeten tolereren. De Voorzitter van het OCMW, zijnde een lid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, zal niet nalaten gebruik te maken van de bedoelde institutionele banden om verzoekende partij bij de Politiezone verder zwart te maken, en het vermeend grondig onderzoek door het Verenigd College van het tuchtdossier, hierbij in de verf zettend. Men kan de negatieve weerklank te dezen gelijkstellen met een onstuitbare geruchtenstroom. Alle bestuurlijke instanties in de politiezone worden door die van het OCMW zelf op de hoogte gebracht van het zgn. onbetrouwbare karakter van verzoekende partij. Zoals de tuchtbeslissing is geformuleerd, zou verzoekende partij immers op een totaal abrupte wijze de deur van de ontvang- erij achter zich hebben dicht getrokken. Dit is onjuist, maar de geruchtenmolen valt nu eenmaal niet tegen te gaan. Met het goedkeuringsbesluit wordt aan deze tenlastelegging een bijkomend ‘sérieux’ gegeven, en bovendien een nieuwe impuls voor de verspreiding van geruchten. Uiteraard zal het OCMW -en zijn Voorzitter op kop- het ‘gezag’ en de ‘onafhankelijkheid’ van het Verenigd College aangrijpen om de naam van verzoekende partij verder te bezoedelen.
  9. Het nadeel is van morele aard en is, precies omdat het een ernstige breuk oplevert in de essentiële vertrouwensrelatie die dient te bestaan tussen de ontvanger en zijn bestuur, moeilijk te herstellen. Een taak als die van een ontvanger -in de Politiezone vervult verzoekende partij als ‘bijzonder rekenplichtige’ en als ‘financieel verantwoordelijke’ eigenlijk de taak van de ontvanger van de zone- betreft een functie die essentieel op basis van vertrouwen is gegrond. De werkgever -de Politiezone- kan enkel op een normale wijze werken met verzoekende partij in geval de zone dit vertrouwen behoudt. De negatieve appreciatie vanuit de politiezone die verzoekende partij dreigt te ondergaan, is van morele aard maar uiterst kwetsend. Deze negatieve appreciatie wordt te dezen nog ernstiger, nu ook het Verenigd College verzoekende partij schuldig acht aan gedragingen die een ontvanger absoluut onwaardig (zijn).
  10. Hierbij betwist verzoekende partij dat zij genoegdoening zou kunnen krijgen door een enkel arrest ten gronde. Wanneer het gaat om een breuk in een vertrouwensrelatie, mist de juridische fictie van een vernietiging ab initio volstrekt doel. Enkel de schorsing van de tenuitvoerlegging van het goedkeuringsbesluit -en zodoende ook het tuchtbesluit- maakt een redelijk rechtsherstel mogelijk.
  11. Hoger heeft verzoekende (partij) gewezen op de onzorgvuldige besluit- vorming ten aanzien van de andere (dan de 6e) tenlasteleggingen (zie rand- nummer 37). Voor zover deze tenlasteleggingen inderdaad niet uitdrukkelijk IX-4477-3/9 zijn geweigerd, blijven zij bestaan zoals vastgesteld door het OCMW, en maken zij feiten uit die een ontvanger absoluut onwaardig zijn. De toezichthoudende overheid maakt immers geen enkele bedenking bij de vaststelling dat het bestuur met een Voorzitter -die niet de eerste de beste OCMW-voorzitter is, maar eveneens zetelt in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en bovendien licentiaat in de rechten is- een ontvanger verwijt : / onaangekondigd zijn post te hebben verlaten; / de betalingen van de steuntrekkers in het honderd te laten lopen; / onachtzaamheid in de rekeningen, nl. in de eindrekeningen van de 2 voorgaande jaren; / onachtzaamheid bij de afhandeling van de invorderingen; / als ambtenaar onterecht de eed af te leggen; / enz. Blijkbaar acht de toezichthoudende overheid het dus niet nodig om te onder- zoeken -en zeker niet om te ontkennen- of het correct is dat verzoekende partij totaal ongeschikt zou zijn voor wat haar beroepsbezigheid is, en laat zij deze uitermate krenkende beoordelingen onaangeroerd. Het loutere bestaan van zo’n beoordelingsdocument verpulvert de reputatie van verzoekende partij. Een reputatie bouwt men gestaag op maar wordt zeer snel geknakt. Een eventueel vernietigingsarrest kan onvoldoende genoegdoening opleveren.
  12. Ook in de privé-sfeer wordt verzoekende partij voortdurend geconfron- teerd met bedenkingen omtrent haar vermeende handelingen. In het verleden is verzoekende partij al in de pers door de Voorzitter afgeschilderd als de geweten- loze ambtenaar die de uitkering van de steuntrekker van ‘s lands grootste OCMW onmogelijk zou hebben gemaakt. Heden vinden deze verwijten van de Voorzitter bevestiging in het goedkeuringsbesluit van het Verenigd College. Opnieuw wordt de zaak opgerakeld en krijgt verzoekende partij in de privé- sfeer opmerkingen te verduren. Om deze reden maakt de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit.”; 4.2.
  13. Overwegende dat in de regel aangenomen wordt dat de ambtenaar die bij wijze van tuchtmaatregel onmiddellijk en definitief uit de dienst wordt verwijderd een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat dat zo evident is dat het weinig toelichting behoeft; dat dit nadeel enerzijds een moreel aspect heeft wegens de schandvlek welke de tuchtstraf meebrengt, en anderzijds een materieel aspect wegens de moeilijkheden op het stuk van de reclassering; 4.2.
  14. Overwegende dat verzoekster geen materieel nadeel ondergaat ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het besluit houdende haar ontslag van ambtswege en de goedkeuring daarvan en zij een dergelijk nadeel ook niet aanvoert; dat zij daardoor immers heeft verkregen wat zij nastreefde: ontslag uit haar ambt van ontvanger van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node om de functie van bijzonder rekenplichtige van de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node te kunnen opnemen; dat zij zich dan ook beroept op een louter moreel nadeel; IX-4477-4/9 4.2.
  15. Overwegende dat het aangevoerde nadeel veeleer vaag en algemeen is; dat het zeer de vraag is of de beweerde schade aan verzoeksters reputatie het vertrouwen dat de politiezone in haar stelde zou kunnen ondergraven, nu de voornaamste aanleiding tot de opgelegde sanctie -de weigering haar ontslag te verlenen omdat zij haar eindrekening en vorige rekeningen niet had afgesloten en zij zonder toelating de dienst had verlaten- ter kennis moest zijn van degenen die tot haar aanstelling als bijzonder rekenplichtige hebben besloten; dat verzoekster overigens al enige tijd die functie waarnam zodat de voornoemde personen, normaal gezien, reeds een gunstige indruk hadden opgedaan nopens haar bekwaamheid en betrouwbaarheid, bij gebrek waaraan zij haar niet zouden hebben benoemd; dat verzoekster ongetwijfeld een moreel nadeel ondergaan heeft doordat ze niet op eigen vraag maar bij wijze van tuchtsanctie is ontslagen als ontvanger van het OCMW, maar dat nadeel niet van die omvang lijkt te zijn dat het niet zou kunnen worden weggenomen door een eventueel annulatiearrest; dat verzoekster geen concrete gegevens voorlegt welke op het tegendeel kunnen wijzen; dat, wijl verzoekster aan het bestreden besluit in wezen enkel verwijt dat het een onwettige beslissing goedkeurt, de vaststelling dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de goed- gekeurde beslissing voor haar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel meebrengt impliceert dat hetzelfde moet worden gezegd ten aanzien van het bestreden goedkeuringsbesluit; dat aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel derhalve niet is voldaan; 5.
  16. Overwegende dat verzoekster eveneens betoogt dat om tot schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen overgaan de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet moet worden aangetoond voor zover haar middel, gesteund op de schending van de artikelen 5bis en 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, ernstig wordt bevonden; dat zij daaromtrent het volgende uiteenzet : “
  17. De art. 5bis en 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, bepalen: 'Art. 5bis. De ordonnanties, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan het tweetalig karakter, noch aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest'. 'Art. 5ter. Tot de schorsing van een norm of een handeling kan worden besloten door het Arbitragehof of de Raad van State indien ernstige middelen de vernietiging van de norm of de handeling rechtvaardigen op grond van artikel 5bis'. Art. 5ter heeft impliciet artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gewijzigd wat de handelingen betreft die afbreuk doen aan het IX-4477-5/9 tweetalig karakter of de waarborgen waarvan sprake in het artikel 5bis. De bestreden beslissing is zo'n handeling die is gesteund op handelingen die afbreuk doen aan de waarborgen die verzoekende partij als persoon van de Nederlandse taalaanhorigheid geniet [zie in dit verband het hernomen derde middel]. Nu de bestreden beslissing is genomen in strijd met de Bestuurstaalwet - en zelfs deze onwettigheid goedkeurt - is het derde onderdeel van het enig middel in deze mate in elk geval ernstig, zonder dat verzoekende partij hierbij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet aantonen teneinde de schorsing te horen bevelen. Waar de voorwaarde van het MTHEN in het geval van artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 zonder meer vervalt, geeft dit aan welk uitzonderlijk gewicht de bijzondere wetgever blijkbaar toekent aan een inbreuk op de bestaande waarborgen voor de personen van die gemeenten, en moet dit worden begrepen als een uiting van het buitengemene belang dat hij hecht aan de handhaving van genoemd karakter en de waarborgen.”; 5.2.
  18. Overwegende dat verzoekster terecht stelt -wat uit de totstand- koming van de artikelen 5bis en 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen kan worden afgeleid- dat die bepalingen, samen gelezen, artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State impliciet hebben gewijzigd wat de administratieve handelingen betreft die afbreuk doen aan het tweetalige karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of aan de op 1 januari 2002 bestaande waarborgen welke de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest genieten, in die zin dat de Raad van State tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve handeling kan besluiten indien de verzoekende partij ernstige middelen aanvoert die de vernietiging van de bestreden handeling kunnen rechtvaar- digen wegens miskenning van het tweetalige karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van de voormelde waarborgen, zonder dat daarbij moet worden aangetoond dat de verzoekende partij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden handeling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden; dat de vordering uiteraard wel ontvankelijk moet zijn op het stuk van belang; dat derhalve moet worden onderzocht of verzoekster ontvankelijk een zoals hiervoor bedoeld middel aanvoert en of dat middel ernstig is; 5.2.
  19. Overwegende dat ter staving van haar standpunt dat artikel 5ter van de voornoemde bijzondere wet in de onderhavige zaak van toepassing is, verzoekster verwijst naar het derde onderdeel van haar enige middel; dat zij daarin onder meer doet gelden dat het bestreden goedkeuringsbesluit niet heeft aangegeven op welke wijze de besluitvorming in overeenstemming was met de bestuurstaalwet- geving; dat dit onderdeel van het middel blijkbaar gelezen moet worden in samenhang met het vierde onderdeel, waarin verzoekster laat gelden dat het bestreden goedkeuringsbesluit onwettig is doordat het goedkeuring verleent aan een besluit dat IX-4477-6/9 zelf door verscheidene onwettigheden is aangetast, en waarbij zij de middelen die zij in de zaak A. 147.987/IX-4073 heeft aangevoerd tegen het tuchtbesluit van 29 januari 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Joost-ten-Node herneemt, onder meer een derde middel geput uit de schending van de bestuurstaal- wetgeving, hetwelk zij als volgt formuleert : “Derde middel, genomen uit art. 17, § 1, B en art. 58, lid 1, van de gecoör- dineerde wetten dd. 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna de 'Bestuurstaalwet'), art. 3 van de Formele Motiveringswet, en het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, Doordat, de bestreden beslissingen steunen op in het tuchtdossier opgenomen 'uittreksels van notulen’ waarvan er geen enkel uitsluitend in het Nederlands is opgesteld, Terwijl, een beslissing, minstens zijn motivering, enkel wettig is voor zover gegrond op voorafgaande besluiten die conform de Bestuurstaalwet zijn opgesteld.”; Overwegende dat verzoekster hierbij toelicht dat zij op 24 oktober 2003 van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node uittreksels heeft ontvangen uit de notulen van de vergaderingen van 13 februari 2003, 13 maart 2003, 10 april 2003, 10 juli 2003 en 14 augustus 2003 van het vast bureau en van de vergaderingen van 20 februari 2003, 20 maart 2003, 19 juni 2003, 17 juli 2003 en 21 augustus 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn, welke alle eentalig in het Frans waren opgesteld, met uitzondering van het uittreksel van de notulen van de vergadering van 20 maart 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn; dat zij ter gelegenheid van de hoorzitting van 30 oktober 2003 een Nederlandse vertaling van die uittreksels heeft ontvangen, doch dat krachtens artikel 17, § 1, B, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken over haar ontslag niet wettig in het Frans kon worden beslist en dat het niet volstond naderhand een Nederlandse vertaling van de desbetreffende uittreksels te bezorgen; dat krachtens artikel 58, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken die administratieve handelingen dan ook nietig zijn; dat volgens verzoekster de verwerende partij haar besluit derhalve niet wettig kan motiveren door een verwijzing naar stukken die in strijd met de openbare orde zijn opgesteld; 5.2.
  20. Overwegende dat de voormelde bepalingen van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken als volgt luiden : “Art.
  21. §
  22. In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel-Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel-Hoofdstad IX-4477-7/9 gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid : (...) B. Indien de zaak niet gelocaliseerd of niet localiseerbaar is en : 1/ een ambtenaar van de dienst betreft : de taal van diens toelatingsexamen of bij ontstentenis van zulk examen de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; (...) Art.
  23. Zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten. (...)”; 5.2.
  24. Overwegende dat de kwestieuze notulen en bijbehorende vertalingen de stukken betreffen die zijn opgenomen onder de nummers 3 en 4 van het tuchtdossier; dat geen van die stukken als zodanig betrekking heeft op de ten laste van verzoekster gevoerde tuchtprocedure; dat het ofwel gaat om louter mededelingen van de voorzitter aan de raad c.q. vast bureau waarin geen beschuldi- gingen tegen verzoekster geuit worden, of om beslissingen die niet speciaal op haar betrekking hebben, behalve in één geval waarbij haar het cumuleren met de functie van rekenplichtige van de betrokken politiezone wordt geweigerd en waarbij de notulen dan ook in het Nederlands en in het Frans zijn gesteld; dat het tuchtbesluit weliswaar naar die stukken verwijst, doch enkel ter weerlegging van het standpunt van verzoekster dat de voorzitter de bevoegde organen niet zou hebben geïnformeerd over haar ontslag, waardoor over dat ontslag nog geen uitspraak werd gedaan; dat op het eerste gezicht zulks echter geen invloed heeft ten aanzien van de ernst of de gegrondheid van de grief van verzoekster als zou de raad voor maatschappelijk welzijn haar geen tuchtstraf kunnen opleggen om reden dat ze zonder haar ontslag te hebben verkregen een andere functie is gaan opnemen, wanneer die raad zelf nagelaten had over haar ontslagaanvraag te beraadslagen; dat in de huidige staat van de rechtspleging niet kan worden besloten dat de eventuele strijdigheid van de voormelde notulen met het voorschrift van artikel 17, § 1, B, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en hun nietigheid die daaruit zou voortvloeien, op zichzelf de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel kon vitiëren; dat het middel niet ernstig is; 5.2.
  25. Overwegende dat aangezien verzoekster geen ernstige middelen aanvoert die aantonen dat het bestreden besluit tekortdoet aan het tweetalige karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of aan de bestaande waarborgen waarop zij als persoon van de Nederlandse taalaanhorigheid in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanspraak kan maken, zij zich niet kan beroepen op IX-4477-8/9 artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;
  26. Overwegende dat om de hiervoor uiteengezette redenen de vordering tot schorsing moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel
  27. Het verzoek tot tussenkomst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Joost-ten-Node in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4477-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.870 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.