← België

Arrest 135942 - - 12/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.942 Rolnummer: A. 126357/XIV-11567 Zaak: Arrest 135942 - - 12/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:17 Fiche Arrest nr 135.942 van 12 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.942 van 12 oktober 2004 in de zaak A. 126.357/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 juli 1974 en van XXX nationaliteit, op 29 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-11.567-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. DE CLERCK, die loco Advocaat J. OPSOMMER verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 6 juni 2002 en verklaart zich vluchteling op 7 juni
  4. 1.
  5. Op 11 juni 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 30 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin- gen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een etnische A. afkomstig uit K., meerbepaald uit M. U verklaarde gedurende vijf jaar (van 1995 tot juni 2000) in Duitsland te hebben gewoond. Daar zou u asiel hebben aangevraagd, maar een negatief antwoord gekregen hebben. In juni 2000 zou u teruggekeerd zijn. In oktober of november 2000 zou u een anonieme dreigbrief gekregen hebben waarin stond geschreven dat u naar A. moest gaan want dat er geen plaats voor u was of dat men u anders zou doden. De brief zou in het S. geschreven zijn. In april 2001 zou u nog een anonieme dreigbrief gekregen hebben. Ook deze brief zou in het S. geschreven zijn. U zou met de twee brieven naar de UNMIK-politie gegaan zijn. Ze zouden een proces-verbaal hebben opgesteld. Sinds oktober of november 2000 zou u slechts één keer per maand het huis hebben durven verlaten. U verklaarde niet naar K. te willen terugkeren omdat u vreest vermoord te zullen worden door S. criminelen. U voegde er nog aan toe dat één oom van u vermoord is geweest en een andere oom nog altijd vermist is. In juni 2000 zouden twee personen vanuit een auto uw oom gedood hebben. U zou toen op doorreis in A. geweest zijn. U vermoedt dat criminele S. de moord gepleegd hebben omdat ze het noordelijke gedeelte van M. geheel willen bezetten en de A. willen verjagen naar het zuidelijke deel van de stad. Uw ouders zouden naar de KFOR-troepen gegaan zijn. Deze laatsten zouden beloofd hebben een onderzoek in te stellen, maar tot nu toe zouden de daders nog niet gevonden zijn. Uw ouders zouden ook naar de politie gegaan zijn en deze laatsten zouden beloofd hebben een onderzoek XIV-11.567-2/6 in te stellen. In februari 1999 zou een andere oom verdwenen zijn. Een buurman zou gezien hebben hoe hij ontvoerd is geweest. Uw ouders zouden twee keer naar de KFOR-troepen gegaan zijn. Deze laatsten zouden nagekeken hebben of uw oom al overleden was, maar ze zouden niets gevonden hebben. Uw ouders zouden ook de naam van uw oom hebben doorgegeven aan het Rode Kruis om te zien of hij misschien in de gevangenis zou zitten, maar ook dit zou geen resultaat hebben opgeleverd. Naar de politie zouden ze drie of vier keer geweest zijn en zij zouden een onderzoek instellen. Op 1 of 2 juni 2002 zou u uit M. vertrokken zijn en op 7 juni 2002 hebt u in België asiel aangevraagd. U bent in het bezit van uw XXX identiteitskaart (dd. 07/04/1995) en een verklaring opgesteld op een advocatenkan- toor in M. in het bijzijn van twee getuigen betreffende de moord en de verdwijning van uw twee ooms en het feit dat uw eigen woning zou zijn ingenomen door een S. (dd. 10/01/2001). Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u K. verlaten heeft omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar K. een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. De door u aangehaalde problemen zijn immers strikt lokaal van aard. Sinds juni 1999 hebben de S. troepen en autoriteiten zich immers volledig uit K. teruggetrokken. De S. burgers die zich momenteel nog in K. bevinden leven grotendeels geïsoleerd in bepaalde enclaves (onder meer in M.) en hebben constante bescherming nodig vanwege de internationale autoriteiten die in het gebied aanwezig zijn. U heeft geen feiten of elementen aangebracht waaruit blijkt dat u eventuele problemen of moeilijkheden omwille van criteria van de Vluchtelingenconventie niet kon vermijden door u ergens anders in K. te vestigen, hetzij in het zuidelijke gedeelte van M. hetzij elders in K. De door u neergelegde verklaring betreffende de moord en de verdwijning van uw twee ooms en de inname van uw woning door een Serviër doet aan bovengedane vaststellingen geen afbreuk aangezien zij enkel uw strikt lokale vrees bevestigt ten aanzien van de S. in M. (...).”.
  7. Overwegende dat verzoeker in een eerste en tweede middel samengeno- men de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbe- ginsel en artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), omdat “ de bestreden beslissing poneert dat verzoeker over een intern vluchtalternatief beschikt zonder aan te duiden waar dat alternatief zou kunnen zijn en vooral zonder aan te geven waarop deze overweging gemotiveerd is” en omdat de Commissaris-generaal het interne vluchtalternatief onvoldoende heeft onderzocht; 2.
  1. Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoeker niet aantoont dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin-gen werden geschonden, temeer daar uit zijn middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.
  2. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de XIV-11.567-3/6 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven, die worden verwoord in de volgende passus van de bestreden beslissing: “Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u K. verlaten heeft omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar K. een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. De door u aangehaalde problemen zijn immers strikt lokaal van aard. Sinds juni 1999 hebben de S. troepen en autoriteiten zich immers volledig uit K. teruggetrokken. De S. burgers die zich momenteel nog in K. bevinden leven grotendeels geïsoleerd in bepaalde enclaves (onder meer in M.) en hebben constante bescherming nodig vanwege de internationale autoriteiten die in het gebied aanwezig zijn. U heeft geen feiten of elementen aangebracht waaruit blijkt dat u eventuele problemen of moeilijkheden omwille van criteria van de Vluchtelingenconventie niet kon vermijden door u ergens anders in K. te vestigen, hetzij in het zuidelijke gedeelte van M. hetzij elders in K. De door u neergelegde verklaring betreffende de moord en de verdwijning van uw twee ooms en de inname van uw woning door een S. doet aan bovengedane vaststellingen geen afbreuk aangezien zij enkel uw strikt lokale vrees bevestigt ten aanzien van de S. in M.; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing uiteenzet waarom hij heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag; dat verzoeker geen elementen aanhaalt die aantonen dat de bevindingen van de Commissaris-generaal onjuist zijn; dat hij de vaststellingen van de Commissaris-generaal met betrekking tot de situatie van de S. in K. niet weerlegt noch uiteenzet waarom hij zich niet elders in K. zou kunnen vestigen om eventuele problemen in de zin van de Vluchtelingencon- ventie te vermijden; dat verzoeker aanvoert dat hij in zijn land onvoldoende bescherming vond tegen de bedreigingen maar dit niet staaft met concrete gegevens; dat hij meent dat de dreigbrieven en de moord gepleegd op een oom en de ontvoering van een andere oom, een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie in zijn hoofde bewijzen; dat het evenwel aan de Raad van State, in het kader van zijn wettigheidstoezicht, niet toekomt om zich in de plaats te stellen van de bevoegde overheid en de feiten opnieuw te evalueren en te beoordelen; dat de Raad enkel kan vaststellen dat de bestreden beslissing in casu wettig is wanneer uit het geheel van de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; Overwegende dat wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, dit beginsel inhoudt dat de Commissaris-generaal zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding, wat inhoudt dat hij zich dient te informeren over alle relevante elementen van het dossier om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de Commissaris- XIV-11.567-4/6 generaal alle objectieve gegevens nagaat die hij nodig acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd uitgenodigd voor een interview op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat hij zijn asielmotieven in zijn beroepschrift tot dringend beroep heeft kunnen uiteenzetten; dat verzoeker werd geconvoceerd voor een interview op het Commissariaat-generaal; dat hij tijdens dat interview de mogelijkheid kreeg zijn asielmotieven uiteen te zetten, zijn argumenten kracht bij te zetten, dat hij nieuwe en/of aanvullende stukken kon neerleggen en zich kon laten bijstaan door een advocaat of een andere persoon van zijn keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de A. taal machtig is; dat de Commissaris- generaal zich bij het nemen van de bestreden beslissing heeft gesteund op alle relevante elementen van het administratief dossier; dat niet blijkt dat de Commissaris-generaal door de bestreden beslissing te nemen het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden of de zaak onvoldoende heeft onderzocht; Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat hij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; dat het eerste en tweede middel samengenomen, ongegrond zijn;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.567-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.567-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.942 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.