id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.024 Rolnummer: A. 63878/XII-2340 Zaak: Arrest 136024 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:24 Fiche Arrest nr 136.024 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.024 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 63.878/XII-
- In zake : Norbert WINCKEL, wonende te Schoten, Ridder Walter Van Havrelaan 111 bus 6 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Norbert Winckel op 30 mei 1995 heeft ingediend om, eensdeels, de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 maart 1995 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij hem twee vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen worden geweigerd en, anderdeels, het bestuur de verplichting te horen opleggen hem de gevraagde vergunning(en) te verlenen, op straffe van verbeuring van een dwangsom; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 16 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2340-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie en het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van adjunct-adviseur C. De Fré, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoeker zaakvoerder is van de wapenhandel BVBA Inimex te Schoten; dat hij in een schrijven van 8 november 1994 aan de gouverneur van de provincie Antwerpen een vergunning aanvraagt tot het dragen van twee verweervuurwapens; dat hij als reden opgeeft : “Te dragen door ondergetekende bij het vervoeren, dragen en of begeleiden van waarden en/of wapens, en/of tijdens andere verplaatsingen welke hiermede in verband kunnen gebracht worden. Om o.a. te vermijden dat wapens voortdurend dienen in- en uitgepakt en/of ontladen dienen worden in het zicht van mogelijk publiek en mogelijk in wagens zouden dienen moeten achtergelaten worden, zou U ons ten zeerste verplichten geen beperkende modaliteiten te vermelden in de vergunning(en)”; dat verzoeker op 31 januari 1995 twee aanvraagformulieren verstuurt voor het verkrijgen van de gevraagde vergunningen, waarin hij als reden voor de aanvraag het beveiligen van goederen en personen opgeeft en als omstandigheden waarin de wapens zullen worden gedragen : “O.m. bij het XII-2340-2/9 vervoeren, dragen en/of begeleiden van waarden en/of wapens en tijdens andere verplaatsingen welke hiermede in verband kunnen gebracht worden. Alsook verplaatsingen van- en naar de wapenopslag”; dat de procureur des Konings op 17 maart 1995 een ongunstig advies verstrekt aan de gouverneur, stellende dat hij altijd al een restrictief beleid heeft gevoerd inzake het afleveren van draagmachtigingen teneinde een veralgemening van de wapendracht, die volgens hem de onveiligheid alleen maar kan verhogen, te voorkomen en dat hij van oordeel is dat een uitzondering ten aanzien van wapenhandelaars niet langer aangewezen is daar wapendracht de onveiligheid niet vermindert en het beleid met betrekking tot wapens de grootste omzichtigheid vergt; dat de gouverneur bij besluit van 27 maart 1995 verzoekers aanvragen niet inwilligt op grond van volgende motivering : “Overwegende dat de reden die verzoeker inroept tot staving van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de beveiliging, als zaakvoerder van wapenhandel Inimex, van goederen en personen onder meer bij het vervoeren, dragen en/of begeleiden van waarden en/of wapens en tijdens andere verplaatsingen welke hiermede in verband kunnen gebracht worden, alsook verplaatsingen van en naar de wapenopslag; Overwegende dat het zonder meer inwilligen van verzoeken van personen die - al dan niet terecht - menen dat zij een hoger dan gemiddeld risico voor hun veiligheid lopen, op termijn kan leiden tot een veralgemening van de wapendracht; Overwegende dat het evenwichtig beoordelen van situaties die als bedreigend kunnen worden ervaren niet altijd vanzelfsprekend is en een voortdurende training vereist; Overwegende dat ondeskundig gebruik van vuurwapens grote gevaren inhoudt voor de gebruiker en voor diegenen die zich in de nabijheid bevinden; Overwegende aldus dat de veralgemening van wapendracht voor de maatschappij in zijn geheel teveel risico’s inhoudt en dat het individueel belang hieraan ondergeschikt dient te worden gemaakt; Overwegende dat er geëigende middelen ter beschikking staan van diegenen die menen dat zij aan een bijzondere bedreiging voor hun veiligheid zijn blootgesteld; Overwegende bovendien dat de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten de mogelijkheid biedt om voor de bewaking ten eigen behoeve een vergunning aan te vragen bij de Minister van Binnenlandse Zaken; XII-2340-3/9 Gelet op het ongunstig advies van de procureur des Konings te Antwerpen, ingekomen op 22 maart 1995, dat ter zake werd ingewonnen”;
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat de Raad van State niet bevoegd is om bevelen te geven aan een administratieve overheid, dat de administratieve overheid wier beslissing werd vernietigd, mits het gezag van gewijsde wordt geëerbiedigd, een nieuwe beslissing en zelfs dezelfde beslissing mag nemen, dat verzoeker niet heeft aangetoond dat het niet afleveren van de draagmachtiging hem enige schade zou veroorzaken; dat het verzoek een dwangsom op te leggen slechts ontvankelijk is op voorwaarde dat het vernietigingsarrest niet zou worden uitgevoerd en verzoeker verwerende partij heeft aangemaand tot het nemen van een nieuwe beslissing; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord niet ingaat op deze excepties; Overwegende dat de Raad van State in het kader van een annulatieberoep niet bevoegd is om rechtstreeks injuncties te geven aan een administratieve overheid; dat de gouverneur over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij het beoordelen van een aanvraag van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen en zijn bevoegdheid dus allerminst gebonden is; dat, voorts, de Raad van State enkel een dwangsom kan opleggen als verzoekende partij hierom vraagt, als het herstel van de wettigheid inhoudt dat het vernietigen van een rechtshandeling moet worden gevolgd door een nieuwe overheidsbeslissing, als minstens drie maanden zijn verstreken vanaf de kennisgeving van het vernietigingsarrest en nadat de verzoekende partij de overheid bij een ter post aangetekende brief heeft aangemaand tot het nemen van een nieuwe beslissing; dat aan die voorwaarden niet is voldaan; dat het verzoek om de overheid te verplichten de gevraagde vergunningen te verlenen en het verzoek tot oplegging van een dwangsom verworpen worden;
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de motivering van het bestreden besluit aanvecht; dat hij meent dat de motieven algemeen zijn en XII-2340-4/9 dat het aanwenden van deze motivering tegenover alle inwoners ertoe zou leiden dat er geen vergunningen tot het dragen van wapens meer zouden worden uitgereikt, dat de gouverneur zich in zijn beslissing niet kon beroepen op de gevaren van een ondeskundig gebruik van wapens aangezien hij wapenhandelaar is, reeds sinds 1979 een verweervuurwapen bezit en lid is van een schuttersvereniging, dat hem de kans niet werd geboden een test af te leggen zodat bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat er bij hem sprake is van een ondeskundig gebruik, dat de in de bestreden beslissing aangehaalde “geëigende middelen” supplementair zijn, niet altijd in een “eersterangsbeveiliging” kunnen voorzien en grote financiële uitgaven vergen; dat verzoeker voorts argumenteert dat het aanvragen van een vergunning als “beveiligingonderneming” niet wenselijk is omdat het niet in zijn bedoeling ligt beveiligingsopdrachten voor derden uit te voeren maar in persoonlijke beveiliging te voorzien, dat hij over een blanco strafblad beschikt en het negatief advies van de procureur des Konings dan ook uitsluitend steunt op het feit dat hij buitenlander is, dat de weigerings-beslissing discriminerend is, dat het weigeren van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen op basis van voorliggende motivering tot gevolg heeft dat eerzame burgers zich niet mogen beschermen; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden dat de gouverneur in de bestreden beslissing alle motieven voor het weigeren van de draagmachtiging heeft weergegeven, dat de motivering van het bestreden besluit niet algemeen is, doch toegespitst op de elementen van het dossier, dat het de bedoeling van de wetgever is om het plegen van misdrijven te voorkomen door het aanschaffen van een vuurwapen te bemoeilijken, dat de gouverneur een veralgemening van de wapendracht wenst tegen te gaan, dat de omzendbrief van 23 september 1991 van de minister van Justitie vereist dat in het aanvraagformulier niet enkel de redenen van de aanvraag worden vermeld, maar dat ook dient te worden aangetoond dat de aanvrager een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar loopt en dat het dragen van een wapen dit gevaar kan doen verminderen, dat verzoeker hiervan het bewijs niet heeft geleverd, dat de in de aanvragen aangehaalde redenen en omstandigheden bij de activiteiten van XII-2340-5/9 een bewakingsfirma horen, dat het gevaar dat voortvloeit uit een ondeskundig gebruik betrekking heeft op het inzicht van betrokkene in situaties die een bijzonder gevaar inhouden, inzicht dat in de door verzoeker aangehaalde omstandigheden van essentieel belang is, dat uit geen enkele studie of wetsbepaling blijkt dat het dragen van een wapen tijdens bijvoorbeeld verplaatsingen van en naar wapenopslagplaatsen een eersterangsbeveiliging is, dat artikel 1 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten bepaalt dat als bewakingsopdracht dient te worden beschouwd “toezicht op en bescherming bij het vervoer van goederen” en dat de omstandigheden die door verzoeker in zijn aanvraag werden aangehaald bijgevolg deel uitmaken van bewakingsopdrachten, dat de verwijzing naar de reglementering van bewakingsondernemingen niet ongepast is, dat het negatieve advies van de procureur des Konings niet op het strafrechtelijk verleden of op de nationaliteit van verzoeker berust, maar er op wijst dat een veralgemening van de wapendracht dient te worden voorkomen, dat het dragen van wapens bij het afhalen of leveren van wapens de onveiligheid enkel kan verhogen en niet langer aangewezen is; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat hij in het kader van zijn beroepsactiviteit wapentransporten dient uit te voeren tijdens dewelke hij het risico loopt overvallen te worden, dat hij enkel gedurende deze activiteit wapens wenst te dragen, dat een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen kan worden verleend voor persoonlijke verdediging en dat een dergelijke vergunning meestal wordt verleend in het kader van het beroep van betrokkene, dat hij bereid is hiervoor een test af te leggen, dat artikel 1 van de wet van 10 april 1990 niet van toepassing is aangezien deze bepaling alleen van toepassing is op “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent bestaande in de blijvende of tijdelijke levering aan derden van diensten van...” en hij een vergunning voor persoonlijke verdediging aanvraagt; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie herhaalt dat XII-2340-6/9 de motivering van de bestreden beslissing algemeen is, en daar nog aan toevoegt dat hij gedetailleerd heeft aangetoond als zaakvoerder van een gerenommeerde wapenhandel een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar te lopen, hetgeen wordt bevestigd door latere regelgeving die wapenhandelaars verplicht in zeer strenge veiligheidsinstallaties te voorzien, dat dit gevaar enkel kan worden verminderd door het dragen van een verweervuurwapen, dat de aangehaalde redenen en omstandigheden niet tot de activiteiten van een bewakingsfirma behoren en dat hij zich onmogelijk dagelijks kan laten vergezellen door een dergelijke firma; Overwegende dat noch de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, noch het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie criteria of redenen bevatten die bij het beoordelen van een aanvraag van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen in acht moeten worden genomen, zodat de gouverneur over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat het motiveringsbeginsel vereist dat voor elke administratieve rechtshandeling rechtens aanvaardbare motieven bestaan die berusten op werkelijk bestaande feiten; Overwegende dat verzoekers omschrijving van de redenen van de aanvraag en van de omstandigheden waarin de wapens zouden worden gedragen eerder vaag en algemeen is; dat meer bepaald verzoeker niet heeft aangegeven dat hij zich in een bijzondere gevaarsituatie zou bevinden en dat de risico’s zonder wapendracht niet binnen aanvaardbare grenzen kunnen worden gehouden; dat de overweging dat het zonder meer inwilligen van dergelijke aanvragen tot een veralgemening van de wapendracht kan leiden en dat deze veralgemening voor de maatschappij teveel risico’s inhoudt, in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever om de maatschappij te beschermen tegen geweld en om het risico op ongelukken te verminderen (Parl. St. Senaat, 1989- 1990, nr. 972/2, p. 2, en Parl. St. Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, p. 2); dat, voorts, het besluit niet feitelijk onjuist is of de grenzen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de gouverneur te buiten gaat door in aanmerking te nemen dat wapendracht tijdens wapentransporten niet enkel praktische XII-2340-7/9 vaardigheden vereist, maar ook morele eigenschappen en training met het oog op zelfbeheersing en beoordelings-vermogen, dat het bezit van vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen en het lidmaatschap van een schuttersvereniging hiertoe onvoldoende garantie bieden, en dat verzoeker de risico’s die met zijn beroepsactiviteit gepaard gaan kan verkleinen door een beroep te doen op een bewakingsonderneming of door het aanvragen van een vergunning voor een interne bewakingsdienst; dat, ten slotte, uit het advies van de procureur des Konings ondubbelzinnig blijkt dat het noch op het strafrechtelijk verleden van verzoeker, noch op zijn nationaliteit is gebaseerd, maar op de overweging dat een veralgemening van de wapendracht de onveiligheid verhoogt en wapendracht bij het afhalen of leveren van wapens volgens hem de onveiligheid niet vermindert; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2340-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2340-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.