id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.026 Rolnummer: A. 74410/XII-2482 Zaak: Arrest 136026 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 11:25 Fiche Arrest nr 136.026 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.026 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 74.410/XII-
- In zake : Guido VAN DER PERRE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Van Ginderdeuren, kantoor houdende te Lennik, Waterhoflaan 26 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido Van Der Perre op 20 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 maart 1997 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant houdende weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een halfautomatisch oorlogsvuurwapen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2482-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien de laatste memories van partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Van Ginderdeuren, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker sportschutter is en beschikt over drie vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen; dat verzoeker op 24 februari 1997 als “verzamelaar sportschutter” een aanvraag indient voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een halfautomatisch oorlogsvuurwapen; dat een eerdere aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van hetzelfde oorlogsvuurwapen bij besluit van 16 augustus 1995 door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant werd gewei- gerd; dat het besluit van de gouverneur van Vlaams-Brabant waarbij de aang- evraagde vergunning wordt geweigerd als volgt wordt gemotiveerd : “Gezien de heer VAN DER PERRE Guido, voornoemd, reeds drie vergunningen voor verweervuurwapens bezit; [...] Overwegende dat het in casu een aanvraag betreft voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen met het oog op het beoefenen van de sportschutterij; XII-2482-2/8 Overwegende dat de categorie van de oorlogswapens wapens bevat van verschillende aard en type; Overwegende dat aanvragen die betrekking hebben op verschillende soor- ten wapens op verschillende wijze dienen te worden onderzocht en beoor- deeld, waarbij de algemene karakteristieken van het type van wapen waarop de aanvraag betrekking heeft, in overweging dienen te worden genomen (zie bovenvermelde O.B. van de Minister van Justitie van 30 oktober 1995, punt 7.6.2.); Overwegende dat de gouverneur zich bij de beoordeling van deze aanvragen laat leiden door overwegingen inzake openbare orde en veiligheid (art. 128 Provinciewet), en terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt; Overwegende dat ik, na advies te hebben ingewonnen van het Koninklijk Verbond der Belgische Schuttersverenigingen, dat als representatieve organisatie geldt, heb besloten nog enkel vergunningen af te leveren voor oorlogsvuurwapens met een nominaal kaliber van maximum 8 mm, aangezien enkel wapens uit dit segment in aanmerking komen binnen de erkende schiet- disciplines; Overwegende dat het type wapen dat door de verzoeker wordt beoogd, zijnde een half-automatisch geweer F.N. type UZI, een nominaal kaliber heeft groter dan 8 mm; Overwegende dat verzoeker een dergelijk wapen wenst te bezitten met het oog op het beoefenen van de schietsport; Overwegende dat dit kaliber niet geëigend is voor het beoefenen van de erkende schietdisciplines; Overwegende dat het wapen in kwestie veeleer het karakter heeft van een agressief aanvalswapen dan van een precisiewapen geëigend voor de sportschutterij; Overwegende dat dergelijk type omwille van zijn compacte vorm erg gemakkelijk kan weggeborgen worden en door zijn omvangrijke ladercapaciteit over een niet te verwaarlozen vuurkracht beschikt; Overwegende dat dit wapen werd ontworpen voor militaire doeleinden, om te dienen bij gewapende confrontaties op korte afstand (0,40 m), zoals zuiveringsacties, straatgevechten; Overwegende dat dit soort wapen precies omwille van bovengenoemde karakteristieken bijzonder in trek is voor het plegen van zware criminele feiten; Overwegende dat uit de samenstelling van de buit van enkele recente wapendiefstallen (wapenhandelaar en schietstand) blijkt dat dit soort oorlogswapens erg gegeerd is in criminele milieu’s; Overwegende dat instanties (politie, rijkswacht, strijdkrachten), die beroepshalve over dergelijke wapens dienen te beschikken en die alle mogelijke beveiligingsmaatregelen - zowel organisatorische (wachtrondes, 24 uren-permanentie) als technische (alarminstallaties) -kunnen voorzien , er niet in slagen de ontvreemding van wapens te voorkomen; XII-2482-3/8 Overwegende dat uit recente criminaliteitsgegevens van de Algemenen Politiesteundienst (A.P.S.D.) blijkt dat wapendiefstallen bij particulieren een stijgende tendens vertonen; Overwegende dat hieruit kan worden afgeleid dat de bewaring van een dergelijk oorlogsvuurwapen bij een particulier een verhoogd veiligheidsrisico met zich brengt”; Overwegende dat in een eerste middel van het verzoekschrift een schending van artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie wordt aangevoerd, doordat de bestreden beslissing stelt dat het niet aangewezen lijkt een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen met een nominaal kaliber groter dan 8 mm uit te reiken voor het beoefenen van de schietsport, terwijl de wet geen limiet qua kaliber oplegt en het verlenen van een vergunning niet koppelt aan een specifiek gebruik, zodat het bestreden besluit beperkende voorwaarden toevoegt aan de betrokken wettelijke bepaling; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord de argumenten herhaalt die reeds in het bestreden besluit worden aangehaald; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat verwerende partij enkel rekening houdt met het gebruik dat van het wapen zal worden gemaakt, terwijl het zeldzame karakter van het wapen, dat voortvloeit uit het feit dat de karabijn UZI het laatste wapen van dit type is dat door F.N. Luik werd vervaardigd, niet in overweging wordt genomen; dat verzoeker voorts wijst op zijn onberispelijk gedrag tijdens het uitoefenen van zijn hobby, zodat er volgens hem geen sprake kan zijn van mogelijke nadelige gevolgen voor de openbare orde en de openbare rust en veiligheid; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie betoogt dat verwerende partij “eveneens” artikel 11 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in XII-2482-4/8 munitie schendt doordat de motivering dat oorlogsvuurwapens met een nominaal kaliber groter dan 8 mm niet geëigend zijn om aan sportschieten te doen, een beperkende voorwaarde oplegt die niet wettelijk bepaald is; Overwegende dat het middel niet zozeer een schending van het artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie viseert dan wel een schending van het artikel 11 van de wet; dat immers artikel 3 een indeling van de wapens bevat en omschrijft wat als verboden wapen, verweerwapen, oorlogswapen, wapen voor wapenrekken en jacht- of sportwapen wordt beschouwd en verzoeker niet beweert dat het halfautomatisch wapen F.N. type UZI kaliber 9 mm verkeerd werd ingedeeld en ten onrechte als een oorlogswapen wordt gekwalificeerd; Overwegende dat artikel 11 van de wet van 3 januari 1933 bepaalt dat het aan particulieren verboden is een oorlogsvuurwapen voorhanden te hebben behoudens in geval van vergunning verleend door de gouverneur, en dat de vergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien blijkt dat het voorhan- den hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; dat noch in de wet, noch in het uitvoeringsbesluit voorwaarden of criteria worden bepaald die de vergunningverlenende overheid in acht moet nemen bij de beoordeling van een aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen; dat de provinciegouverneur in deze over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat het haar bij de uitoefening daarvan niet kwalijk kan worden genomen rekening te houden met de bedoeling van de wetgever die kennelijk wou dat met betrekking tot oorlogsvuurwapens restrictief zou worden opgetreden (Parl. St. Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, p. 18); Overwegende dat het verwerende partij met het oog op een doelmatig en rechtmatig bestuur evenmin verboden is voor zichzelf beleidslijnen uit te werken, met dien verstande echter dat deze niet automatisch, zonder onderzoek van de concrete omstandigheden, zouden mogen worden toegepast; dat te dezen van zo een blinde toepassing van een beleidsregel evenwel geen XII-2482-5/8 sprake is; dat de verwerende partij er in de formele motivering genoegzaam van doet blijken de aard en het type van het aangevraagde wapen en het doel waarvoor de vergunning werd gevraagd, in concreto te hebben nagegaan; dat verzoeker zijnerzijds dan weer niet aannemelijk heeft gemaakt, zelfs niet eens beweert, dat halfautomatische oorlogswapens met een kaliber groter dan 8 mm wel degelijk gebruikt worden in de erkende schietdisciplines; dat, in zoverre hij in zijn aanvraag vermeldde als “verzamelaarsportschutter” een vergunning te wensen, hij geen verdere preciseringen gaf en geen erkenning als wapenverzamelaar bezit; dat de verwerende partij dan ook terecht kon besluiten dat het betrokken wapen niet geschikt is voor de bestemming die verzoeker eraan wenst te geven; Overwegende dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat in een tweede middel verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing artikel 3, §§ 2 en 3, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie schendt, doordat het besluit het aantal oorlogsvuurwapens dat particulieren mogen bezitten beperkt tot twee terwijl in de wet van 3 januari 1933 geen dergelijke beperking voorkomt, dat zodoende ook hier een beperkende voorwaarde wordt toegevoegd aan een wettelijke bepaling, dat verzoeker benadrukt dat hij, zelfs indien hij de gevraagde vergunning zou verkrijgen, niet over twee oorlogsvuurwapens beschikt aangezien de drie vuurwapens die hij reeds in zijn bezit heeft geen oorlogsvuurwapens zijn; XII-2482-6/8 Overwegende dat het middel een motief bekritiseert dat niet in het besluit van 17 maart 1997 van de provinciegouverneur dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietigverklaring, kan worden gelezen; dat het voorkwam in een eerder weigeringsbesluit van 16 augustus 1995 van de provinciegouverneur, besluit dat hier evenwel niet aan de orde is; dat het middel feitelijke grond mist; Overwegende dat in een derde middel verzoeker voortborduurt op het tweede middel en betoogt dat de bestreden beslissing het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 14 en 16 van de wet van 3 januari 1933 schendt “door eveneens een onderscheid te creëren tussen de Belgische burgers die het wettelijk quota van politievergunningen overschrijden (5 of 10 volgens de kali- bers) over een opslagplaats beschikken hetwelk hun toelaat wel degelijk meer dan twee oorlogswapens aan te kopen en deze die onder het wettelijk quota van de politievergunningen blijven en zich dienen te onderwerpen aan de goedkeuring van de Provincie - eenheid”; Overwegende dat het middel zich richt tegen een motief dat niet voorkomt in het bestreden besluit; dat het zonder feitelijke grond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2482-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2482-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.