id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.968 Rolnummer: A. 131187/XIV-13235 Zaak: Arrest 135968 - - 13/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 11:18 Fiche Arrest nr 135.968 van 13 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.968 van 13 oktober 2004 in de zaak A. 131.187/XIV-13.235. In zake : XXX, wonende te A., D.straat 7, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 juni 1985 en van XXX nationaliteit, op 27 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; XIV-13.235-1/11 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die in persoon verschijnt, en van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 5 augustus 2002 en verklaart zich vluchteling op 6 augustus 2002. 1.2. Op 4 september 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 29 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U stelde de XXX nationaliteit te bezitten, geboren te zijn in T. (C.), maar opgegroeid te zijn in de XXX hoofdstad, L. Uw ouders en uw broer zijn overleden bij een aanval door J. (president van de U.) op een trein, ter hoogte van N. op 10 augustus 2001. Op 30 april 2002 reisde u naar vrienden van uw familie te P. (gelegen in de grensstreek C. - C.). Aangezien u nog alleen leefde in L., had uw oom u immers voorgesteld uw studies in C. te financieren. Op 30 juni 2002 reisde u naar T. om uw studies aan te vatten. De eerste schooldag had u praktische les 'electriciteit' in een andere school buiten T. Toen u samen met een twintigtal medeleerlingen en één of twee leraars het woud bereikte, werden jullie gevat en meegevoerd naar een basis van het F. (F.)-. Eenmaal aangekomen in deze basis werden de jongere leerlingen naar de ene kant gebracht, de ouderen alsook de leraars naar de andere kant. Vervolgens eisten uw gijzelaars dat jullie zouden meewerken aan de onafhankelijkheid van C. en beloofden zij jullie een goed leven eenmaal de provincie onafhankelijk zou zijn. Aanvankelijk weigerden jullie, maar later stemden jullie in om zich (
- u)aan te sluiten bij het F. U werd getraind in het gebruik van wapens en eveneens opgeleid als 'informator'. Zo ging u een aantal keren naar T. om te kijken wat er in de stad gebeurde en gingen uw collega's ook XIV-13.235-2/11 spioneren in de militaire basis van het XXX regeringsleger te T. Op 20 juli 2002 kreeg u de gelegenheid om per vliegtuig samen met F.-kolonel N. en 7 jongeren naar L. te reizen. In de luchthaven van L. kwam een man jullie ophalen en werden jullie naar P. gebracht in de wijk Golf te L. U mocht enkel het hotel verlaten wanneer de chef jullie kwam halen, waarna jullie dan andere bureaus en secretarissen bezochten. Op een dag kwam de chef jullie halen om in een hotel te gaan eten. Op een bepaald moment kwamen een aantal naar uw mening verdacht uitziende personen, de eetruimte van het hotel binnen. Het bleken militairen te zijn van het regeringsleger. De chef beval jullie recht te staan en te vertrekken. Vervolgens werden de wapens op jullie gericht. Jullie werden naar buiten gebracht, uw handen werden met een touw vastgebonden en uw ogen werden met een zwarte band afgedekt. U werd samen met B. naar een huis in L. gebracht. U werd vervolgens ondervraagd. Toen u echter weigerde te antwoorden, greep men u vast en werd u met veel geweld geslagen. Later die dag werd B. verwijderd uit de ruimte waar jullie verbleven en ergens heen gebracht. De daaropvolgende dag, in de namidag kwamen twee militairen u eten brengen. Eén van hen keek u strak aan en u herkende hem van de catch-training, maar hij zei niets en vertrok. Die nacht, werd u door hem wakker gemaakt. Hij zei dat u weg moest uit deze ruimte aangezien niemand hier langer dan drie dagen in leven blijft. Hij gaf u een uniform en wat geld en zei u te vluchten. U verliet de cel en doolde rond in het woud. Bij zonsopgang hield u een bus tegen en reed u naar S. (L.). U ging naar uw leraar van de catch-training die u naar een huis in opbouw bracht in de wijk S. (L.). Op 4 augustus 2002 kwam een heer u ophalen met de auto en zei u dat u met hem mee moest. Hij is met u naar de luchthaven van L. gereden. Nadat hij u een ticket had overhandigd, ging u samen met deze man aan boord van een vliegtuig met bestemming België. Op 6 augustus 2002 heeft u zich aangemeld op de Dienst Vreemdelingenzaken en vroeg u asiel aan. Vage en incoherente verklaringen doorheen uw asielrelaas, maken het niet aannemelijk dat u uw land van herkomst ontvlucht bent omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Zo stelde u gedwongen ingelijfd te zijn bij het F. en gedurende circa drie weken in een kamp van de F.-militairen te hebben verbleven. U stelde echter geheel niet te weten waar u door de F. militairen werd gevat noch waar de basis gelegen was, waar u drie weken verbleef (verhoorverslag Commissariaat-generaal, p.15-p.16). U kon evenmin preciseren hoe de dorpen, gelegen rondom het kamp zouden noemen noch welke dorpen of steden u zou gepasseerd zijn toen u, in uw functie van informator naar T. ging (p.19-p.20). U stelde dat één of twee leraars jullie begeleidden en de naam van hen was u onbekend (p.16). Behalve kolonel N. kende u geen enkele persoon die de leiding had over het F.-kamp (p.19). U kon niet, zelfs niet bij benadering, zeggen hoeveel bataljons het kamp telde (p.18). U verklaarde met vijf dan wel zes of zeven personen in een tent te slapen, maar de namen van deze personen herinnerde u zich niet meer (p.19). U stelde in L. samen met kolonel N. bureaus en secretarissen te hebben bezocht. U kon echter geenszins specificeren wat voor bureaus het betrof noch wie deze secretarissen waren (p.22). De naam van de man die uw ontsnapping uit de handen van het regeringsleger heeft bewerkstelligd was u onbekend, niettegenstaande deze man u bekend was van de catch-training (p.24). Verder stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u te (
- in)L. in een cel werd opgesloten samen met Ro. (verhoorverslag, punt 42), terwijl u voor het Commissariaat-generaal stelde dat u werd opgesloten samen met B. (p.23-p.28). Verder kunnen er enige vraagtekens worden geplaatst bij uw uiteenlopende en vage verklaringen omtrent uw reis van C. naar P. (C.) en uw daaropvolgend verblijf in T. Zo stelde u aanvankelijk voor het Commissariaat-generaal dat u met een TAAG-vlucht van C. naar P. reisde (p.7), vervolgens stelde u met een bus dan wel met een auto van C. naar P. te zijn gereisd (p.8) om tenslotte vast te houden aan uw laatste verklaringen hieromtrent. U kon hoe dan ook geen enkele stad (ver)noemen die u zou gepasseerd zijn op uw route van C. naar P. noch kon u enig dorp noemen rond P. (p.8). Uw verblijf gedurende twee maanden in P., volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal van 30 april 2002 tot 30 juni 2002, liet u overigens geheel onvermeld voor de Dienst Vreemdelingenzaken (p.3-punt 42). U stelde immers voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u sinds december 2001 bij uw oom in T. (C.) verbleef en dat u op 14 februari 2002 uw studies aanvatte. Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u op 30 april 2002 van L. naar T. te zijn gereisd om u in te schrijven in de school aldaar (p.14), vervolgens naar P. te zijn gereisd, op 30 juni 2002 te zijn teruggekeerd naar T. en er vervolgens minder dan een maand verbleef (te hebben verbleven) (p.2-p.7-p.28). Er dient verder te worden opgemerkt dat u stelde op 4 augustus 2002 met de vliegtuigmaat- schappij Brussel Line, waarmee u, gezien uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (punt 41), vrijwel zeker verwijst naar SN Airlines, zonder tussenstop van L. naar België te zijn gevlogen, terwijl uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt, dat deze geen rechtstreekse vluchten inleggen vanuit L. (p.26 - zie antwoorddocument Cedoca, dd. 21 november 2002). U bent hoe dan ook niet in het bezit van enig document dat een controle van uw reisweg mogelijk zou maken. Niettegenstaande u stelde als enige taal het P. te kennen en u zich ook dagelijks in deze taal uitdrukte, verzocht u meermaals om herhaling van de aan u gestelde vragen. Volgens de tolk werden uw antwoorden eveneens gekenmerkt door verschillende grammaticale fouten. XIV-13.235-3/11 Nadat u werd geconfronteerd met bovenstaande vaststellingen stelde u dat het accent verschillend was, maar tevens verbaasd te zijn omdat het de eerste keer was dat u hoorde dat u grammaticale fouten zou maken in de P. taal (p.9). Nadat u op het einde van het verhoor tot tweemaal toe werd gevraagd of u nog iets wenste toe te voegen, stelde u het P. niet goed te verstaan (p.30), wat merkwaardig blijft gezien het feit dat dit uw moedertaal is. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u persoonlijk doorheen het verhoor geen melding heeft gemaakt van eventuele (ver)taalproblemen, niettegenstaande u bij de aanvang van het verhoor expliciet werd gevraagd eventuele problemen met de tolk te melden. Op de door u naar het Commissariaat-generaal, op 20 november 2002, gefaxte identiteits- kaart (afgeleverd op 24 juni 2002) staat verder vermeld dat u in de wijk 4 de Fevereiro te C. woonde, terwijl u zelf voor het Commissariaat-generaal verklaarde, in de wijk 1 mei te hebben gewoond (p. 12). Ook voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw verzoekschrift ter instelling van een dringend beroep stelde u in de wijk 1 mei te wonen (punt 11). Verder is het merkwaardig dat u op 20 november een fax heb doorgestuurd waaruit tevens blijkt dat u in het bezit bent van uw originele identiteitskaart, terwijl u zowel voor de Dienst Vreemdelingenza- ken als voor het Commissariaat-generaal stelde dat deze in beslag werd genomen bij uw arrestatie door de XXX politie (DVZ, punt 20 - CGVS, p.21). Gezien bovenstaande vaststellingen met betrekking tot uw verblijf in een kamp van het F. waar u uw lidkaart van het F. zou hebben ontvangen, kan ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van deze kaart. Hoe dan ook is deze lidkaart ongedateerd en is het bijgevolg niet mogelijk na te gaan wanneer u deze zou ontvangen hebben. Daarenboven verklaarde u geboren te zijn op 1 juni 1985, zoals tevens genoteerd staat op uw lidkaart van de F. en uw identiteitskaart, en bijgevolg minderjarig te zijn. Uit een botonderzoek, uitgevoerd door het Universitair ziekenhuis van Antwerpen blijkt echter dat uw leeftijd minstens 19 jaar bedraagt (zie attest Universitair Ziekenhuis Antwerpen, dd. 21 augustus 2002). Uw verzoekschrift ter instelling van een dringend beroep bevat tenslotte geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoeker een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Schending van artikel 22 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Aangezien artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 bepaalt: §2. De vreemdeling, bedoeld in de artikelen 50 en 51, dient onherroepelijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van de in de vorige paragraaf bedoelde aanvraag de hulp van een tolk nodig heeft. Verzoeker heeft volgens de bepalingen van opgemeld (voormeld) artikel te kennen gegeven dat hij de hulp van een tolk nodig heeft; Verzoeker is afkomstig van XXX en diens moedertaal is het P.; Aldus werd voor verzoeker een tolk P. aangesteld dewelke het Europees P. machtig is; Dat uit de bestreden beslissing blijkt dat klaarblijkelijk een probleem is ontstaan met betrekking tot de vertaling tijdens de hoorzitting; Dat wordt gesteld dat meermaals om herhaling (werd gevraagd) van de aan verzoeker gestelde vragen en dat volgens de tolk de antwoorden eveneens gekenmerkt worden door verschillende grammaticale fouten; Dat verzoeker terecht antwoordt dat hij een andere vorm van P. spreekt waardoor de moeilijkheden betreffende de vertaling zich voordoen; Aangezien echter de Commissaris-generaal zich in de bestreden beslissing beroept op gegevens welke niet eigen zijn aan het asielrelaas van verzoeker en de door hem aangehaalde feiten; Dat de Commissaris-generaal zich beroept op de ongesolliciteerde mening van een tolk dewelke meent elementen te moeten toevoegen aan het dossier; Dat immers uit de mening van de tolk, rechtstreeks gevolgen worden getrokken door de Commissaris-generaal; Dat deze tot de beslissing dient te komen op basis van het feitenrelaas van verzoeker en op basis van de objectieve elementen van het dossier; Dat de mening van een tolk dewelke aan verzoeker bijstand dient te verlenen, geen objectief element kan uitmaken op basis waarvan de beslissing kan worden genomen en deze beslissing daarom reeds onwettelijk (onwettig) is; Dat, indien er twijfel zou bestaan omtrent de moedertaal van verzoeker en aldus aan (over) de identiteit en de afkomst van verzoeker, een deskundige dient te worden aangesteld dewelke XIV-13.235-4/11 uitsluitsel kan geven omtrent de moedertaal van verzoeker en dit door middel van een taalonderzoek; Dat bij gebreke aan verder onderzoek dienaangaande de Commissaris-generaal dit element niet in zijn overwegingen kan opnemen zonder schending van de beginselen van behoorlijk bestuur; Dat de taak van de tolk er zich toe beperkt getrouw(elijk) de gezegden te vertolken, welke aan personen die verschillende talen spreken, moeten overgezegd worden; Dat de tolk in deze manifest de hem opgedragen taak heeft overschreden door zelf een aantal elementen toe te voegen aan de gezegden van verzoeker; Dat indien de tolk zich niet aan zijn taakomschrijving houdt en rechtsfeiten aandraagt dewelke door de desbetreffende overheid worden overgenomen, de bepalingen van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 worden geschonden; Dat immers in dit artikel wordt bepaald dat verzoeker beroep kan doen op de hulp van een tolk bij het onderzoek naar zijn asielaanvraag; Dat deze hulp er louter in bestaat de gezegden getrouw(elijk) te vertalen; Dat de hulp van de tolk er niet in kan bestaan zelf subjectieve elementen toe te voegen aan het dossier, zonder dat dit een schending uitmaakt van opgemelde (voormelde) rechtsregels”; 2.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin-genwet), van artikel 22 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij wet van 25 november 1991, en van “de beginselen van behoorlijk bestuur”; dat verzoeker aanvoert dat hij het P. van XXX spreekt en dat hij werd bijgestaan door een tolk die Europees Portugees sprak, dat er zich daarom moeilijkheden voordeden in de vertaling van verzoekers verklaringen; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich steunt op de mening van de tolk om te twijfelen aan de kennis van zijn P., en dat bij twijfel een deskundigenonderzoek had moeten worden uitgevoerd; Overwegende dat verzoeker de schending van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet uiteenzet, en dat hij niet aanduidt wat bedoeld wordt met “de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur”; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat wat de ingeroepen schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet betreft in de bestreden beslissing het volgende wordt overwogen: “Niettegenstaande u stelde als enige taal het Portugees te kennen en u zich ook dagelijks in deze taal uitdrukte, verzocht u meermaals om herhaling van de aan u gestelde vragen. Volgens de tolk werden uw antwoorden eveneens gekenmerkt door verschillende grammaticale fouten. Nadat u werd geconfronteerd met bovenstaande vaststellingen stelde u dat het accent verschillend was, maar tevens verbaasd te zijn omdat het de eerste keer was dat u hoorde dat u grammaticale fouten zou maken in de P. taal (p.9). Nadat u op het einde van het verhoor tot tweemaal toe werd gevraagd of u nog iets wenste toe te voegen, stelde u het P. niet goed te verstaan (p.30), wat merkwaardig blijft gezien het feit dat dit uw moedertaal is. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u persoonlijk doorheen het verhoor geen melding heeft gemaakt van XIV-13.235-5/11 eventuele (ver)taalproblemen, niettegenstaande u bij de aanvang van het verhoor expliciet werd gevraagd eventuele problemen met de tolk te melden.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker heeft verzocht om de bijstand van een tolk P.; dat verzoeker zowel bij de Dienst Vreemdelingenza- ken als bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd bijgestaan door een tolk P.; dat verzoeker tijdens het verhoor geen opmerkingen heeft gemaakt; dat uit het uitgebreid verhoorverslag niet blijkt dat er zich problemen hebben voorgedaan, dat enkel wat voorafgaat werd vermeld; dat naast de opmerkingen over het taalgebruik van verzoeker in de bestreden beslissing, tevens wordt overwogen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is omdat “vage en incoherente verklaringen doorheen uw (verzoekers) asielrelaas, (...) het niet aannemelijk (maken) dat u uw (hij zijn) land van herkomst ontvlucht bent (
- is)omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie”; dat er geen aanleiding is om een onderzoeksmaatregel te bevelen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoeker een tweede en een derde middel aanvoert, die als volgt luiden: “Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel Aangezien uit de bestreden beslissing ontegensprekelijk blijkt dat er (een) problemen zijn gerezen met betrekking tot de vertaling tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal; Dat deze problemen ontstaan door het verschil tussen het XXX en klassiek Europees Portugees; Dat het onzorgvuldig en zelfs onzinnig is dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat deze problematiek volledig wordt aangerekend aan verzoeker en waarbij wordt gesteld dat de problemen van vertaling merkwaardig zijn “gezien het feit dat dit uw (ie. Verzoeker) moedertaal is”; Dat deze motivering dient bij te dragen aan het beweerdelijk bedrieglijk karakter van de asielaanvraag; Dat immers tegenstrijdigheden worden weerhouden in het asielrelaas, tegenstrijdigheden welke grotendeels herleidbaar zijn tot de gebrekkige vertaling; Dat echter wordt gesteld dat verzoeker geen melding heeft gemaakt van eventuele taalproblemen, niettegenstaande hij bij de aanvang van het verhoor expliciet werd gevraagd eventuele problemen met de tolk te melden; Dat echter de Commissaris-generaal veronachtzaamt dat verzoeker minderjarig is en het van de overheid in redelijkheid kan worden verwacht dat met de leeftijd van verzoeker rekening wordt gehouden; Dat het voor een minderjarige bijzonder moeilijk is zijn rechten te laten gelden en verzoeker in deze louter de procedure heeft doorstaan om geen problemen betreffende zijn asielprocedure te veroorzaken; Dat echter de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de minderjarigheid van verzoeker hetgeen hij echter behoorde te doen; Dat de Commissaris-generaal, wanneer deze vaststelde dat zich daadwerkelijk problemen met de vertaling voordeden, de hoorzitting had dienen te schorsen en een tolk had dienen aan te stellen welke het XXX-Portugees beheerst; Dat de minderjarige leeftijd van verzoeker dit rechtvaardigt en zelfs vereist overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. 3. Schending van het redelijkheidsbeginsel Dat in de bestreden beslissing wordt gewezen op een groot aantal tegenstrijdigheden in het asielrelaas waardoor wordt besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; Dat echter tevens problemen met de vertaling worden vastgesteld; Dat in redelijkheid van het bestuur kan worden verwacht, rekening houdende met de minderjarigheid van verzoeker, dat het grote aantal tegenstrijdigheden niet louter kan worden beoordeeld als zijnde bedrog uitgaande van verzoeker; XIV-13.235-6/11 Te meer omdat er in de bestreden beslissing gewag wordt gemaakt van vertalingsproble- men; Dat in redelijkheid de Commissaris-generaal niet kon oordelen, dat het louter verzoeker is die schuld heeft aan de vertalingsproblemen en aldus niet in redelijkheid kon beslissen dat tegenstrijdigheden bestaan in het relaas van verzoeker die enkel en alleen worden ingegeven door de vertalingsproblematiek; Dat de Commissaris-generaal bij de vaststelling van de vertalingsproblemen in redelijkheid had dienen te overwegen dat er een groot aantal tegenstrijdigheden werden vastgesteld en in redelijkheid had dienen te overwegen of deze tegenstrijdigheden niet het gevolg zijn van de gebrekkige vertaling; Dat aldus het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden”; Overwegende dat verzoeker in een tweede en derde middel samengenomen de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel omdat de vastgestelde tegenstrijdigheden in zijn asielrelaas te wijten zijn aan de gebrekkige vertaling van zijn verklaringen, omdat er tijdens het verhoor bij het Commissariaat-generaal problemen zijn gerezen die te wijten zijn aan het verschil tussen het XXX Portugees en het Europees Portugees, en omdat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoeker minderjarig is en een minderjarige zijn rechten tijdens de procedure slechts moeilijk kan laten gelden; Overwegende dat verzoeker nalaat aan te duiden welke verklaringen foutief of onnauwkeurig zijn vertaald en op welke punten zijn relaas werd aangetast door de beweerde gebrekkige vertaling door de tolk; dat verzoeker bijgevolg niet met concrete elementen aantoont dat zijn verklaringen foutief werden vertaald; dat verzoeker in het vierde middel probeert één tegenstrijdigheid, betreffende zijn adres, te weerleggen; dat de overige uiteenlopende en vage verklaringen in de verzoekschriften niet worden weerlegd of verantwoord, met name de incoherente verklaringen omtrent zijn lidmaatschap van het F., omtrent zijn reis van C. naar P. en zijn daaropvolgend verblijf in T., zijn reisweg en zijn verklaringen inzake de vliegtuigmaatschappij waarmee hij naar België zou zijn gereisd; Overwegende dat in de bestreden beslissing inzake de beweerde minderjarigheid van verzoeker wordt vastgesteld dat “Uit een botonderzoek, uitgevoerd door het Universitair ziekenhuis van Antwerpen (...) echter (blijkt) dat uw (zijn) leeftijd minstens 19 jaar bedraagt (zie attest Universitair Ziekenhuis Antwerpen, dd. 21 augustus 2002).”; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker tijdens de procedure zijn rechten heeft kunnen laten gelden; dat hij op de Dienst Vreemdelingenzaken zijn asielrelaas heeft kunnen uiteenzetten; dat hij de mogelijkheid heeft benut om zijn asielmotieven schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal en dat hij werd uitgenodigd voor een interview op voornoemd Commissariaat; dat het verhoorverslag van dit laatste interview dertig handge- schreven pagina’s telt; dat verzoeker ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om zijn asielmotieven omstandig uiteen te zetten en om eventueel aanvullende stukken neer te leggen; dat de Commissaris-generaal derhalve niet kan worden ten grieve geduid dat hij onzorgvuldig is tewerk gegaan; XIV-13.235-7/11 Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet de mogelijkheid heeft een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat hij zich in het kader van voornoemd artikel een beeld dient te vormen over de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring; dat hij hiertoe alle gegevens onderzoekt die hij nodig acht om tot zijn beslissing te komen; dat uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker incoherente verklaringen heeft afgelegd; dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat in een eerste deel de feiten nauwkeurig worden weergegeven, die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van verzoeker tijdens zijn verhoor, en dat in een tweede deel de verklaringen van verzoeker op objectieve wijze worden onderzocht in de globale context van zijn asielaanvraag; dat dit zorgvuldig onderzoek de Commissaris-generaal ertoe heeft gebracht te besluiten dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is en dit om de motieven vermeld in de bestreden beslissing; dat deze motieven worden geconcretiseerd en gestaafd door een aantal precieze voorbeelden en dat de juistheid en de pertinentie ervan niet worden weerlegd door verzoeker; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris-generaal het redelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden; dat het tweede en het derde middel ongegrond zijn; 2.3. Overwegende dat verzoeker een vierde middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van artikel 57/6 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Aangezien alle administratieve beslissingen met redenen (dienen) te worden omkleed (artikel 62 van de Wet van 15 december 1980); Dat deze motiveringsplicht verzoeker moet toelaten de redenen te begrijpen die aan de grondslag liggen van de genomen beslissing; Dat de motiveringsplicht ook geldt ten aanzien van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 57/7 van de Wet van 15 december 1980; Aangezien in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de tegenstrijdigheden in het asielrelaas waarbij onder meer wordt verwezen naar de omstandigheid dat op de identiteits- kaart van verzoeker staat vermeld dat (hij) in de wijk '4 de fevereiro' woonde doch op de hoorzitting verklaarde dat hij in de wijk Dat hieruit de bedrieglijkheid aangaande de minderjarige leeftijd wordt afgeleid aangezien een botscan zou hebben aangetoond dat verzoeker minstens 19 jaar oud is; De identiteitskaart van verzoeker vermeldt de werkelijke geboortedatum van verzoeker, zijnde 1 juni 1985; Dat echter de oom van verzoeker 2 huizen heeft in L. en verzoeker in beide huizen verbleef doch officieel op zijn identiteitskaart het adres in de wijk '4 de fevereiro' (wordt vermeld); Dat dienaangaande geen tegenstrijdigheden kunnen worden vastgesteld; Dat ook ten aanzien van de overgelegde kopie van de identiteitskaart geen ernstige twijfel kan bestaan en deze ontegensprekelijk de minderjarige leeftijd van verzoeker staaft; Dat door eenvoudige navraag bij de consulaire diensten van XXX eenvoudig kan worden vastgesteld of de identiteitskaart daadwerkelijk werd afgeleverd aan verzoeker; Dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een groot aantal tegenstrijdigheden; Dat echter geen rekening wordt gehouden met de minderjarige leeftijd van verzoeker en de traumatiserende gevolgen van de vervolgingen in de zin van de Conventie van Genève welke verzoeker reeds op jeugdige leeftijd heeft doorstaan; Dat dienaangaande geen overwegingen worden gemaakt door de Commissaris-generaal; Dat (door) de Commissaris-generaal uit de tegenstrijdigheden louter de bedrieglijkheid van de aanvraag afleidt zonder overwegingen te maken ten aanzien van de vertalingsproblemen dewelke zich tijdens het verhoor voordeden, zonder de minderjarigheid van verzoeker in overweging te nemen en zonder (
- te)overwegingen te maken aangaande de graad van getraumatiseerdheid van verzoeker; XIV-13.235-8/11 Door de vaststelling dat de overwegingen van de beslissing tegenstrijdig zijn, schendt de bestreden beslissing de motiveringsverplichting zoals vervat in de in dit artikel opgegeven wetsartikelen;” Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 57/6 en 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; dat hij aanvoert dat de tegenstrijdigheid inzake zijn adres verklaard kan worden door het feit dat hij verbleven heeft in de twee huizen van zijn oom, en dat er over zijn leeftijd geen twijfel kan bestaan gelet op de geboortedatum die op zijn identiteitskaart wordt vermeld; dat hij aanvoert dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met zijn jeugdige leeftijd en zijn traumatische toestand en dat daarom de motiveringplicht wordt geschonden; Overwegende dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de ontvankelijkheidsfase; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiverings- plicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiverings- plicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag kan onontvankelijk verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing XIV-13.235-9/11 onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van volgende overwegingen: - verzoeker legde vage en onvolledige verklaringen af met betrekking tot zijn gedwongen verblijf in het F. kamp: hij wist niet waar hij werd gevat door de militairen en hij wist niet waar het kamp lag, hij kon niet preciseren welke dorpen ze voorbij gingen en welke dorpen in de buurt lagen van het kamp, hij kon niet zeggen hoeveel bataljons het kamp telde, hij kende geen namen van de personen die met hem in de tent sliepen, hij kon niet specifiëren welke kantoren en welke secretarissen ze hadden bezocht, hij kende de naam niet van de persoon die hem hielp ontsnappen hoewel hij deze persoon kende van de catch-training, en hij gaf verschillende namen voor de persoon met wie hij samen gevangen zat; - verzoeker legde uiteenlopende verklaringen af met betrekking tot zijn reis van C. naar P. en zijn daaropvolgend verblijf in T.: hij maakte telkens melding van andere vervoermiddelen voor deze reis (vliegtuig, bus of auto), hij kon geen stad noemen op deze route en hij kon geen dorp noemen rond P. Het verblijf in P. heeft hij niet vermeld op de Dienst Vreemdelingenzaken; - verzoeker verklaarde zonder tussenstop met de luchtvaartmaatschappij “Brussel Line” naar België te zijn gekomen, waarmee hij vrijwel zeker verwijst naar “SN Airlines”, terwijl deze luchtvaartmaatschappij geen rechtstreekse vluchten van L. naar Brussel inlegt. Verzoeker is niet in het bezit van enig document dat controle op zijn reisweg mogelijk maakt; - verzoeker stelde het P. te kennen maar verzocht meermaals om herhaling van de gestelde vragen, volgens de tolk maakte verzoeker verschillende grammaticale fouten, en op het einde van het verhoor stelde verzoeker het P. niet goed te verstaan, wat merkwaardig is gezien het feit dat dit verzoekers moedertaal is. Tijdens het verhoor heeft verzoeker geen melding gemaakt van eventuele taalproblemen; - op de gefaxte identiteitskaart staat vermeld dat verzoeker in de wijk “4 de Fevereiro” woont, terwijl verzoeker zelf verklaard heeft in de wijk “1 mei” te wonen; - het is merkwaardig dat verzoeker in het bezit blijkt te zijn van zijn originele identiteitskaart, terwijl hij heeft verklaard dat deze in beslag werd genomen bij zijn arrestatie; - er kan ernstig worden getwijfeld aan de authenticiteit van zijn lidkaart van het F.; - verzoeker verklaarde geboren te zijn op 1 januari 1985 en bijgevolg minderjarig te zijn, terwijl een botscan heeft uitgewezen dat zijn leeftijd minstens 19 jaar bedraagt op het tijdstip van de bestreden beslissing; Overwegende dat de uitleg van verzoeker dat zijn oom twee woningen heeft en dat verzoeker in beide woningen verbleef, de vaststelling van de Commissaris- generaal dat verzoeker een ander adres opgaf dan datgene vermeld op zijn identiteitskaart, niet weerlegt; dat wat de leeftijd van verzoeker betreft, wordt verwezen naar de analyse van het tweede en derde middel; dat elke asielzoeker onder een zekere psychische druk staat wegens de ervaringen die hij of zij heeft meegemaakt, maar dat toch kan worden verwacht dat de essentie van het asielrelaas op coherente wijze wordt uiteengezet; dat de beslissing steunt op motieven die ter zake dienend, pertinent en draagkrachtig zijn; dat de motiveringsplicht niet werd geschonden; dat het vierde middel ongegrond is; XIV-13.235-10/11 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-13.235-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div