← België

Arrest 136025 - - 14/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.025 Rolnummer: A. 70260/XII-2443 Zaak: Arrest 136025 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 11:25 Fiche Arrest nr 136.025 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.025 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 70.260/XII-

  1. In zake : Luc VAN DEN STEEN, wonende te Asse, Smoutberg 38 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Van den Steen op 6 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 6 juni 1996 houdende weigering van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 16 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2443-1/11 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker gerant is van een voedingswinkel te Wemmel; dat hij een verzameling verweervuurwapens bezit; dat hij op 24 oktober 1994 een vergunning tot het voorhanden hebben van een pistool FN-GP-9 mm para verkrijgt; dat hij met een schrijven van 10 september 1995 een vergunning tot het dragen van dat verweervuurwapen aanvraagt; dat hij de aanvraag als volgt beargumenteert : “Ik ondergetekende, Van den Steen Luc, gerant van een middelgrote voedingswinkel gevestigd te Wemmel, Kaasmarkt 51, 1780 met maatschappelijke zetel te Oudenaarde, 9300 . Nedereenamestraat 122 met als zaakvoerder Van Den Houtte Marnix, stel vast dat ik door mijn functie als gerant een groeiend risico loop om in aanraking te komen met inbrekers of overvallers. Van overvallen zijn wij gelukkig nog niet het slachtoffer geweest, maar andere winkels en of instellingen in de directe omgeving wel. Wij beseffen ook dat bij een overval overdag, in de winkel, het gebruik van wapens (van onze zijde) onverstandig zou zijn. Het is dan ook niet de bedoeling om een wapenvergunning te bekomen voor soortgelijke situaties. Onze firma heeft nog een familiaal karakter met het gevolg dat wij niet over de strukturen beschikken zoals grotere maatschappijen. Ik verklaar mij nader; ikzelf sta in voor de verwerking en de transporten van de omzetten. ’s Avonds na sluitingstijd (na 20.00 uur) ben ik nog belast met het verwerken van de omzetten. Deze verwerking duurt tot ongeveer 21.00 uur, maar kan ook uitlopen tot 21.30 uur en uitzonderlijk later. Het is niet ondenkbaar of onmogelijk dat een persoon welke zich, tijdens de afsluiting van de XII-2443-2/11 verkoopsruimte, ongemerkt laat opsluiten met de bedoeling mij achteraf te overvallen. Bij zulke situaties sta ik momenteel totaal machteloos, aangezien de ligging van het bureel mij geen vluchtmogelijkheden biedt. In deze situatie zou een wapen mij een groot gevoel van veiligheid geven mede daar de mogelijke indringer het bureel enkel via de trap of de lift kan bereiken. Het gebruik van de trap of de lift geeft de nodige ruchtbaarheid zodat ik juist de tijd zou hebben mij op de komst van de indringer te voorzien. Door het afvuren van een waarschuwingsschot zou de kans groot en wenselijk zijn dat de indringer het hazepad kiest. In het (niet in te denken)geval de indringer toch zou doorzetten om mij te willen beroven zou het waarschijnlijk om een zo’n stoutmoedig persoon of personen gaan welke tot ergere dingen in staat kunnen zijn, zoals dreigen of gebruiken van wapens. Ik denk dat het voor mijn gezin en familie heel erg zou zijn moest mij in zulke omstandigheden iets overkomen, daar zij weten dat ik ertoe in staat zou zijn mij op een verantwoorde wijze te verdedigen. Eind mei werden wij geconfronteerd met een inbraak in de bijgebouwen van de winkel. Ik was als eerste ter plaatse, zoals in de meeste dergelijke situaties. Door deze inbraak beseffen wij dat ik bij elke alarmmelding een groot risico loop om op inbrekers te botsen, mede door het feit dat wij onze alarminstallatie dienden om te bouwen van luid naar een stil alarm waardoor eventuele inbrekers geen alarmmelding meer kunnen vaststellen met als gevolg dat zij minder vlug zullen vluchten. Deze inbraak, waarbij de inbrekers stoutmoedig (doorsnijden van ongeveer 1200 telefoonlijnen) en zeer professioneel te werk gingen heeft onze zaakvoerder ertoe aangezet een (in bijlage) verklaring op te stellen ter staving van mijn aanvraag tot het bekomen van een draagvergunning. Nu deze laatste inbraak een paar maanden achter de rug is heb ik genoeg de tijd gehad om na te denken over het al dan niet aanvragen van een vergunning voor het dragen van een handvuurwapen. Nu ben ik tot de conclusie gekomen dat het voor mij een stuk veiliger zou zijn indien ik over een wapen kan beschikken. Ik heb hierover heel goed nagedacht , en ik meen van mezelf te mogen stellen dat ik over een voldoende zelfbeheersing en ervaring beschik om een wapen met de nodige verantwoording tot mijn beschikking te hebben bij het uitoefenen van mijn werk”; Overwegende dat bij verzoekers aanvraag een verklaring van de zaakvoerder van de voedingswinkel is gevoegd waarin onder meer wordt gesteld dat verzoeker instaat voor “het transporteren en het verwerken van de betaalmiddelen van en in de winkel naar de bank” en voor “het controleren van de winkel en zijn bijgebouwen bij een alarmmelding van de meldkamer Securis”; Overwegende dat de gouverneur bij brieven van 24 oktober 1995 aan de procureur des Konings te Brussel en aan de korpschef van de XII-2443-3/11 gemeentepolitie van Asse vraagt een onderzoek te willen instellen en een advies te verlenen over verzoekers aanvraag; dat de korpschef op 15 november 1995 een gunstig advies uitbrengt; dat hij schrijft dat verzoeker van goed zedelijk gedrag is en vertrouwd is met het gebruik van wapens maar dat de omstandigheden waarin het wapen zal worden gedragen niet kunnen worden nagegaan omdat dit zal gebeuren in de gemeente Wemmel; dat ook de procureur des Konings in zijn schrijven van 31 mei 1996 een gunstig advies uitbrengt waarin hij voorstelt de gevraagde vergunning enkel te verlenen voor het vervoeren van belangrijke geldsommen; Overwegende dat de gouverneur op 6 juni 1996 beslist de vergunning niet te verlenen; dat hij motiveert : “Gelet op de aanvraag dd. 10 september 1995 tot het verkrijgen van een wapendrachtvergunning ingediend door de heer VAN DEN STEEN Luc, geboren te Asse op 04 juni 1960, wonende te Asse- Smoutberg 38; Gelet op de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd bij de wetten van 29 juli 1934, 4 mei 1936, 6 juli 1978, 30 januari 1991, 5 augustus 1991 en 9 maart 1995; Gelet op het koninklijk Besluit van 20 september 1991, tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 januari 1993, 30 maart 1995 en 6 februari 1996; Gelet op de omzendbrief van 23 september 1991 en de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 van de heer minister van Justitie betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens, waarbij moet worden aangetoond dat aanvrager een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar loopt, dat door het dragen van een vuurwapen kan worden verminderd; Gelet op het gunstig advies van de heer korpschef van de gemeentepolitie van Asse dd. 15 november 1995; Gelet op het gunstig advies van de heer procureur des Konings van Brussel van 31 mei 1996, kenmerk PA/270-94; Gezien het verlenen van een machtiging tot wapendracht voor persoonlijke bescherming uitzonderlijk dient te blijven; Overwegende dat er tal van andere oplossingen voorhanden zijn tegen overvallen en andere criminele feiten in een handelszaak en dat het aanschaffen van een wapen voor de persoonlijke bescherming terzake een erg drastische maatregel is; XII-2443-4/11 Overwegende dat het treffen van een aantal techno-preventieve organisatorische, fysische en electronische maatregelen meer aangewezen en toereikend zijn; Gezien de aangehaalde redenen niet voldoende zwaarwegend zijn om een wapendrachtvergunning te verantwoorden”; Overwegende dat een afschrift van dit besluit bij aangetekende brief van 10 juni 1996 aan verzoeker wordt bezorgd; dat in het begeleidend schrijven onder meer het volgende wordt gesteld : “Het aanschaffen van een wapen voor de persoonlijke bescherming tegen overvallen en andere criminele feiten in uw handelszaak lijkt mij een erg drastische maatregel. De hiernavermelde alternatieve oplossingen zijn in dit geval meer aangewezen : • organische maatregelen, bijvoorbeeld het tijdig leegmaken van de kassa; • de installatie van een aantal fysische of bouwkundige en electronische maatregelen; • de installatie van een “tele-hulpsysteem”, dat een telefoontoestel via afstandsbediening kan activeren en waarbij een aantal telefoonnummers naar keuze (bv. van politie of rijkswacht) kan worden geprogrammeerd.”; Overwegende dat verzoeker zich in een eerste middel afvraagt of de termijn van minstens zeven maanden tussen de datum van aanvraag van de vergunning en het besluit tot weigering ervan redelijk is en conform artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 september 1991; dat hij zich dat na de lectuur van het auditoraatsverslag, waarin wordt voorgesteld het middel te verwerpen, niet meer afvraagt en uitdrukkelijk verklaart “Geen opmerkingen” bij het verslag te hebben; dat hij dan ook geacht wordt afstand te doen van het middel; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de motieven van het bestreden besluit betwist en stelt dat zij vaag zijn, dat er geen onderzoek ter plaatse werd ingesteld, dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de gunstige adviezen van de korpschef en van de procureur des Konings, dat hij meerdere verweervuurwapens bezit die hij regelmatig hanteert op de schietstand zodat hij over kennis, zelfbeheersing en verantwoordelijkheidszin beschikt, dat de overheid uit de argumentatie die bij zijn aanvraag was gevoegd had moeten afleiden dat hij een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend XII-2443-5/11 gevaar loopt dat door het dragen van een verweervuurwapen kan worden verminderd, gevaar dat wordt bevestigd door een tweede inbraak in de loop van de maand november, dat de alternatieven die in de begeleidende brief van 10 juni 1996 worden geformuleerd geen oplossing kunnen bieden, dat het tijdig leegmaken van de kassa het risico op een overval tijdens de openingsuren doet verminderen doch het gevaar na sluitingsuur doet toenemen omdat de buit dan groter is, dat het alarmsysteem omwille van praktische omstandigheden niet in werking kan worden gesteld tijdens zijn aanwezigheid, dat de politie en rijkswacht van Wemmel onderbemand zijn waardoor het geruime tijd duurt vooraleer zij ter plaatse zijn na een oproep of alarm, dat een KMO niet onbeperkt kan investeren in beveiligingsmaatregelen, dat een onderzoek ter plaatse vereist is om te kunnen vaststellen of er “andere oplossingen voorhanden zijn tegen overvallen en andere criminele feiten”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden dat verzoeker niet aantoont dat hij een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar loopt dat door het dragen van een verweervuurwapen kan worden verminderd, dat het uitbaten van een middelgrote voedingszaak geen beduidend groter risico vertegenwoordigt dan het uitbaten van een ander type handelszaak, dat uit de criminaliteitsgegevens niet blijkt dat dergelijke handelszaken in de betrokken regio worden geviseerd door roofovervallers of inbrekers, dat verzoeker niet woont op de plaats waar de handelszaak zich bevindt en in geval van inbraak wordt verwittigd door middel van een stil alarm zodat hij op dat ogenblik een beroep kan doen op politie en/of rijkswacht, dat verzoeker zich niet in de plaats kan stellen van deze diensten en dat hij het gevaar dat hij loopt indien hij dit wel zou doen niet kan inroepen om zijn aanvraag te staven, dat verzoeker zich voor een gerichte bewaking of beveiliging van zijn handelszaak op welbepaalde tijdstippen kan wenden tot een erkende bewakingsonderneming die bevoegd is dergelijke opdrachten uit te voeren en hiervoor over gespecialiseerd personeel beschikt, dat het voorhanden hebben van een wapen bij een overval zou kunnen leiden tot een escalatie van geweld en een gevaar inhoudt voor voorbijgangers of omstaanders, dat het bekend worden van XII-2443-6/11 het bezit van een verweervuurwapen door verzoeker ertoe zou leiden dat overvallers hierop zouden anticiperen, wat de veiligheid niet ten goede zou komen, dat het risico op een overval kan worden gereduceerd door organisatorische, bouwkundige en technopreventieve maatregelen die geen verhoogd veiligheidsrisico teweegbrengen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord ingaat op elke overweging van de memorie van antwoord; dat hij betoogt dat de aangehaalde gunstige adviezen niet enkel betrekking hebben op zijn persoonlijkheid en moraliteit aangezien ook zijn kennis met betrekking tot de praktische aspecten inzake de veiligheid en het hanteren van een verweervuurwapen werd nagegaan, dat hij met het oog op de openbare orde en veiligheid de betrokken vergunning enkel wenst voor het uitoefenen van zijn beroep na sluitingstijd, dat verwerende partij heeft nagelaten een onderzoek ter plaatse in te stellen om na te gaan welke veiligheidsmaatregelen reeds werden genomen en welk risico hij daadwerkelijk loopt, dat hij als gerant niet bevoegd is om te beslissen over investeringen inzake beveiliging of om een beroep te doen op een bewakingsonderneming, maatregel die door een zelfstandige ondernemer moeilijk te financieren is, dat de voorgestelde alternatieven onrealistisch zijn, dat zijn situatie uitzonderlijk is aangezien hij gerant van een stadswinkel is en elders woont, dat niet het feit van het uitbaten van een voedingswinkel een risico uitmaakt, maar wel de omstandigheden waarin dit gebeurt, dat er in Wemmel een groot gevoel van onveiligheid heerst en dat de onveiligheid er toeneemt als gevolg van het verschuiven van de criminaliteit; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie in hoofdzaak herhaalt wat hij reeds in zijn verzoekschrift en in zijn memorie van wederantwoord heeft uiteengezet; dat hij beklemtoont dat hij de alternatieven die door de gouverneur worden voorgesteld niet verwerpt aangezien de winkel met de nodige beveiligingsinstallaties is uitgerust, feit waarvan men zich had kunnen vergewissen als men een onderzoek ter plaatse had ingesteld, dat deze maatregelen evenwel niet altijd toereikend zijn, dat het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat elke XII-2443-7/11 aanvraag individueel wordt onderzocht, en dat het recht op zelfverdediging een recht van de mens uitmaakt; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opmerkt dat verzoeker geen verzoek tot voortzetting heeft ingediend, dat zij het recht op bescherming van het leven en van de lichamelijke integriteit niet miskent doch van oordeel is dat kan worden betwijfeld of het dragen van een vuurwapen met het oog op zelfverdediging automatisch een recht is, dat uit onderzoek blijkt dat vuurwapens geen efficiënt verdedigingsmiddel zijn tegen criminaliteit maar integendeel het risico op ongevallen doen toenemen, dat verzoekers situatie vergelijkbaar is met die van een groot aantal handelaars; Overwegende dat de laatste memorie van verzoeker tevens als het in artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde verzoek tot voortzetting van de procedure geldt; Overwegende dat in artikel 7, lid 1, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie is bepaald dat niemand een verweerwapen mag dragen “tenzij om een wettige reden en mits hij in het bezit is van een vergunning tot het dragen van een wapen verleend door de gouverneur van de provincie van de woonplaats van de verzoeker, na advies van de procureur des Konings van het arrondissement van de woonplaats van de verzoeker”; dat in artikel 15 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van die wet is bepaald dat in de aanvraag van een vergunning onder meer moet worden opgegeven : “4/ de redenen van de aanvraag, inzonderheid een omschrijving van de omstandigheden waarin het wapen zal worden gedragen”; dat niet enkel de overheid, maar ook de rechtsonderhorige zorgvuldig te werk dient te gaan; dat bijgevolg de betrokkene nauwkeurig dient uiteen te zetten waarom hij meent aanspraak te kunnen maken op de aangevraagde vergunning, en daarbij alle nuttige gegevens voor de beoordeling van zijn aanvraag moet doen kennen; XII-2443-8/11 Overwegende dat verzoeker in zijn aanvraag hoofdzakelijk als reden opgaf dat hij als gerant van een voedingswinkel belast is met de verwerking en het transport van de geldmiddelen van de winkel en dat hij na sluitingstijd een groeiend risico loopt om in aanraking te komen met inbrekers of overvallers; dat hij betoogde dat het voor hem een stuk veiliger zou zijn indien hij over een wapen kan beschikken; dat het die opgegeven redenen zijn die de overheid met het oog op haar beslissing over de aanvraag moet onderzoeken; dat verzoeker dit in de laatste memorie “te simpel” noemt; dat hij zich daarin vergist; Overwegende dat noch de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, noch het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van deze wet, criteria of voorwaarden bepalen voor het al dan niet verlenen van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen zodat de gouverneur ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de Raad van State in het kader van een annulatieberoep tegen de beslissing van de gouverneur niet in de plaats van de administratieve overheid mag oordelen over de wenselijkheid een vergunning te verlenen; dat hij wel mag nagaan of de beslissing steunt op rechtens aanvaardbare en op werkelijke feiten berustende motieven; dat de bestreden beslissing een individuele beslissing is die valt onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, zodat in principe enkel de motieven die uitdrukkelijk in de beslissing werden opgenomen in aanmerking mogen worden genomen en geen rekening wordt gehouden met motieven die voor het eerst in een begeleidend schrijven of in de memorie van antwoord worden opgegeven; dat de motieven van het bestreden besluit moeten steunen op feiten die concreet en ter zake dienend zijn en in overeenstemming zijn met de werkelijkheid; dat de overheid deze feiten met de nodige zorgvuldigheid dient te onderzoeken; Overwegende dat verzoeker in het besproken middel fundamenteel bekritiseert dat er geen onderzoek ter plaatse werd ingesteld en dat de motieven vaag en onrealistisch zijn; XII-2443-9/11 Overwegende dat een onderzoek ter plaatse geen absolute vereiste is; dat artikel 7 van de wet van 3 januari 1933 enkel voorschrijft dat het advies van de procureur des Konings wordt ingewonnen; dat in voorliggend geval bijkomend een onderzoek en een advies werd gevraagd aan de korpschef van de gemeentepolitie van Asse; dat, voorts, verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing steunt op feiten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen; dat de gevraagde vergunning werd geweigerd omdat het verlenen van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen uitzonderlijk moet blijven en omdat de opgegeven redenen onvoldoende zwaarwegend zijn; dat het eerste geheel in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever die blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie een restrictief beleid heeft gewenst teneinde de samenleving te beschermen tegen geweld en risico’s op ongelukken te verminderen; dat de overweging dat een vergunning tot wapendracht uitzonderlijk moet blijven dan ook een rechtens aanvaardbaar motief is; dat ook de overweging dat de door verzoeker opgegeven redenen onvoldoende zwaarwegend zijn, hoewel vrij algemeen en summier, de wettigheidstoets doorstaat; dat immers kan worden aangenomen dat de situatie waarin verzoeker zich bevindt geenszins zo complex, extreem en uitzonderlijk is als hij het doet voorkomen; dat er duizenden uitbaters van handelszaken zijn die na sluitingstijd (aanzienlijke) gelden moeten verwerken en transporteren, die niet in hun winkel wonen en die een onveiligheidsgevoel hebben omdat er bij hen of in de buurt is ingebroken; dat het verlenen van een wapendrachtvergunning aan al deze personen zou leiden tot een veralgemeende wapendracht en tot risico’s voor de betrokkenen en voor derden; dat, ten slotte, het zich beschermen door middel van een verweervuurwapen in een toestand van wettige zelfverdediging een zeer uitzonderlijke daad is die aan zeer strikte juridische voorwaarden is onderworpen en die een grote zelfbeheersing, beoordelingsgave en training vergt, zodat technische wapenkennis en oefeningen op een schietstand niet volstaan ter bewijs dat verzoeker getraind is om in gevaarsituaties zonder risico voor zichzelf en voor derden met een wapen om te gaan; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: XII-2443-10/11 Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2443-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.