id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.946 Rolnummer: A. 131863/VII-28797 Zaak: Arrest 135946 - - 13/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 11:17 Fiche Arrest nr 135.946 van 13 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.946 van 13 oktober 2004 in de zaak A. 131.863/VII-28.797 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. FEYEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Paul Bellefroidlaan 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Vietnamese nationaliteit, op 16 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 september 2004; VII-28.797-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. FEYEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 30 oktober 2002 en verklaarde zich op 4 november 2002 vluchteling. 1.
- Op 6 november 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 december 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en geen verband hield met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Vietnamese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Thuy Nguyen gelegen in Hai Phong. In 1984 zou u met uw militaire dienstplicht gestart zijn. Onder het departement van de landmacht zou u op het eiland Tran de grens tussen Vietnam en China hebben moeten bewaken. In maart 1967 zou u hebben opgemerkt dat een boot met vluchtelingen illegaal de grens met China wou oversteken. U zou niet hebben ingegrepen, omdat mensen uit uw dorp ook op deze boot zouden meevaarden. U evenals twee andere soldaten, zouden naar aanleiding van dit incident zijn ondervraagd. Na twee weken opsluiting zou u voor de Militaire Eenheid zijn opgeroepen en zijn ontslagen van uw dienstplicht. U zou zich hebben moeten aanmelden bij de lokale overheid en zou gedwongen zijn drie maanden zonder vergoeding te werken. Sindsdien zou u voortdurend onder het toezicht van de regering staan. Zo zou u toelating hebben moeten vragen om uw dorp te mogen verlaten. U zou gewerkt hebben als klusjesman, daar u moeilijk werk zou vinden. Omdat uw vrijheid VII-28.797-2/6 sterk zou zijn beperkt, zou u besloten hebben te vluchten. In april 1988 zou u voor de eerste maal per boot gevlucht zijn naar Hong Kong. Onderweg, in Kim Chi Hal Duong, zou u echter zijn opgepakt. U zou 6 maanden in de gevangenis van Hai Phong zijn opgesloten. U zou sindsdien geklasseerd zijn als landverrader en al uw rechten zouden u ontnomen zijn. In mei 1990 zou u nogmaals gevlucht zijn naar Hong Kong. U zou er asiel hebben aangevraagd en zou tot uw repatriëring in 1992 in een vluchtelingenkamp verbleven hebben. Nadien zou u nog tweemaal gevlucht zijn naar Hong Kong, maar telkens zou u zijn gerepatrieerd. U zou telkens een boete betaald hebben, doch u zou niet meer opgesloten zijn. Tijdens uw verblijf in Hong Kong zou u deelgenomen hebben aan een betoging tegen uw repatriëring, u zou hierbij een Vietnamese vlag in brand gestoken hebben. Begin oktober 2002 zou u naar België zijn gevlucht. U kwam in België aan op 1 november 2002 en diende hier asiel in op 4 november
- Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de door u ingeroepen vluchtmotieven, met name uw moeilijkheden met de Vietnamese autoriteiten naar aanleiding van het niet naar behoren vervullen van uw taken als dienstplichtige, niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Dat u bootvluchtelingen zou hebben toegelaten illegaal de grenzen over te steken, is een misdrijf van gemeenrechtelijke en strafrechtelijke aard. Uit uw verklaringen blijkt niet dat u hiervoor, om één van de redenen zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie, disproportioneel zou bestraft (één week gevangenisstraf en drie maanden onbezoldigde gemeenschapsdienst) zijn. U heeft immers voorheen nooit problemen met de Vietnamese autoriteiten gekend noch oppositie tegen de regering gevoerd. Integendeel, u verklaarde lid te zijn geweest van de Communistische partij, wat impliceert dat u zich kon terugvinden in de partijideologie. De beperkingen die u nadien werden opgelegd zijn louter het gevolg van uw eerdere veroordeling en van het feit dat u nog meerdere malen op illegale wijze Vietnam verlaten heeft en kunnen in casu niet gerelateerd worden aan de Geneefse Conventie. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas in ernstige mate wordt ondermijnd Zo verklaarde u op de DVZ dat u slechts een week zou zijn opgesloten wegens het incident met de bootvluchtelingen (zie DVZ, p.9), terwijl u op het CGVS verklaarde twee weken te zijn opgesloten (zie CGVS, p.4). Bovendien beweerde u op de DVZ dat u gedurende zes maanden gedwongen arbeid zou hebben verricht (zie DVZ, p.9), op het CGVS daarentegen verklaarde u dit gedurende drie maanden te hebben uitgevoerd (zie CGVS, p.5). In tegenstelling met uw verklaringen in dringend beroep (zie gehoorverslag CGVS, p. 6), repte u op de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord over de betoging in Hong Kong, waarbij een Vietnamese vlag in brand zou gestoken hebben. Bovenstaande discrepanties brengen de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas ernstig in het gedrang. Het feit dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde met een Vietnamees paspoort met daarop uw naam en foto uit kon Vietnam vertrekken (zie gehoorverslag DVZ, vraag, nr.20), doet ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van de beperkingen in uw bewegingsvrijheid die u door de Vietnamese autoriteiten zou zijn opgelegd. De documenten betreft die u ter ondersteuning van uw asielaanvraag op het CGVS neerlegde, met name drie getuigschriften van uw gedwongen repatriëring uit Hong Kong naar Vietnam in 1993, 1996 en 1999, vormen geen begin van bewijs van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie en kunnen derhalve de appreciatie van uw asielaanvraag door de Commissaris-generaal niet in positieve zin ombuigen. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig reis en/of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de motiveringsplicht met name een miskenning van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat uit VII-28.797-3/6 de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij tevens de materiële motiveringsplicht geschonden acht; dat zij stelt dat het niet volstaat om in de bestreden beslissing enkel de verschillende vermeende tegenstrijdigheden op te nemen en te bespreken, dat deze vermeende tegenstrijdigheden zelfs niet essentieel zijn om tot de bestreden beslissing te komen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de “fouten”, namelijk de tegenstrijdigheden tussen haar opeenvolgende verklaringen, te wijten zijn aan de gebrekkige vertalingen tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, wat betreft de materiële motiveringsplicht, de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris- VII-28.797-4/6 generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat deze beslissing naar behoren is gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal zich te dezen heeft gesteund om te oordelen dat de asielaanvraag geen verband hield met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; dat de verzoekende partij voor het overige niet aantoont dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk zou zijn; dat de verzoekende partij wel beweert, maar nier bewijst dat er zich vertaalproblemen hebben voorgedaan op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in het tweede middel de schending wordt ingeroepen van het verbod op discriminatie, gewaarborgd door artikel 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) doordat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de gevolgen die zij veroorzaakt voor de veiligheid en de fysieke integriteit van de verzoekende partij; dat deze stelt dat een gedwongen terugkeer een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor haar vrijheid en haar leven; Overwegende dat de bestreden beslissing van de commissaris-generaal niet automatisch inhoudt dat de verzoekende partij zou worden teruggeleid naar haar land van herkomst, nu de commissaris-generaal daarover, op grond van artikel 63/5, laatste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) slechts een advies geeft; dat dergelijk advies geen uitvoerbare rechtshandeling is die voor de Raad van State kan worden aangevochten; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-28.797-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.797-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div