← België

Arrest 136015 - - 13/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.015 Rolnummer: A. 146164/XIV-18304 Zaak: Arrest 136015 - - 13/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 11:21 Fiche Arrest nr 136.015 van 13 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.015 van 13 oktober 2004 in de zaak A. 146.164/XIV-18.304. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 4 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 november 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 5 december 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; XIV-18.304-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 13 oktober 2003 en verklaart zich vluchteling op 14 oktober 2003. 1.2. Op 21 oktober 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 27 november 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart de XXX nationaliteit te bezitten, beweert afkomstig te zijn uit S. en geboren te zijn in 1985. U verklaart steeds in het dorp Z. gewoond te hebben tot aan uw vertrek uit het land. U verklaart dat uw vader handelaar was en land bezat. Hij zou vijf maanden geleden gedood zijn door de mannen van commandant G. omdat er een oude vete met hem was en omdat uw vader veel land bezat. Twee of tweeëneenhalve maand geleden zouden deze vijanden naar u thuis gekomen zijn om u te doden. Uw moeder zei dat u niet thuis was en nadat ze vertrokken waren dook u onder bij uw oom, D. U verbleef 10 of 15 dagen bij hem, maar uw oom vreesde zelf vermoord te worden en vroeg u de streek te verlaten. U ging drie maanden en tien dagen geleden via J. naar Q., waar u drie dagen over deed. U vertrok onmiddellijk naar I., waar u acht dagen verbleef en reed dan in een truck naar Turkije, waar u een maand verbleef. Van daar reisde u verder naar België, waar u zich op 14 oktober 2003 vluchteling verklaarde. B. Motivering U kan in dringend beroep niet aannemelijk maken dat u uw land van herkomst heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals begrepen onder de Conventie van Genève. Uw verklaringen doen twijfelen aan uw beweerde recente vertrek uit XXX. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt immers dat de door u verstrekte gegevens niet correct zijn. Kopieën van de informatie waarop het Commissariaat-generaal zich beroept zijn bij het administratief dossier gevoegd. Vooreerst blijkt dat uw kennis van de XXX kalender ondermaats is: op de vraag naar het huidige jaartal, antwoordt u dat het misschien 1313 is, maar dat u hier geen opleiding voor kreeg en vervolgens vraagt u aan de tolk om het huidige jaartal op te geven. Het huidige XXX XIV-18.304-2/7 jaartal is echter 1382 (Gehoorverslag CGVS, p. 2). Op de vraag naar het aantal seizoenen stelt u dat er twee seizoenen zijn, maar in realiteit zijn er vier seizoenen (Gehoorverslag CGVS, p. 2). Op de vraag naar de namen van de maanden stelt u dat u niet naar school ging, dat u er enkele kent maar in het algemeen ze niet kent (Gehoorverslag CGVS, p. 2). U stelt dat het nieuwe XXX jaar nu al een maand bezig is, dit zou dus met andere woorden betekenen dat het al in oktober zou zijn begonnen en u weet vervolgens niet hoe dit 'Nieuwjaar' noemt (Gehoorverslag CGVS, p. 2). Er dient te worden opgemerkt dat N., het XXX nieuwjaar, valt op 21 maart. Ook uw geografische kennis laat te wensen over. Behalve uw eigen provincie, N., slaagt u er enkel in K. als XXX provincie te benoemen. Verder beweert u dat ook T. een XXX provincie is, doch dit is niet correct. Op de vraag wat de hoofdplaats is van uw provincie, stelt u dat dit K. is, maar de hoofdplaats van N. is J. (Gehoorverslag CGVS, p. 3). U weet niet wat de omliggende districten rond uw district zijn. Het is verder uiterst bevreemdend in de XXX context dat u niet weet tot welke partij G. behoort, a fortiori wanneer u beweert door zijn mannen vervolgd te worden (Gehoorverslag p. 6). Op de vraag of u naast de T. geen enkele andere partijnaam kent, antwoordt u dat u enkel G. kent. Op de vraag of dit de naam van een partij is, stelt u dat u zijn partijnaam niet kent omdat u er geen lid van was (Gehoorverslag CGVS, p. 6). Men hoeft echter geen lid te zijn van een partij om de partijnaam ervan te kennen. Een dergelijk manifest gebrek aan essentiële basiskennis van het land waaruit u recentelijk beweert vertrokken te zijn is onaanvaardbaar. Bovendien is er sprake van tegenstrijdigheden. U verklaart voor de Dienst Vreemdelingen- zaken dat de mannen van G. een halve maand na de moord op u(

  1. w)vader u thuis kwamen zoeken (Gehoorverslag DVZ, p. 12). Op het Commissariaat-generaal stelde u nochtans dat het twee maanden of twee maanden en een half later was dat zijn mannen u kwamen opzoeken (Gehoorverslag CGVS, p. 8). U herhaalt verder nogmaals dat het ongeveer twee of twee maanden en een half na de moord op uw vader was dat ze kwamen (Gehoorverslag CGVS, p. 9). U poneert voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u bij uw oom, D., gedurende dertig tot veertig dagen onderdook (Gehoorverslag DVZ, p. 12). Voor het Commissariaat-generaal zwakt u dit aantal dagen plots af tot tien à vijftien dagen (Gehoorverslag CGVS, p. 8). U herhaalt tot tweemaal toe dat u tien tot vijftien dagen bij hem onderdook (Gehoorverslag CGVS, pp. 8-9). Ter staving van uw asielaanvraag legt u een kopie van een identiteitskaart voor. Gezien bovenstaande observaties vermag dit door u neergelegde document niet de appreciatie van uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen vermits het geen nieuwe elementen aan uw asielaanvraag toevoegt. Hogervermelde lacunes, tegenstrijdigheden en ongerijmdheden stellen uw relaas in een bedrieglijk daglicht. In de mate dat geen geloof kan gehecht worden aan uw recent verblijf in XXX, kan geen geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas dat zich afspeelt in XXX. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken.”. 2. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel en tweede middel samengenomen de schending aanvoert van het redelijkheids - en het zorgvuldigheidsbeginsel, de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingen- wet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); XIV-18.304-3/7 2.1. Overwegende dat verzoeker niet aantoont hoe en waarom de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet werden geschonden, zodat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoeker niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit zijn middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt worden onderzocht; 2.2. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals zijn of vervalst zijn; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen in casu heeft vastgesteld dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; dat hij tevens opmerkt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelin-genconventie; dat de Commissaris-generaal overweegt dat “in de mate dat geen geloof kan gehecht worden aan uw (verzoekers) recent(
  2. e)verblijf in XXX, (...) geen geloof kan worden gehecht aan uw (verzoekers) vluchtrelaas dat zich afspeelt in XXX”; dat de Commissaris-generaal zich hierbij steunt op de motieven die uitgebreid worden weergegeven onder punt 1.3. van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - verzoekers verklaringen roepen twijfels op betreffende zijn beweerde recente vertrek uit XXX. Het manifest gebrek aan essentiële basiskennis van de XXX kalender, geografie en politiek van het land waaruit hij beweert recent vertrokken te zijn, is onaanvaardbaar; - verzoekers verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal met betrekking tot de tijdspanne waarin hij bezoek kreeg van de mannen van G. en met betrekking tot de termijn dat hij onderdook, zijn tegenstrijdig; - de door verzoeker neergelegde identiteitskaart kan de appreciatie van zijn asielaanvraag niet in positieve zin ombuigen; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker vooreerst aanvoert dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van zijn beslissing geen rekening XIV-18.304-4/7 heeft gehouden met vijf elementen die zijn beperkte geografische en politieke kennis kunnen verklaren namelijk zijn gebrek aan enige vorm van opleiding, zijn zeer jeugdige leeftijd (“amper achttien jaar”), het beschermd en afgelegen milieu dat hij nooit verliet, de politieke toestand waardoor hij het land niet kon leren kennen, en zijn dialect dat niet goed werd begrepen door de tolk die het D. beheerste; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris- generaal in het kader van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van verzoekers asielaan- vraag aan laatstgenoemde een aantal elementaire vragen heeft gesteld over de XXX kalender, de geografie en de (lokale en nationale) politieke toestand van XXX; dat de kennisvragen die aan verzoeker werden gesteld eenvoudig waren zodat hij redelijkerwijze in staat mocht worden geacht ze correct te beantwoorden, ongeacht zijn opleidingsniveau en leefwereld; dat van een achttienjarige redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het huidige jaartal kent en het aantal seizoenen in zijn land van herkomst; dat de Commissaris-generaal op grond van zijn vaststellingen terzake terecht kon twijfelen aan verzoekers bewering recent uit XXX vertrokken te zijn; dat de Commissaris-generaal immers opmerkt dat het om essentiële basiskennis gaat; dat hij verder stelt dat “in de mate dat geen geloof kan gehecht worden aan uw (verzoekers) recent(
  3. e)verblijf in XXX, (...) geen geloof kan worden gehecht aan uw (verzoekers) vluchtrelaas dat zich afspeelt in XXX”; dat verzoeker niet aantoont dat de conclusie van de Commissaris-generaal onjuist is; dat verzoekers grief in verband met het vertaalwerk feitelijke grondslag mist daar uit de verhoorverslagen van de Dienst Vreemdeling- enzaken en van het Commissariaat-generaal blijkt dat hij werd bijgestaan door een tolk die het P. beheerste; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker geen opmerkingen heeft gemaakt over problemen met de tolk of over het vertaalwerk, dit terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had, vermits hem zijn verklaringen op het einde van het interview werden voorgelezen; dat verzoeker bovendien, door zijn handtekening, bevestigde dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd; dat hij evenmin op het Commissariaat-generaal gewag heeft gemaakt van eventuele vertaalproblemen; dat hem daar bovendien de vraag werd gesteld of hij de tolk begreep, waarop hij bevestigend antwoordde (verhoorverslag CGVS, p. 1); dat verzoekers argument dat de tolk slechts zestig tot zeventig procent van zijn asielrelaas heeft verstaan, niet wordt gestaafd en evenmin steun vindt in de verhoorverslagen; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker vervolgens de motieven van de bestreden beslissing aanvecht, waarbij hij zijn onwetendheid nogmaals wijt aan zijn beperkte scholing, zijn afgezonderd bestaan of aan een slechte vertaling; dat hij aanvoert dat zijn onwetendheid over bepaalde zaken (het aantal seizoenen, de maanden, nieuwjaar...) niet bewijst dat hij niet van XXX afkomst zou zijn; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal niet twijfelt aan verzoekers afkomst als dusdanig maar wel aan diens XIV-18.304-5/7 beweerde recente verblijf in XXX; dat verzoeker enkel de vaststellingen van de Commissaris- generaal ontkent of herinterpreteert, zonder de motieven die steun vinden in het administratief dossier te ontkrachten; dat het niet aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoe- zicht, toekomt om de feiten opnieuw te beoordelen zoals een rechter in hoger beroep; dat wat verzoekers argumenten betreft over zijn gebrek aan scholing, zijn leven in afzondering en het vertaalwerk wordt verwezen naar de analyse onder punt 2.2.1. van huidig arrest; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker ten slotte aanvoert dat het feit “dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, (...) een schending uit(maakt) van de boven vermelde wetsartikelen”; dat een dergelijk motief niet is terug te vinden in de bestreden beslissing, zodat dit argument van verzoeker een stijlformule is, die in bijna alle verzoekschriften ingediend door Advocaat F. LANDUYT voorkomt; dat een dergelijk argument geen ontvankelijk onderdeel van een middel uitmaakt omdat dit motief berust op een foutieve lezing van de bestreden beslissing, lezing die haaks staat op verzoekschriften die met de nodige ernst worden ingediend bij de Raad van State; dat de tijd meer dan rijp is om een dergelijke stijlformule weg te laten uit de ingediende verzoekschriften; 3. Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat hij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat zowel uit het administratief dossier als uit de bestreden beslissing blijkt dat de asielaanvraag van verzoeker uiterst zorgvuldig werd behandeld door de Commissaris-generaal; dat de Commissaris- generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat de aangevoerde bepalingen en beginselen niet werden geschonden; dat het eerste en tweede middel samengenomen, ongegrond zijn; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. XIV-18.304-6/7 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-18.304-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.