id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.939 Rolnummer: A. 156208/VII-32859 Zaak: Arrest 135939 - - 12/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 11:17 Fiche Arrest nr 135.939 van 12 oktober 2004 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.939 van 12 oktober 2004 in de zaak A. 156.208/VII-32.859. In zake : de n.v. GARWIG, die woonplaats kiest bij Advocaten A. LUST en J. GOETHALS, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. GARWIG op 5 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van de tenuitvoerlegging van "het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dd. 27 september 2004, aan de n.v. A. & M. GARWIG en C/ betekend op 29 september 2004, houdende de ongegrondverklaring van het administratief beroep tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 29 april 2004 waarbij de milieuvergunning aan de n.v. A. & M. GARWIG en C/ om een inrichting voor de recuperatie van afval, gelegen te 8650 Houthulst, Poelkapellestraat 18 verder te exploiteren, uit te breiden en te wijzigen, werd geweigerd"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-32.859-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaten A. LUST en J. GOETHALS, die verschijnen voor de verzoekende partij en van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : De verzoekende partij exploiteert te Houthulst, Poelkapelle- straat 18, een afvalverwerkend bedrijf. Haar inrichting is sinds 16 juni 1988 vergund, nl. voor de exploitatie van een inrichting voor de overslag en sorteren van containerafval en grof huisvuil met composteringsinrichting. Daarnaast bezat zij ook een vergunning van 6 juni 1973 voor een garage voor onderhoud en herstelling van het vrachtwagenpark. De inrichting is volgens het gewestplan Diksmuide-Torhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979, gelegen deels in woongebied en deels in een gebied voor milieubelastende industrie. De inrichting is verder gelegen op een afstand van : S circa 0 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter S circa 0 meter van een agrarisch gebied S circa 100 meter van een natuurgebied Op 5 juni 2002 dient de verzoekende partij een milieuvergunnings- aanvraag in, daar haar lopende vergunning zou komen te vervallen op 6 juni 2003. Op 17 oktober 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een proefvergunning voor een periode van één jaar, nl. van 17 oktober 2002 tot 17 oktober 2003. Vervolgens beslist de bestendige deputatie op 2 oktober 2003 de proeftermijn te verlengen met acht maanden, namelijk tot 17 juni 2004. Op 29 april 2004 neemt de bestendige deputatie een beslissing omtrent de definitieve milieuvergunning, dewelke wordt geweigerd. VII-32.859-2/6 Tegen deze weigeringsbeslissing tekent de verzoekende partij per schrijven van 4 juni 2004 van haar raadsman hoger beroep aan. Nadat de vereiste adviezen werden gegeven, wordt met het bestreden ministerieel besluit van 27 september 2004 de vergunning geweigerd. Het decisief motief voor die weigering is dat uit de neergelegde geluidsstudie is gebleken dat op een bepaald punt de normen niet worden gehaald en dat er geen garanties zijn dat die normen in de toekomst zullen worden gehaald daar er in de studie geen concrete maatregelen worden voorgesteld. Wel wordt toegegeven dat de exploitant reeds veel inspanningen heeft geleverd en een aantal saneringsmaatregelen heeft genomen, weze het dat deze laattijdig zouden zijn genomen; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van "art. 20 en 18, § 1 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (MVD); art. 52, 3/,
- b)van het Besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I); art. 4.5.2.1. van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), samen gelezen met haar bijlagen 4.5.4. en 4.5.5. en art. 1.1.2. Vlarem II; het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbe- ginsel"; dat in het eerste onderdeel van het middel de verzoekende partij doet gelden dat de bestreden beslissing de overschrijding op één welbepaald punt van de geluidsnorm aanwendt als doorslaggevend weigeringsmotief, dat blijkens artikel 4.5.2.1. van Vlarem II de in de bijlagen 4.5.4. en 4.5.5. bij het besluit aangegeven waarden in dB(A) richtwaarden zijn, dat deze normen bijgevolg geen grensnormen zijn, dat dit impliceert dat in de motivering in concreto moet worden verantwoord waarom in casu de richtnormen als grensnormen werden gehanteerd, dat dergelijke motivering evenwel ontbreekt, dat nochtans de situatie ter plaatse tot een geïndividua- liseerd onderzoek en een bijzondere motivering omtrent de geluidsdruk noopt, dat, VII-32.859-3/6 immers, uit het door AVITECH uitgevoerd onderzoek blijkt dat het enige kritieke meetpunt gelegen is aan "de overzijde" van de drukke Poelkapellestraat, een gewestweg en in de onmiddellijke nabijheid van het houtverwerkend bedrijf DECRUY, dat gezien deze elementen de vergunningverlenende overheid precies diende te motiveren waarom ondanks het feit dat het bedrijf van de verzoekende partij zich én in een milieubelastend industriegebied én in een lawaaierige omgeving bevindt, de richtwaarde meteen als grenswaarde moet worden beschouwd; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota betwist dat zij de normen als grenswaarden heeft toegepast, dat in de geluidsstudie van de b.v.b.a. AVITECH ACOUSTICS (rapport A. 0407.2110A) van 23 juli 2004 wordt beklemtoond dat de geluidsnorm van 45 dB(A) als een richtwaarde geldt en dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met de concrete gegevens van de omgeving, "zodat zowel toetsing als motivering in de bestreden beslissing terug te vinden zijn”; 2.3. Overwegende dat artikel 4.5.2.1. van Vlarem II luidt als volgt : "Ter beoordeling van het geluid van de inrichtingen gelden de in de bijlagen 4.5.4. en 4.5.5. bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid in open lucht van een inrichting wordt getoetst"; dat uit de door partijen neergelegde stukken prima facie blijkt dat het enige kritieke punt waar zich nog overschrijdingen van de toegepaste richtwaarde 45 dB(A) voordoen de dichtstbijgelegen woning van de overbuur betreft die zelf nooit enige klacht heeft neergelegd en in een proces-verbaal van 3 maart 2000 van de brigade Houthulst heeft verklaard geen klachten te hebben “lastens de n.v. GARWIG"; dat uit de motivering van het bestreden besluit prima facie niet blijkt dat in concreto werd afgewogen wat de impact van die overschrijdingen zijn voor de omwonenden; dat de motivering in het bestreden besluit desbetreffend zich beperkt tot de vaststelling dat "uit de geluidsstudie blijkt dat in één beoordelingspunt voor het geheel van de activiteiten niet aan de normering van titel II van het Vlarem voor nieuwe inrichting- en werd voldaan" terwijl dat "één beoordelingspunt" enkel de woning van de overbuur zou betreffen die zelf verklaart geen hinder te ondervinden; dat prima facie de verwerende partij dan ook de geluidsnormen van Vlarem II als grensnormen blijkt te hebben toepast terwijl uit artikel 4.5.2.1. Van Vlarem II blijkt dat deze normen slechts richtwaarden zijn; dat het eerste onderdeel van het derde middel in de besproken mate ernstig is; VII-32.859-4/6 3. Overwegende dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de verzoekende partij voor de exploitatie van de inrichting voor recuperatie van afval niet meer over een milieuvergunning beschikt en deze dan ook niet meer kan exploiteren; dat de verzoekende partij aan de hand van neergelegde stukken aannemelijk maakt dat de enige overgebleven activiteit "huisvuilophaling" die voor circa 25 % van de omzet zorgt, haar niet in staat stelt alle uitgaven - waaronder een maandelijkse leningsaflossing van 58.390, 70 euro en een contractueel met de firma CBR voor de levering van afvalstoffen als alternatieve brandstof bedongen schadevergoeding van circa 25.000 euro per maand - te dekken, ook niet in afwachting van een eventuele schorsing op basis van de gewone schorsingsproce- dure; dat op basis van de voorliggende gegevens redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing het voortbestaan van de verzoekende partij in het gedrang brengt en dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is; 4. Overwegende dat aan de drie sub 2 vermelde schorsingsvoorwaar- den is voldaan, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 september 2004 houdende de ongegrondverklaring van het administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 29 april 2004 waarbij de milieuvergunning aan de n.v. A. & M. GARWIG en C/ om een inrichting voor de recuperatie van afval, gelegen te 8650 Houthulst, Poelkapellestraat 18 te exploiteren, uit te breiden en te wijzigen, wordt geweigerd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-32.859-5/6 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.859-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.939 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.906 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div