← België

Arrest 135938 - - 12/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.938 Rolnummer: A. 147852/XII-4061 Zaak: Arrest 135938 - - 12/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 11:16 Fiche Arrest nr 135.938 van 12 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.938 van 12 oktober 2004 in de zaak A. 147.852/XII-

  1. In zake : Daniël VAN BUTSELE, die woonplaats kiest bij ACOD-Juridische Dienst, gevestigd te Brussel, Fontainaplein 9-11 tegen :
  2. de SCHOLENGROEP 10 MIDDEN-BRABANT,
  3. de SCHOLENGROEP 9 RINGSCHOLEN, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus 1
  4. de VZW RAAD VOOR INSPECTIE EN BEGELEIDING ZEDENLEER, die woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat
  5. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Daniël Van Butsele op 20 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1) de beslissing van 16 december 2003 van de vzw Raad voor Inspectie en Begeleiding Zedenleer, om een einde te maken aan de opdracht niet-confessionele zedenleer van verzoeker; 2) de beslissing van 17 december 2003 van de raad van bestuur van Scholengroep 10 Midden-Brabant om verzoeker met ingang van 5 januari 2004 ambtshalve te ontslaan en hem voor een half-time betrekking voor de duur van zijn opzeggingsperiode als administratief medewerker tewerk te stellen aan het CLB Vilvoorde; 3) de beslissing van 22 december 2003 van de raad van bestuur van Scholengroep 9 Ringscholen om verzoeker met ingang van 5 januari 2004 ambtshalve te ontslaan en hem voor een half-time betrekking voor de duur van zijn opzeggingsperiode als administratief medewerker tewerk te stellen aan de Scholengroep 9; XII-4061-1/19 Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur D. Mareen op grond van artikel 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 6 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2004, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de zitting van 8 juni 2004; Gelet op het uitstel van de zaak naar de zitting van 22 juni 2004; Gelet op de beschikking van 2 juni 2004 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2004; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat E. Bral, die loco advocaat I. Martens verschijnt voor verzoeker, van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de eerste en de tweede verwerende partij, van advocaat Y. Doucet, die loco advocaat R. Rombaut verschijnt voor de derde verwerende partij, en van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de derde verwerende partij; XII-4061-2/19 Gehoord, wat het annulatieberoep tegen de eerste beslissing betreft, het advies en, wat het annulatieberoep tegen de tweede en de derde beslissing en wat de vordering tot schorsing betreft, het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  7. Verzoeker is leraar aan de basisscholen te Asse en te Vilvoorde, waar hij sedert 1 januari 1997 telkens voor 12 uur vast benoemd is als leermeester niet-confessionele zedenleer. 1.
  8. Op 4 februari 1999 wordt verzoeker door de voorzitter van de Argo bij hoogdringendheid preventief geschorst naar aanleiding van klachten over ongewenste intimiteiten met leerlingen. Het vast bureau van de Argo bevestigt de preventieve schorsing op 11 februari
  9. 1.
  10. Op 8 november 2002 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank te Brussel vrijgesproken “van de onderscheiden feiten van de tenlastelegging”; de rechtbank meent dat “niet voldoende bewezen [is] dat de gepleegde handelingen van die aard zijn dat zij omschreven kunnen worden als aanranding van de eerbaarheid en een strafbaar karakter hebben”. 1.
  11. Verzoeker wordt door Scholengroep 9 uitgenodigd voor een hoorzitting op 17 juni 2003, in het kader van een tuchtprocedure. De algemeen directeur van de scholengroep akteert in de oproepingsbrief dat verzoeker is vrijgesproken door de strafrechter, “wat betekent dat hij uw handelwijze niet beschouwt als een inbreuk op de strafwetten en deze handelwijze dan ook niet onder de definitie van ‘aanranding op de eerbaarheid’ valt” maar merkt op dat de “de strafrechter niet na[laat], in scherpe termen, uw gedrag te hekelen. Uw gedrag en handelwijze worden als handtastelijk, onbetamelijk, opdringerig, storend, ongewenst, onaangenaam, ongepast beschreven. De strafrechter onderstreept dat u bij herhaling XII-4061-3/19 op het onaanvaardbare van uw handelen werd gewezen”. Voorgesteld wordt om de afdanking op te leggen als tuchtsanctie, wegens de volgende ten laste gelegde feiten : “[dat u] 1.in de loop van schooljaar 1999-2000 t.a.v. de leerlingen [A, B, C, D, E, F, G], leerlingen van het zesde leerjaar van de BSGO Asse ontoelaatbare handelingen -aanrakingen, strelingen, betastingen- stelde, waarvan u zou moeten weten dat de betrokken leerlingen ze als uiterst ongewenst zouden beschouwen, met de verzwarende omstandigheid dat de betrokken leerlingen vaan uw gezag als opvoeder waren onderworpen.
  12. in de loop van de schooljaren 1997-1998, 1998-1999, 1999-2000 t.a.v. diverse niet nader te definiëren leerlingen een te ver gaande familiariteit te hebben betoond, handtastelijk te zijn geweest, waarbij uw handelingen als ongepast en onaangenaam werden ervaren en waarvan het onaangenaam en ongepast karakter u ook werd duidelijk gemaakt.
  13. de diverse signalen die u door allerlei verantwoordelijken van de school en de Inrichtende Macht werden gegeven, en waarbij van u geëist werd dat u uw handelwijze zou aanpassen, mede in het licht van de vaststellingen dat ook voorheen toen u in het Provinciaal Onderwijs actief was, gelijkaardige klachten werden geformuleerd, te hebben genegeerd en uw handelwijze niet te hebben aangepast”. 1.
  14. Ook Scholengroep 10 start een tuchtprocedure tegen verzoeker, op grond van dezelfde feiten. 1.
  15. De raad van bestuur van de Scholengroep 9 beslist op 17 juni 2003 “in te gaan op het verzoek van de heer Van Butsele en zijn raadsman en een bijkomend onderzoek in te stellen”. 1.
  16. De raad van bestuur van de Scholengroep 10 beslist op 23 juni 2003 “in te gaan op het verzoek van de heer Van Butsele en zijn raadsman en de behandeling van het dossier Van Butsele uit te stellen in afwachting van de resultaten van het bijkomend onderzoek dat in de BS Asse zal worden ingesteld”. 1.
  17. In de loop van het bijkomend onderzoek worden diverse getuigen gehoord, waaronder verzoeker, andere leerkrachten en de inspecteur-adviseur niet- confessionele zedenleer. Het eindverslag van het onderzoeksteam wordt opgesteld op 16 oktober
  18. De “algemene synthese” van het verslag bevat onder meer volgende passus : “[...] Het onderzoeksteam wenst de verklaring van de heer Kempenaers, inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer letterlijk te citeren : ‘Ik wil hieraan nog toevoegen dat het absoluut niet kan dat de heer Van Butsele opnieuw niet-confessionele zedenleer zou onderwijzen omdat hij door zijn gedrag en door zijn opspraak het vak te schande maakt evenals de levensbeschouwing die hij in dat vak vertegenwoordigt. XII-4061-4/19 Ouders gaan immers zijn wangedrag associëren met het vak niet-confessionele zedenleer.’ Het onderzoeksteam verwijst in verband met bovengenoemde verklaring naar artikel 86 ten negende van het decreet rechtspositie [...]”. 1.
  19. Vervolgens wordt verzoeker opnieuw uitgenodigd, voor de verderzetting van de procedure in het kader van de tuchtprocedure, voor een hoorzitting op 25 november 2003 door Scholengroep 9 en een hoorzitting op 9 december 2003 door Scholengroep
  20. 1.
  21. Op 28 november 2003 richt de algemeen directeur van Scholen- groep 9 volgend schrijven aan de inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer : “Op 12 september 2003 werd u door mevrouw M. Nijs en de heer G. Willaert, leden van de onderzoekscommissie die op verzoek van de Raad van Bestuur van de Scholengroep Ringscholen werd samengesteld en met de opdracht de personeelsleden van de BS Asse en een aantal andere betrokkenen te ondervragen o.a. omtrent de handelwijze van de heer Van Butsele, leermeester niet-confessionele zedenleer tijdens de periode van zijn aanstelling aan de BS Asse (1 januari 1997) tot zijn preventieve schorsing (4 februari 1999), gehoord. In uw gehandtekende verklaring wordt vermeld : '... Het vertrouwen dat ik in de heer Van Butsele stelde, is daardoor geschonden. Hij heeft alle kansen gehad en is voldoende gewaarschuwd. Wij hadden alle vertrouwen in hem gelegd maar hij heeft dit duidelijk geschonden'. De laatste paragraaf van uw verklaring vermeldt : 'Ik wil hieraan nog toevoegen dat het absoluut niet kan dat de heer Van Butsele opnieuw niet-confessionele zedenleer zou onderwijzen omdat hij door zijn gedrag en door zijn opspraak het vak te schande maakt evenals de levensbeschouwing die hij in dat vak vertgenwoordigt. Ouders gaan immers zijn wangedrag associëren met het vak niet-confessionele zedenleer.' De Raad van Bestuur van de Scholengroep Ringscholen stelt tevens vast dat artikel 86, 9/ van het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs uitdrukkelijk bepaalt : 'Onverminderd de bepalingen van artikel 23 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling worden de tijdelijk aangestelde en de vast benoemde personeelsleden tenzij anders bepaald ambtshalve en zonder opzegging ontslagen : 1/ ... 9/ vanaf het ogenblik waarop het hoofd van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer, aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer, een einde maakt.' Indien m.a.w. de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer een einde maakt aan de opdracht van de leermeester niet-confessionele zedenleer dient de Inrichtende Macht het personeelslid ambtshalve te ontslaan. Belangrijk XII-4061-5/19 hierbij is feit dat dit een gebonden bevoegdheid is. Als een leermeester zedenleer de onderwijsbevoegdheid ontnomen wordt, moet de Raad van Bestuur dit personeelslid ambtshalve ontslaan. Het afwegen van de opportuniteit van deze beslissing komt de Inrichtende Macht niet toe. De Raad van Bestuur van de Scholengroep Ringscholen akteert dat u verklaart dat de heer Van Butsele 'niet opnieuw niet-confessionele zedenleer kan onderwijzen'. De Raad van Bestuur gaat er van uit dat deze frase moet geïnterpreteerd worden als het door u 'beëindigen van de opdracht van de leermeester niet-confessionele zedenleer', in dit geval de heer Van Butsele. Zonder tegenbericht van u zal de Raad van Bestuur in zijn volgende zitting dan ook het ambtshalve ontslag van de heer Van Butsele, in toepassing van artikel 86, 9/ uitspreken. Mag ik u verzoeken uw eventuele reactie uiterlijk op 5 december 2003 aan mijn ambt te bezorgen”. 1.
  22. Op 3 december 2003 antwoordt de inspecteur-adviseur : “Mijn conclusies over het gedrag van de heer Van Butsele zijn niet gewijzigd. Ik ga dus akkoord met het voorgestelde ontslag. De vermelde bevoegdheid ligt echter bij de erkende vereniging, R.i.B.Z., Breughelstraat 60 te 2018 Antwerpen”. 1.
  23. Op 12 december 2003 schrijft de algemeen directeur van Scholengroep 9 aan de vzw Raad voor inspectie en begeleiding zedenleer (hierna, in navolging van álle partijen die in deze zaak voor de Raad verschijnen, ook aan te duiden met zijn acroniem, Ribz) : “Op 12 september 2003 werd de heer Kempenaers, inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer door mevrouw M. Nijs en de heer G. Willaert, leden van de onderzoekscommissie die op verzoek van de Raad van Bestuur van de Scholengroep Ringscholen werd samengesteld en met de opdracht de perso- neelsleden van de BS Asse en een aantal andere betrokken te ondervragen o.a. omtrent de handelwijze van de heer Van Butsele, leermeester niet-confessionele zedenleer tijdens de periode van zijn aanstelling aan de BS Asse (1 januari 1997) tot zijn preventieve schorsing (4 februari 1999), gehoord. In zijn gehandtekende verklaring wordt vermeld : '... Het vertrouwen dat ik in de heer Van Butsele stelde, is daardoor geschonden. Hij heeft alle kansen gehad en is voldoende gewaarschuwd. Wij hadden alle vertrouwen in hem gelegd maar hij heeft dit duidelijk geschonden.' De laatste paragraaf van de verklaring vermeldt : 'Ik wil hieraan nog toevoegen dat het absoluut niet kan dat de heer Van Butsele opnieuw niet-confessionele zedenleer zou onderwijzen omdat hij door zijn gedrag en door zijn opspraak het vak te schande maakt evenals de levensbeschouwing die hij in dat vak vertegenwoordigt. Ouders gaan immers zijn wangedrag associëren met het vak niet-confessionele zedenleer.' De Raad van Bestuur van de Scholengroep Ringscholen stelt tevens vast dat artikel 86, 9/ van het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie XII-4061-6/19 van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs uitdrukkelijk bepaalt : 'Onverminderd de bepalingen van artikel 23 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling worden de tijdelijk aangestelde en de vast benoemde personeelsleden tenzij anders bepaald ambtshalve en zonder opzegging ontslagen : 1/ ... 9/ vanaf het ogenblik waarop het hoofd van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer, aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met nietconfessionele zedenleer, een einde maakt.' Indien m.a.w. de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer een einde maakt aan de opdracht van de leermeester niet-confessionele zedenleer dient de Inrichtende Macht het personeelslid ambtshalve te ontslaan. Belangrijk hierbij is het feit dat dit een gebonden bevoegdheid is. Als een leermeester zedenleer de onderwijsbevoegdheid ontnomen wordt, moet de Raad van Bestuur dit personeelslid ambtshalve ontslaan. Het afwegen van de opportuniteit van deze beslissing komt de Inrichtende Macht niet toe. De Raad van Bestuur van de Scholengroep Ringscholen akteert dat de heer Kempenaers verklaart dat de heer Van Butsele 'niet opnieuw niet-confessionele zedenleer kan onderwijzen'. De Raad van Bestuur gaat er van uit dat deze frase moet geïnterpreteerd worden als het 'beëindigen van de opdracht van de leermeester niet-confessionele zedenleer', in dit geval de heer Van Butsele. De Raad van Bestuur verzocht de heer Kempenaers om enige verduidelijking terzake. In zijn mail van 3 december 2003 bevestigt hij zijn standpunt maar wijst hij u aan als de 'terzake bevoegde instantie'. De Raad van Bestuur verzoekt u dan ook om een standpunt terzake. Indien u de visie van de heer Kempenaers deelt en u dus een einde maakt aan de opdracht van de heer Van Butsele als leermeester niet-confessionele zedenleer, zal de Raad van Bestuur in zijn volgende zitting het ambtshalve ontslag, van de heer Van Butsele uitspreken (toepassing artikel 86, 9/). Mag ik u verzoeken uw beslissing zo snel mogelijk aan mijn ambt te bezorgen”. 1.
  24. Op dezelfde dag schrijft ook de algemeen directeur van Scholengroep 10 een brief met dezelfde strekking aan de Ribz. 1.
  25. Met een 17 december 2003 gedateerd schrijven antwoordt de Ribz : “Betreft: Beëindigen opdracht niet-confessionele zedenleer door de heer D. Van Butsele. Mijnheer de Algemeen Directeur, Rekening houdend met artikel 86 § 9 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs; Rekening houdend met uw schrijven dd. 12/12/03 waarbij u het ambtshalve ontslag van de heer Van Butsele aankondigt; Rekening houdend met de verklaringen van inspecteur-adviseur Frans Kempe- naers waarbij hij stelt dat : 'het absoluut niet kan dat de heer Van Butsele opnieuw niet-confessionele zedenleer zou onderwijzen'; XII-4061-7/19 Rekening houdend met de e-mail van inspecteur-adviseur Frans Kempenaers dd. 03/12/03 waarin hij zijn verklaring bevestigt en zich akkoord verklaart met het voorgestelde ontslag. Besluit de RIBZ : Uw voorstel te aanvaarden en een einde te maken aan de opdracht niet-confessionele zedenleer van de heer Van Butsele. Hoogachtend, K. Poma voorzitter”. Tussen de partijen bestaat er geen betwisting over dat de in deze brief meegedeelde beslissing dateert van 16 december 2003: dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  26. Op 17 december 2003 beslist de raad van bestuur van Scholengroep 10 Midden-Brabant, met referentie aan “artikel 86, 9/ van het Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991” en aan “de beslissing van het R.I.B.Z. (Raad voor Inspectie en Begeleiding Zedenleer), de terzake bevoegde instantie voor niet-confessionele zedenleer d.d. 16 december 2003, om aan de opdracht van de heer Van Butsele, als leermeester niet-confessionele zedenleer BSGO Asse en Vilvoorde een einde te maken” en onder meer overwegende “het feit dat indien ‘de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer’ aan de opdracht van een leermeester niet-confessionele zedenleer een einde maakt, de bevoegde instantie van de Inrichtende Macht hier automatisch het ambtshalve ontslag moet laten op volgen, dat de bevoegde instantie van de Inrichtende macht zich m.a.w. niet uit te spreken heeft over de opportuniteit of de noodzaak van deze maatregel”, om verzoeker met ingang van 5 januari 2004 ambtshalve te ontslaan en om hem met ingang van dezelfde datum voor een half-time betrekking voor de duur van de opzeggingstermijn als administra- tief medewerker tewerk te stellen aan het CLB Vilvoorde. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.
  27. Op 22 december 2003 beslist de raad van bestuur van Scholen- groep 9 Ringscholen, met referentie aan “artikel 86, 9/ van het Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991” en aan “de beslissing van het R.I.B.Z. (Raad voor Inspectie en Begeleiding Zedenleer), de terzake bevoegde instantie voor niet-confessionele zedenleer d.d. 16 december 2003, om aan de opdracht van de heer Van Butsele, als leermeester niet-confessionele zedenleer BSGO Asse en Vilvoorde een einde te maken” en onder meer overwegende “het feit dat indien ‘de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer’ aan de opdracht van een leermeester XII-4061-8/19 niet-confessionele zedenleer een einde maakt, de bevoegde instantie van de Inrichtende Macht hier automatisch het ambtshalve ontslag moet laten op volgen, dat de bevoegde instantie van de Inrichtende macht zich m.a.w. niet uit te spreken heeft over de opportuniteit of de noodzaak van deze maatregel”, om verzoeker met ingang van 5 januari 2004 ambtshalve te ontslaan en om hem met ingang van dezelfde datum voor een half-time betrekking voor de duur van de opzeggingstermijn tewerk te stellen. Dit is de derde bestreden beslissing;
  28. De kennelijke gegrondheid van het beroep tegen de eerste beslissing. 2.
  29. Nadere situering van de eerste bestreden beslissing. 2.1.
  30. Overwegende dat de eerste en tweede verwerende partij in hun nota met opmerkingen, neergelegd in de schorsingsprocedure, voorafgaand wijzen op artikel 86, 9/, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonder- wijs (hierna: het rechtspositiedecreet) van 27 maart 1991 en op “de gebonden bevoegdheid die de Raad van Bestuur heeft om het personeelslid ambtshalve te ontslaan wanneer de RIBZ een einde maakt aan de opdracht van de leermeester niet- confessionele zedenleer”; dat zij betogen dat hun beslissingen het gevolg zijn van die gebonden bevoegdheid, “terwijl de RIBZ een beslissing ten gronde heeft genomen”; Overwegende dat de derde verwerende partij in haar in de schorsingsprocedure neergelegde nota opwerpt dat haar instemming is verleend in het kader van de tuchtprocedure “conform het artikel 61.6 D.R.P.” en dat de “vermelding van art. 86.9/ DRP dient als niet geschreven te worden beschouwd”; dat zij ter terechtzitting evenwel dat standpunt verlaat, verklaart in de tuchtprocedure op geen enkele wijze betrokken te zijn geweest en zich “op dezelfde golflengte als de scholengroepen” te kunnen situeren; dat zij in haar ter terechtzitting neergelegde pleitnota in de annulatieprocedure het ook ziet “dat verzoeker op basis van art. 86,9/ van het D.R.P. wordt ontslagen”, en argumenteert dat het “vanzelfsprekend [is] dat het initiatief beroep te doen op artikel 86 § 9 van het D.R.P. alleen uit kan gaan van het RIBZ zelf”; 2.1.
  31. Overwegende dat oorspronkelijk door de beide scholengroepen tegen verzoeker een tuchtprocedure werd opgestart, waarbij als voorstel van XII-4061-9/19 tuchtsanctie de afdanking werd geformuleerd, als bedoeld in artikel 61, § 1, eerste lid, 6/, van het rechtspositiedecreet; dat aan een leermeester niet-confessionele zedenleer, zoals verzoeker, die tuchtmaatregel enkel kan worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer; Overwegende dat de tuchtprocedure die door de scholengroepen is opgestart kennelijk niet tot een eindbeslissing heeft geleid; dat de bestreden beslissingen niet kaderen in de tuchtregeling bedoeld in hoofdstuk VIII van het rechtspositiedecreet, maar in de procedure van de definitieve ambtsneerlegging neergeschreven in hoofdstuk X van het rechtspositiedecreet; dat het ontslag dat uiteindelijk aan verzoeker is opgelegd meer bepaald het gevolg is van de toepassing van artikel 86, 9/, van het rechtspositiedecreet, naar luid waarvan de vast benoemde personeelsleden “ambtshalve” en “zonder opzegging” worden ontslagen “vanaf het ogenblik waarop het hoofd van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer, aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer een einde maakt”, in welk geval dezelfde bepaling overigens uitdrukkelijk wél in een opzeggingstermijn voorziet voor het vast benoemd personeelslid; 2.1.
  32. Overwegende dat de eerste bestreden beslissing kennelijk de in artikel 86, 9/, van het rechtspositiedecreet bedoelde beslissing is waarbij de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer een einde maakt aan de opdracht van een leermeester niet-confessionele zedenleer; 2.
  33. Rechtsmacht van de Raad van State ten aanzien van de eerste bestreden beslissing. 2.2.
  34. Overwegende dat de derde verwerende partij in haar nota met opmerkingen, neergelegd in de schorsingsprocedure, de rechtsmacht van de Raad van State betwist om kennis te nemen van het beroep, wat betreft de van haar uitgaande eerste bestreden beslissing; dat zij toelicht ontstaan te zijn uit louter privé initiatief, de “erkende” instantie te zijn van de niet-confessionele gemeenschap “en dit in uitvoering van artikel 5 van het decreet van 1 december 1993” en de “bevoegde” instantie te zijn in het kader van de rechtspositiedecreten personeelsleden gemeen- schapsonderwijs en personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, geen overheid te zijn XII-4061-10/19 en “evenmin een orgaan van de organieke en de functionele openbare diensten”, dat zij “functioneert binnen het kader van artikel 3 van haar statuten”; 2.2.
  35. Overwegende dat overeenkomstig artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, deze enkel kennis mag nemen van beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel; Overwegende dat de Ribz een vereniging zonder winstoogmerk is die is opgericht door privé-personen; dat een dergelijke vereniging in beginsel geen handelingen stelt die aan de wettigheidscontrole van de Raad van State zijn onderworpen; dat evenwel instellingen die zijn opgericht door privé-personen, maar erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, als administratieve overheden kunnen optreden in de zin van het meervermeld artikel 14, mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden; dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen daarbij een deel van het openbaar gezag uitoefenen; Overwegende dat de derde verwerende partij op de terechtzitting van 22 juni 2004 in een uitvoerig betoog, ondersteund met een eveneens dan ter terechtzitting neergelegde nota van bijna dertig bladzijden, ’s Raads rechtsmacht betwist; dat zij ter staving van haar betoog steunt op de artikelen 21 en 181, § 1, van de Grondwet, op cassatierechtspraak (in het bijzonder Cass. 20 oktober 1994), op rechtspraak van het Arbitragehof (nr. 18/93 van 4 maart 1993) en van de Raad van State (nr. 25.995, Van Peteghem, 20 december 1985) en op rechtsleer over kerk-staatverhoudingen; dat zij betoogt, samengevat, dat regels van behoorlijk bestuur, rechtsbescherming tegen willekeurige disciplinaire maatregelen, verbod van discriminatie op grond van het geslacht enz. tegen kerkelijke beslissingen niet afdwingbaar zijn bij de hoven en rechtbanken op voorwaarde dat de beslissing werd genomen door een bevoegde overheid binnen de kerkelijke organisatie; dat zij meent zich per analogie te mogen beroepen op dezelfde vrijheid tegen overheidsinmenging en onafhankelijkheid als de kerkgenootschappen genieten op het stuk van de leer, de XII-4061-11/19 organisatie, de benoeming en de afzetting van hun bedienaren; dat zij meer in het bijzonder argumenteert dat het grondwettelijk beginsel van de niet-inmenging ook toepasselijk is op het godsdienstonderricht in het gemeenschapsonderwijs en, bij uitbreiding, op het onderricht in de niet-confessionele zedenleer; dat zij voorts nog argumenteert dat de Ribz niet in te passen is in of onder te brengen bij de onderwijs- instellingen, opgericht door privé-personen, waarvan sommige handelingen met toepassing van de zogenaamde “Meulenijzer-rechtspraak” van het Hof van Cassatie (Cass. 6 september 2002) het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring door de Raad van State; dat zij onder meer toelicht geen organieke openbare dienst te zijn noch een functionele openbare dienst, niet “erkend” te zijn door de overheid in de zin van de bedoelde cassatierechtspraak noch “onder de controle” te staan van de overheid of zelfs maar te kúnnen staan, gezien het gememoreerde beginsel van niet- inmenging; dat zij in haar pleitnota ook een prejudiciële vraag formuleert die zij verzoekt aan het Arbitragehof voor te leggen; Overwegende dat, hoewel de Raad van State in principe zonder rechtsmacht is waar het beslissingen van privé-verenigingen betreft, het te dezen mogelijk anders is; dat evenwel de derde verwerende partij een verweer heeft opgebouwd dat meerdere, op fundamentele beginselen gesteunde argumenten bevat die op het eerste gezicht een diepgaand onderzoek vereisen om ze aan te nemen of te weerleggen; dat overigens, nu de zaak is opgeroepen in de versnelde procedure op grond van artikel 94 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aan haar niet op goede grond mag worden verweten die argumentatie niet eerder kenbaar te hebben gemaakt; dat als gevolg hiervan noch verzoeker noch verwerende partijen, noch overigens het auditoraat, de gelegenheid hebben gekregen standpunt te nemen over de rechtsmacht van de Raad in het licht van de aangevoerde argumentatie; dat het daarom past, in het licht van een goede rechtsbedeling waarin woord en wederwoord hun volle kans krijgen, om de exceptie aan een onderzoek te onderwer- pen volgens de regels die gelden voor de gewone procedure; 2.2.
  36. Overwegende dat aldus het beroep tegen de eerste bestreden beslissing niet kennelijk gegrond is;
  37. Over de kennelijke gegrondheid van het beroep tegen de tweede en de derde beslissing. XII-4061-12/19 3.
  38. Overwegende dat verzoeker een eerste middel put uit de schending van de materiële motiveringsplicht; dat hij toelicht, onder meer, dat de beslissingen van de scholengroepen een schending inhouden van de materiële motiveringsplicht daar de beslissing van de Ribz van 16 december 2003 steunt op de verklaringen van F.Kempenaers, geen steun vindt in de werkelijkheid en een schending inhoudt van de materiële motiveringsplicht; 3.
  39. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de nota met opmerkingen repliceert dat de kritiek van verzoeker uitsluitend is gericht tegen de beslissing van de Ribz, dat zij evenwel een gebonden bevoegdheid heeft die inhoudt dat zij geen beoordelingsvrijheid heeft over de toepassing van de regelgeving en dat de verwijzing naar de rechtsregel die haar bindt en naar de beslissing van de Ribz van 16 december 2003 samen een afdoende motivering vormt voor het door haar genomen besluit; dat zij “ten overvloede” betoogt dat ook de beslissing van de Ribz de materiële motiveringsplicht niet schendt; dat zij ter adstructie verwijst naar de verklaringen van de inspecteur-adviseur van 12 september 2003 en van 3 december 2003, en naar het vonnis van de correctionele rechtbank; dat de tweede verwerende partij eenzelfde verweer voert; 3.
  40. Overwegende dat het ontslag van een vast benoemd personeelslid met toepassing van artikel 86, 9/, van het rechtspositiedecreet een individuele rechtscheppende beslissing is die ten aanzien van het personeelslid een nieuwe rechtstoestand doet ontstaan die zonder die beslissing niet rechtens als vaststaand kan worden beschouwd; dat de in die bepaling voorkomende uitdrukking “ambtshalve” geen declaratief karakter verleent aan de handeling waarbij een personeelslid ontslagen wordt; dat zij alleen betekent dat het bestuur ter zake niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt om de definitieve ambtsneerlegging vast te stellen wanneer de in dit artikel vastgestelde voorwaarde vervuld is; dat constitutieve handelingen van administratieve overheden bij de Raad van State met een annulatie- beroep bestreden kunnen worden op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tenzij ze, bij wijze van uitzondering op dat artikel, door een wetsbepaling aan dat beroep onttrokken zijn; dat een zodanige wetsbepaling te dezen niet bestaat; Overwegende voorts dat artikel 86, 9/, gestoeld is op de gedachte dat een godsdienstleerkracht of een leermeester of leraar niet-confessionele zedenleer steeds, om in het gemeenschapsonderwijs met het onderricht in een bepaalde XII-4061-13/19 godsdienst of in de niet-confessionele zedenleer belast te kunnen blijven, in staat moet zijn om getrouw weer te geven datgene wat het geloof of de zedenleer inhoudt, met als noodzakelijk corrolarium de vereiste dat hij vermag onderwijs te verstrekken dat naar de vorm de vereiste didactische kwaliteit heeft en dat hij zich als persoon op zodanige wijze gedraagt dat hij, van het standpunt van de leer die hij moet onderwijzen, voldoende geloofwaardigheid opbrengt om ook met voldoende geloofwaardigheid het bedoelde onderricht te kunnen geven; dat voorts de decreetgever blijkens het meervermelde artikel 86, 9/, heeft geoordeeld dat zulks een erkenning van het bevoegde orgaan behoeft en dat het meer bepaald het hoofd van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer is, die de zo-even omschreven authenticiteit waarborgt van het godsdienstonderwijs of van het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer en die in voorkomend geval een einde mag stellen aan de opdracht van de leraar; Overwegende dat thans niet moet worden, noch wordt ingegaan op de vraag of een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de beslissing waarbij aldus een einde wordt gesteld aan zijn opdracht; dat immers de beschreven regeling hoe dan ook onderstelt dat het in artikel 86, 9/, bedoelde orgaan de ware motieven van zijn beslissing aan het bestuur kenbaar maakt en die beslissing alleen steunt op de in het kader van de hem opgedragen bevoegdheid legitieme motieven; dat zijn beslissing enkel dan het bestuur binden kan; dat bijgevolg, opdat de administratieve overheid zich rechtmatig gebonden kan weten, de mededeling van de in artikel 86, 9/ bedoelde intrekking er haar hoe dan ook niet van ontslaat om na te gaan of ook de motieven waarop het oordeel van de kerkelijke overheid of van de instantie van de niet-confessionele zedenleer is gesteund haar zijn meegedeeld en of die motieven, binnen de perken van de hen gegeven bevoegdheid, legitieme motieven zijn, hetgeen betekent dat het enkel motieven mogen zijn die steunen op het gebrek aan voldoende inhoudelijke, didactische of persoonlijke geloofwaardigheid van het betrokken personeelslid om onderricht te kunnen geven in het geloof of in de niet-confessionele zedenleer; dat de Raad van State voor de voorliggende zaak dan ook de leer handhaaft, en gelet op de uitdrukkelijk gewilde gelijkstelling van de situatie van de leerkrachten levensbeschou- welijke vakken in artikel 86, 9/, van het rechtspositiedecreet bij artikel 89 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI (zie ook Parl. St., Vl.P. 1998- 1999, nr. 1377/2, blz. 2 en 4, en nr. 1377/3, blz. 17), te dezen tot de niet-confessio- nele zedenleer doortrekt, van de arresten nr. 16.993, Van Grembergen, van 25 maart XII-4061-14/19 1975, nr. 24.004, Petit, van 22 februari 1984 en nr. 25.995, Van Peteghem, van 20 december 1985; Overwegende dat, getoetst aan wat voorafgaat, de beslissing die de Ribz aan de verwerende partijen ter kennis heeft gebracht en op grond waarvan de scholengroepen zich gebonden achten de bestreden beslissingen te nemen, kennelijk geen “legitiem motief” bevat; dat de Ribz aan de opdracht van verzoeker een einde stelt, rekening houdend met het “schrijven dd. 12/12/03 waarbij [de scholengroepen] het ambtshalve ontslag van de heer Van Butsele aankondigt”, met “de verklaringen van inspecteur-adviseur Frans Kempenaers waarbij hij stelt dat : ‘het absoluut niet kan dat de heer Van Butsele opnieuw niet-confessionele zedenleer zou onderwijzen’” en “met de e-mail van inspecteur-adviseur Frans Kempenaers dd. 03/12/03 waarin hij zijn verklaring bevestigt en zich akkoord verklaart met het voorgestelde ontslag”; dat uit de beslissing van de Ribz niet blijkt dat hij rechtstreeks rapporten zou hebben ontvangen van de inspecteur-adviseur, en alleszins niet dat hij ze in voorkomend geval in overweging zou hebben genomen; dat de aangehaalde verklaringen van F. Kempenaers waarmee de Ribz stelt rekening te houden louter de korte citaten zijn die aan de Ribz zijn voorgelegd precies door de scholengroepen in hun brieven van 12 december 2003; dat die verklaringen, noch overigens enig ander element van de brieven van 12 december 2003 enige melding maken, concreet, van de feiten die het gedrag van verzoeker kunnen maken tot wangedrag, of van de redenen op grond waarvan het “absoluut niet kan” dat verzoeker opnieuw niet- confessionele zedenleer zou onderwijzen; dat de Ribz kennelijk niet in de beslissing zelf, en evenmin door de verwijzing naar bedoelde brieven en verklaringen, enige overweging veruitwendigt die te begrijpen is als zijnde gestoeld op de beoordeling van de geloofwaardigheid van verzoeker om de niet-confessionele zedenleer nog te onderwijzen; dat dit niet onbegrijpelijk is; dat immers niet wordt betwist, door geen van de drie verwerende partijen, dat aan de Ribz het administratief dossier van de scholengroepen -en dus onder meer het vonnis van de correctionele rechtbank van 8 november 2002 of het aanvullend onderzoeksverslag van 16 oktober 2003- niet is voorgelegd; dat evenmin wordt betwist dat de Ribz verzoeker zelf noch andere betrokkenen heeft gehoord of anderszins eigen onderzoeksverrichtingen heeft gedaan; dat het dan inderdaad niet verbaast dat de beslissing van de Ribz geen legitiem motief bevat, aangezien het wegens gebrek bij de Ribz aan enige concrete kennis van de zaak zelfs geen motief kán bevatten, tenzij het “voorstel” van de scholengroepen; dat de beslissing van de Ribz van 16 december 2003 bijgevolg voor de scholengroepen geen reden mocht zijn om verzoeker met toepassing van artikel XII-4061-15/19 86, 9/, van het rechtspositiedecreet ambtshalve te ontslaan; dat verzoeker terecht verwijt aan de scholengroepen met de beslissing van de Ribz zonder meer rekening te hebben gehouden; dat het middel in de besproken mate kennelijk gegrond is; 3.
  41. Overwegende dat het annulatieberoep, in zoverre het is gericht tegen de tweede en de derde bestreden beslissing, kennelijk gegrond is;
  42. Over de vordering tot schorsing van de tweede en de derde bestreden beslissingen. Overwegende dat de hierna uit te spreken nietigverklaring van de tweede en de derde bestreden beslissingen tot gevolg heeft dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen geen voorwerp meer heeft;
  43. Over de vordering tot schorsing van de eerste bestreden beslissing. 5.
  44. Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om, in het kader van het overgebleven onderzoek van de vordering tot schorsing van de eerste bestreden beslissing, over de door de verwerende partijen opgeworpen ontvankelijk- heidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; 5.
  45. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.2.
  46. Overwegende dat, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, verzoeker betoogt dat de bestreden beslissingen het ambtshalve ontslag inhouden, dat dit hem treft op moreel en pecuniair vlak, dat hij door de bestreden beslissingen te boek staat als iemand zonder respect en iemand die verregaande ongewenste intimiteiten met leerlingen heeft, dat hij door de bestreden beslissingen zijn functie als XII-4061-16/19 onderwijzer niet-confessionele zedenleer niet kan verder zetten, dat hij een zeker inkomen ziet wegvallen en na de opzegtermijn geen aanspraak zal kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen en dat de rechtspraak van de Raad van State blijkens de arresten nr. 78.311 van 25 januari 1999 en nr. 51.615 van 13 februari 1995 kennelijk algemeen aanvaardt dat in geval van ontslag van ambtswege de ambtenaar een evident moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat; 5.2.
  47. Overwegende dat verzoeker twee arresten noemt om het laatste aspect van zijn stellingname te adstrueren; dat evengoed andere arresten te vinden zijn die in geval van ontslag van ambtswege het nadeel niet als moeilijk te herstellen en ernstig beschouwen; dat voorts de bedoelde twee arresten het moeilijk te herstellen ernstig nadeel eensdeels situeren in “het odium” van het ontslag van ambtswege en, anderdeels, het “bijna vanzelfsprekend” noemen; dat “bijna vanzelf- sprekend” niet is gelijk te stellen met onbetwistbaar en kennelijk; dat dezelfde arresten overigens uitzondering maken voor bijzondere omstandigheden; dat ten slotte de thans nog voorliggende beslissing niet het ontslag van ambtswege is, maar wel de beslissing om een einde te maken aan de opdracht van een leermeester niet- confessionele zedenleer; dat het ontslag van ambtswege zaak is van de scholengroe- pen; dat te dezen aan het morele nadeel dat verzoeker aanvoert door de nietigverkla- ring van de beslissingen van de scholengroepen om hem ambtshalve te ontslaan reeds in ruime mate wordt tegemoet gekomen; dat voorts uit de met die nietigverklaring samenhangende rechtsoverwegingen blijkt dat welkdanig odium als iemand die ongewenste intimiteiten met leerlingen heeft, niet aan de eerste bestreden beslissing te verwijten is, nu is aangenomen, dat die beslissing daarover zelfs geen concrete motivering kán bevatten; dat bovendien, wat het ingeroepen nadeel in het algemeen betreft, verwerende partij louter op basis van de eerste bestreden beslissing niet kan volstaan, op straffe van schending van het gezag van gewijsde van voorliggend arrest, verzoeker van ambtswege te ontslaan; dat de schorsing van tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing aan verzoeker dan ook geen bijkomend voordeel oplevert; 5.2.
  48. Overwegende dat met betrekking tot de eerste bestreden beslissing niet is voldaan aan een van de schorsingsvoorwaarden, BESLUIT: Artikel
  49. XII-4061-17/19 Vernietigd worden : 1) de beslissing van 17 december 2003 van de raad van bestuur van Scholengroep 10 Midden-Brabant om verzoeker met ingang van 5 januari 2004 ambtshalve te ontslaan en hem voor een half-time betrekking voor de duur van zijn opzeggingsperiode als administratief medewerker tewerk te stellen aan het CLB Vilvoorde; 2) de beslissing van 22 december 2003 van de raad van bestuur van Scholengroep 9 Ringscholen om verzoeker met ingang van 5 januari 2004 ambtshalve te ontslaan en hem voor een half-time betrekking voor de duur van zijn opzeggingsperiode als administratief medewerker tewerk te stellen aan de Scholengroep
  50. Artikel
  51. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  52. De debatten worden heropend in zoverre het beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de beslissing van 16 december 2003 van de vzw Raad voor Inspectie en Begeleiding Zedenleer, om een einde te maken aan de opdracht niet-confessionele zedenleer van Daniel Van Butsele. Artikel
  53. Het onderzoek van de aldus beperkte zaak wordt volgens de gewone procedure voortgezet. Artikel
  54. De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, XII-4061-18/19 F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4061-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.938 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.